Artikel

DJ nr.4, 02.03.2007

25 jaar na de moord terug naar El Salvador

Op 17 maart is het 25 jaar geleden dat Jan Kuiper, Hans ter Laag, Joop Willemsen en Koos Koster werden doodgeschoten in El Salvador. De Journalist keerde terug naar het land om herinneringen op te halen en te kijken hoe het met de journalistiek gesteld is.

Marc Broere


Hotel Alameda ligt aan een grote doorgaande weg richting het centrum van San Salvador. Het geluid van de langsrijdende vrachtwagens dreunt naar binnen wanneer we inchecken. Bij de receptie wordt niet vreemd opgekeken als we zeggen dat we graag kamer 418 willen, dezelfde kamer die Jan Kuiper en Koos Koster deelden. Een dubbele kamer kost ruim 50 dollar per nacht. De gangen van het hotel hebben iets sjofels en ademen vergane glorie uit. In kamer 418 hangt een scherpe geur van een schoonmaakmiddel. Het is een kleine kamer met twee bedden en een bureau.
Vanuit dit hotel vertrokken de vier Nederlandse Ikon-journalisten op 17 maart 1982 richting Chalatenango, naar het gebied dat onder controle stond van de guerrilla’s. We nemen vandaag dezelfde route en worden begeleid door Marcos, een oud-verzetsstrijder. Het was destijds zijn verantwoordelijkheid om de journalisten in contact te brengen met de guerrilla’s. Na anderhalf uur slaan we bij Santa Rita de weg af en rijden we een kleinere verharde weg in. Een paar honderd meter verder stoppen we. ‘Hier hadden de Nederlanders afgesproken met de gidsen van het verzet’, zegt Marcos. Hij loopt naar een boom en schudt zijn hoofd. ‘Aan deze boom heeft een gedenkteken gehangen. Het is vernield omdat het een plek is waar de Salvadoraanse autoriteiten niet graag aan herinnerd worden.’
Marcos, die tegenwoordig leraar is op een middelbare school, bedekt zijn gezicht met een zakdoek omdat het nog steeds niet veilig is om voor de camera over de gebeurtenissen van toen te praten. Hij wijst naar de heuvels aan linkerkant van de weg. ‘Daar lag een eenheid van het leger te wachten. Ze wisten dat de Nederlanders zouden komen.’ We klimmen rechts het hek over en lopen het dal in. ‘Hier begon het leger te schieten’, zegt Marcos na enkele tientallen meters. ‘De Nederlanders hielden hun camera’s en apparatuur omhoog en riepen: “We zijn journalisten, we zijn journalisten.” Maar het was een koelbloedige en geplande moord.’ Marcos wordt emotioneel en begint achter zijn zakdoek te huilen. ‘Het was voor ons heel belangrijk dat mensen de waarheid leerden kennen over El Salvador. Je kunt pas gerechtigheid krijgen als mensen eerst de waarheid kennen. De vier Nederlanders zijn gestorven omdat ze de waarheid wilden weten en die wilden doorgeven.’

