villadewereld


 Steunpunt voor Nederlandse journalisten die berichten over ontwikkelingslanden.
 

Over ons   Actuele databases van relevante personen en organisaties

Home
Over ons
Contact
Agenda

Beurzen
Bemiddeling
Journalistiek
onderzoek
Stimulering
Publicaties



Een site van


Dick Scherpenzeel Stichting




Internationale samenwerking



 

Webmaster: Lotte van Doorn


Verslag bijeenkomst 1 maart

‘De hype 555 komt niet voor
herhaling in aanmerking’

(4 maart 2005)

Achter de katheder: Jo Bardoel.
foto: Sandra van Heeswijk (Novib)

‘De hype 555 komt niet voor herhaling in aanmerking’
Op 1 maart vond in de Rode Hoed een discussie plaats over de hype die is ontstaan na de tsunami in Azië. Over de rol van de hulporganisaties en de media hierin. En waarom er wel zoveel aandacht was voor de ramp in Azië en bijvoorbeeld niet voor rampen in Afrika, zoals in Darfur. De avond werd georganiseerd door Novib, Villa de Wereld en de Rode Hoed.

De hulporganisaties zijn niet alleen maar heel blij met de nationale actie na de tsunami vanwege de record opbrengst (ruim 183 miljoen euro). “Nee, zeker niet”, zei Jan Bouke Wijbrandi, directeur Campagnes bij Novib. En Jo Bardoel, bijzonder hoogleraar mediabeleid aan Universiteit van Amsterdam, noemde de grote tv-uitzending van donderdag 6 januari ‘een buitengewone flop’.

Ruim twee-honderd geïnteresseerden hoorden hoorden Wijbrandi in De Rode Hoed kritiek leveren op ‘het monsterverbond’ tussen journalisten en hulporganisaties. Waar de hulporganisaties bij vorige grote rampen tevergeefs probeerden om aandacht van de media te krijgen, belde dit keer de NOS zelf de SHO op, vertelde Wijbrandi. En toewerkend naar de nationale actie werden de normale, afstandelijke verhoudingen tussen media en hulporganisaties verbroken. Er was sprake van een waar monsterverbond. De actie liet bij hem allerlei vragen achter. Hoe beïnvloedt het financiële en mediasucces van de actie de hulporganisaties? Is de verhouding tussen de media en de hulporganisaties veranderd? Horen de media na alle aandacht die ze aan de ramp hebben besteed, nu niet ook te berichten over wat er daadwerkelijk met het geld gebeurt? Hoe bepalen de media wat nieuws is?'

Geen hype
Deze laatste vraag beantwoordde Jo Bardoel. Volgens hem is een gebeurtenis nieuws op het moment dat: er een verhaal te vertellen is, het een onverwacht drama betreft, het negatief en niet ambigue is, er sprake is van sterke emoties en van culturele nabijheid. Daar de tsunami in Azië aan al deze criteria voldeed, was het voor de media de volmaakte ramp. En de ramp in Darfur juist niet.
Maar was er ook sprake van een hype? Nee, stelde Bardoel, want bij een hype wordt er nieuws gemaakt in plaats van verslaan en is er sprake van stemmingmakerij. Dit was bij de tsunami niet het geval.

Rol van de media
Discussieleidster Clairy Polak van Nova voelde vervolgens een aantal journalisten aan de tand over hoe zij in zo’n actie staan en er achteraf op terugkijken. Kees Schaepman, voorzitter NV en eindredacteur VPRO-radio, vond monsterverbond waar Wijbrandi het over had gevaarlijk omdat het moeilijk is om vervolgens kritiek te leveren op de hulporganisaties. Wat Step Vaessen, correspondent Indonesië voor NOS Journaal, betreft was er geen sprake van een monsterverbond. Want zegt ze: Ik was in Atjeh en daar was in eerste instantie helemaal geen hulp. Mijn roep om hulp was niet ingegeven door de hulporganisaties, maar gewoon omdat deze er niet was.

Blanken geloofwaardiger
Kenneth van Toll, van Free Voice, kwam net terug uit Atjeh om daar lokale media te helpen weer te kunnen functioneren. Zij benadrukte het belang van lokale journalisten, ook als bron voor Nederlandse journalisten. Els van der Plas, directeur van het Prins Claus Fonds, sloot daarbij aan en vroeg zich af Waarom iedere krant of tv-rubriek zonodig eigen journalisten moeten sturen? En waarom willen die dan zo graag vooral Nederlandse hulpverleners laten vertellen hoe de situatie is? Omdat blanke journalisten en blanke woordvoerders geloofwaardiger overkomen, omdat naar Nederlands luisteren minder vermoeiend is en ook uit gemakzucht, antwoordde Nico Kussendrager van de School voor Journalistiek en oud-hoofdredacteur van Onze Wereld. Hij had er met studenten een onderzoekje naar gedaan.