Vijfentwintig jaar na de moord op de vier journalisten zijn de herinneringen in El Salvador nog haarscherp. We ontmoeten de fotograaf Ivan Montecinos in zijn bescheiden woning in San Salvador. Hij laat zijn beroemde fotoboek van de Salvadoraanse burgeroorlog zien. De foto’s laten zien wat voor gruwelijke schendingen van mensenrechten er vooral in de jaren ’80 plaatsvonden. Montecinos, die twaalf jaar voor persbureau UPI in de frontlinie van de burgeroorlog stond, ontmoette Koster voor het eerst in 1980. Koster genoot toen al jaren bekendheid door zijn journalistieke werk in Latijns-Amerika. Na de bloedige staatsgreep van Augusto Pinochet in Chili (1973), werd hij als een van de eerste journalisten gearresteerd en in het stadion van Santiago gevangen gehouden. Vanaf eind jaren ’70 hield Koster zich vooral met El Salvador bezig, waar aartsbisschop Romero hem ervan overtuigde dat de journalistiek ‘een heilig beroep’ was en dat de waarheid over El Salvador bekend moest worden. Hij werkte geregeld samen met Kuiper, oud-correspondent van de Volkskrant in Bonn, die ook als criticus functioneerde en Koster vaak op andere gedachten bracht. ‘We spraken vaak af in café La Paradera’, blikt Montecinos terug. ‘Dan hadden we diepe gesprekken over de journalistiek. Koster wilde echt verslag doen van wat de Salvadoraanse bevolking onderging. Hij wilde altijd praten met arme mensen en met vluchtelingen om hun kant van het verhaal te horen.’
Montecinos kan zich hun laatste ontmoeting nog goed herinneren, enkele dagen voor de moord. ‘We zaten met een groep journalisten, waaronder de vier Nederlanders, naar de training van het nationale voetbalelftal van El Salvador te kijken dat zich net had gekwalificeerd voor het wereldkampioenschap in Spanje. Koos kwam naast me zitten en vroeg om raad. Hij voelde zich onzeker omdat zijn hele ploeg een paar dagen eerder was opgepakt en ondervraagd. We spraken vooral over hun foto die in de Salvadoraanse krant had gestaan. Hoe moest je dat interpreteren? Ik raadde hem aan om geen risico’s te nemen en zo snel mogelijk het land te verlaten. Helaas hebben ze een andere afweging gemaakt.’
Koster heeft later veel kritiek gekregen voor deze afweging. Zijn bevlogenheid zou hem blind gemaakt hebben voor de risico’s en hij zou daarom verantwoordelijk zijn voor de dood van zijn collega’s. Montecinos is het hier niet mee eens. ‘Ze hebben met z’n vieren besloten om toch te gaan. Ondanks hun arrestatie was het tegelijkertijd ook ondenkbaar dat het leger zomaar vier buitenlandse journalisten zou vermoorden.Zelfs Salvadoranen die het land nog veel beter kenden dan Koster, hadden deze reactie van het leger niet kunnen voorspellen.’
Enkele dagen later fotografeerde Montecinos door een glazen wand de stoffelijke overschotten van de omgekomen journalisten in een mortuarium in San Salvador. Zeven jaar later kwam ook Ikon-cameraman Cornel Lagrouw in El Salvador om het leven. Ook het stoffelijk overschot van Lagrouw werd door Montecinos gefotografeerd in het mortuarium. ‘Cornel had de pech om in een kruisvuur terecht te komen. Met hem was ik goed bevriend. Ik heb de Nederlandse tragedies hier van dichtbij meegemaakt.’ Als we afscheid nemen, wil Montecinos nog één ding kwijt: ‘Koster was altijd heel gefrustreerd over de geringe impact van zijn reportages’, zegt hij. ‘Het cynische is dat hij eerst dood heeft moeten gaan om de aandacht van de wereld op El Salvador gericht te krijgen.’

Levendige herinneringen worden ook opgehaald bij Co-madres, een mensenrechtenorganisatie van moeders met verdwenen of vermoorde kinderen. Alicea García richtte de organisatie in 1979 op nadat haar veertienjarige zoon door soldaten uit een schoolbus werd gehaald en nooit meer is teruggezien. Een jaar later kwam ze voor het eerst in contact met Koster. Het was het begin van een intensief contact. ‘Als Koos in El Salvador was, belde hij iedere dag op. Hij was bij elke manifestatie van ons aanwezig; hij accepteerde niet wat er op persconferenties werd gezegd, maar ging altijd zelf op onderzoek uit; hij controleerde elk feit. Als we erop uittrokken om gevonden lijken te identificeren, ging Koos met ons mee. Hij sprak dan met moeders die hun zonen of dochters hadden verloren. Niet alleen om de feiten te achterhalen, maar ook om hen woorden van troost te geven. Ik voel me net zo Salvadoraan als jullie, zei hij dan. Dat waren niet zomaar woorden, dat was echt. Hij hield ons ook voor dat degenen die de waarheid vertellen uiteindelijk zullen triomferen. Ook leerde hij ons dat gerechtigheid vragen voor een vermoord familielid geen zonde was. We hadden veel vertrouwen in hem. Er was geen moeder die niet van hem hield.’
Twee uur lang vertellen García en de andere moeders van Co-madres warme anekdotes over de Nederlandse journalist en wordt er veel gelachen. Als de dood van Koster ter sprake komt, valt het stil. ‘Koos stond altijd voor ons klaar’, zegt García met trillende stem, ‘maar wij konden hem en zijn collega’s niet helpen in hún moeilijke laatste momenten. Dat doet nog steeds veel verdriet en het is heel moeilijk om hier overheen te komen.’