De nationale actie
Al dat commentaar op de actie en vooral op de tv-uitzending bracht Clairy Polak tot de opmerking: al die nadruk op emotie en amusement heeft wél extra geld opgebracht. Maar Wijbrandi betwijfelde dat sterk. Met een veel journalistiekere invulling van de uitzending zou ongeveer hetzelfde zijn opgebracht, is zijn overtuiging. En verder zijn er veel aanwijzingen dat het vele geld dat naar giro 555 is gegaan (183,6 miljoen euro op 2 maart), niet ten koste is gegaan van andere goede doelen. De geefbereidheid van de Nederlanders is in zijn algemeenheid verhoogd. Fondsenwervende mailingen op andere onderwerpen dan de tsunami hebben ook goed opgebracht.

Wat gebeurt er met het geld?
Hoe wordt al dat geld nu besteed en hoe gaat de SHO dat verantwoorden? was het laatste punt van de discussie. Kunnen de hulporganisaties het geld wel kwijt en wie is verantwoordelijk voor de berichtgeving? Nee, was de reactie van de kant van de hulporganisaties, dat is geen probleem. Artsen zonder Grenzen neemt weliswaar haar aandeel uit de opbrengst niet op, maar de anderen kunnen het goed gebruiken. Novib, vertelde Wijbrandi, besteedt 49 miljoen euro naar aanleiding van de tsunami, deels uit de SHO-pot en voor de rest uit de 280 miljoen euro waarover de gezamenlijke Oxfams beschikken voor dit doel.
Moeten de hulporganisaties zelf informatie geven over de besteding of moeten journalisten dat doend? Algehele mening was: beide. De hulporganisaties zullen zeker hun best doen maar gewend zijn zij nog niet aan de transparantie die ze zelf voorstaan, stelde Esther Jacobs van de Donateursvereniging op grond van eigen ervaring.

Overzicht.
foto: Sandra van Heeswijk (Novib)

Ze legde de vinger op een zere plek waarmee ook Novib – en alle ontwikkelingsorganisaties – het moeilijk heeft: wat is de ‘impact’ van het werk, hoe hard kun je bewijzen dat juist door ons werk in land X of voor groep Y de armoede is afgenomen? Jacobs: “Dat is heel moeilijk te meten. Dus vertel je maar welke goede dingen je doet (output). En ook die zijn niet altijd concreet meetbaar. Dus vertel je maar hoe efficiënt je met het geld omgaat. En als ook dat nog lastig is, kun je altijd nog aangeven hoe efficiënt je bent met fondsenwering, dus welk percentage van de opbrengst gaat zitten in de kosten van de fondsenwerving.” En, voegde ze eraan toe, alleen voor dat laatste hebben de goede doelen nu een harde controleerbare norm (maximaal 25 procent om het CBF-keur te kunnen krijgen). Op haar vragen afgelopen weken aan de SHO hoeveel van de opbrengst van de Azië-actie gaat zitten in apparaatskosten, had ze nog steeds geen antwoord gehad.

Conclusies
Komt de Nationale Actie 'Help slachtoffers aardbeving Azië' in deze vorm voor herhaling in aanmerking? was de slotvraag van Clairy Polak. Jan Bouke Wijbrandi: “Nee, zeker niet, althans niet zo’n monsterverbond tussen media en hulporganisaties. Laten we weer ieder, kritisch en afstandelijk, onze eigen rol vervullen. Wij moeten transparanter worden en aangeven wat de impact van ons werk is, al is dat laatste hartstikke moeilijk. Van de journalisten verwacht ik kritische en afgewogen berichtgeving.”
Jo Bardoel, over hoe nieuws wordt gebracht: “Ik ben er tegen als bij acties alleen nog journalistieke aandacht aan de inhoud kan worden besteed als het sexy gemaakt kan worden. En journalisten moeten niet achter elkaar aan gaan rennen allemaal naar dezelfde plaatsen en onderwerpen. Het resultaat voor lezers en kijkers wordt dan heel homogeen.”

bron: www.novib.nl 2maart05