De burgeroorlog in El Salvador duurde tot begin jaren ’90 toen er een vredesakkoord werd getekend. De invloed van leger en militairen is nu enorm beknot en ook het politieke systeem is op veel punten verbeterd. De daders van het geweld uit de jaren ’80 zijn echter nooit berecht omdat na het vredesakkoord eveneens een amnestiewet werd afgekondigd. Nog steeds controleert een klein aantal families de politiek en economie. Ook de media zijn voor het overgrote deel in handen van de kleine rijke oligarchie. De kranten en televisiestations prediken nog steeds angst voor alles wat links is. Voor kritische onafhankelijke journalistiek is bijna geen ruimte. Een uitzondering vormt het populaire interviewprogramma La Entrevista dat iedere ochtend wordt uitgezonden en een van de meest spraakmakende programma’s op televisie is geworden. Het programma heeft een andere journalistieke invalshoek dan de andere media. ‘Bijna alle kranten en actualiteitenprogramma’s zijn in handen van de politieke elite en verkondigen de boodschap dat de economische groei in het land toeneemt’, zegt Franzi Hasbun, de nestor van de onafhankelijke journalistiek in El Salvador en grote man achter La Entrevista. ‘Wij stellen vooral kritische vragen: over de toenemende armoede en ongelijkheid in het land, over de gebrekkige kwaliteit van onze democratie, en over corruptie in de politiek en in het bedrijfsleven.’
Hoewel tegenwoordig bijna geen enkele politicus een interview met La Entrevista meer weigert, is het bedrijven van onafhankelijke journalistiek nog steeds niet zonder risico’s. De televisiezender die het programma uitzond werd door de economische en politieke machthebbers onder druk gezet om het van de buis te halen. Met financiële steun van de Nederlandse organisatie Free Voice heeft het programma nu een herstart gemaakt op een andere zender. Ook vinden er in toenemende mate weer politieke moorden plaats in het land. ‘Het werk is nog steeds niet ongevaarlijk’, beaamt Hasbun, ‘maar angst is in Latijns-Amerika altijd een dagelijks onderdeel van het leven van een journalist geweest. Dat is de prijs die je betaalt voor het zoeken naar de waarheid.’
We gaan ’s avonds met Hasbun eten in zijn favoriete Thaise restaurant. Ook Hasbun heeft Koster meerdere malen ontmoet. ‘Het zien van armoede deed hem pijn in de aderen.’ We hebben een lang gesprek over journalistieke objectiviteit. Aan het einde van de avond vat Hasbun zijn standpunt nog een keer samen. ‘Ik geloof in eerlijke journalistiek. Eerlijk in de zin dat je de feiten van de werkelijkheid moet weergeven. De machthebbers in El Salvador en de Verenigde Staten wilden de wereld doen geloven dat het om een oorlog tegen het communisme ging. Onafhankelijke journalisten, zoals de vier Nederlanders, lieten iets heel anders zien; ze lieten de armoede zien en de ongekende repressie tegen het volk. De duidelijkste objectiviteit van dit land was de armoede en waren de schendingen van mensenrechten.’

Op 17 maart is het precies 25 jaar geleden dat de vier Ikon-journalisten werden vermoord. Die dag organiseren de Dick Scherpenzeel Stichting, ICCO Kerk in Actie, Free Voice, Amnesty International en lokaalmondiaal het symposium “Overleven verplicht” in De Balie in Amsterdam.

17 maart 1982
Veel buitenlandse journalisten waren in maart 1982 in El Salvador om verslag te doen van de verkiezingen. Het kleine land verkeerde sinds 1979 in een burgeroorlog en grote gebieden bevonden zich onder controle van de guerrilla’s van het FMLN. De Amerikaanse president Ronald Reagan gaf militaire steun aan het Salvadoraanse bewind, terwijl de publieke opinie in Europa juist solidair was met de onderdrukte bevolking. Tegen deze achtergrond streek een televisieploeg van de Ikon in El Salvador neer, bestaande uit Jan Kuiper (programmamaker) Hans ter Laag (geluidsman), Joop Willemsen (cameraman) en Koos Koster (correspondent). Na een paar draaidagen werden ze opgehaald door agenten in burger en ondervraagd. Een dag later verscheen een artikel in de Salvadoraanse pers met een foto van de Nederlandse journalisten. In het artikel werden ze beschuldigd van steun aan het verzet.
Op 17 maart vertrok het team met een minibus richting Chalatenango. Onderweg constateerden ze dat hun auto werd gevolgd door een Cherekoo Chief Jeep die vaak gebruikt werd door veiligheidsdiensten. Bij Santa Rita werden ze opgewacht door vier strijders van het FMLN. Ze verlieten de weg en trokken via een paadje het land in. Nog geen honderd meter verder werd het vuur op de groep geopend. Slechts één guerrillastrijder slaagde erin in te ontkomen.
De moord was voorpaginanieuws in de hele wereld en leidde in Nederland tot veel verontwaardiging. Voor het Amerikaanse consulaat werden vijf houten kruisen geplant: één voor elke journalist en een vijfde voor de 40.000 Salvadoraanse burgers die de jaren ervoor vermoord waren. De Nederlandse regering stelde een onderzoek in dat draaide om de vraag of het Salvadoraanse leger wist van de komst van de groep en bewust een hinderlaag had gelegd met de intentie de journalisten te vermoorden. Het onderzoek van diplomaat Jan Willem Bertens concludeerde dat noch opzet, noch toeval kon worden bewezen. De Waarheidscommissie die na het vredesakkoord onderzoek deed naar schendingen van mensenrechten, concludeerde na uitvoerig onderzoek in 1993 dat de journalisten wel degelijk werden gedood in een bewust gelegde hinderlaag op basis van vooraf gekregen informatie.
De daders zijn nooit gestraft.