villadewereld


 Steunpunt voor Nederlandse journalisten die berichten over ontwikkelingslanden.
 

Over ons   Actuele databases van relevante personen en organisaties

Home
Over ons
Contact
Agenda

Beurzen
Bemiddeling
Journalistiek
onderzoek
Stimulering
Publicaties



Een site van


Dick Scherpenzeel Stichting




Internationale samenwerking



 

Webmaster: Lotte van Doorn


De hype ‘555’
Waarom Azië wel en Afrika niet?
Discussie met media en hulporganisaties
(2 maart 2005)

Rode Hoed, 1 maart 2005

Inleiding: Jan Bouke Wijbrandi, Novib

De Nationale Actie voor Azië in januari 2005 was de grootste nationale actie ooit. Giro 555 was enkele weken lang het sterkste merk van Nederland. Dit succes hangt nauw samen met ongekend grote media-aandacht. Nederland werd overspoeld door berichten over de ramp, over het aantal slachtoffers en vermisten, over de eerste hulp en over de Nationale Actie voor Azië, die al op de dag van de ramp startte. Al snel werd duidelijk dat dit een grote actie zou worden. Bij deze ramp kwam een aantal factoren bij elkaar, die tot deze aandacht en geefbereidheid hebben geleid:

• De enorme omvang van de ramp, zowel naar aantal doden als geografische reikwijdte;
• Het feit dat dit een natuurramp was, waar geen schuldige voor aan te wijzen is (in tegenstelling tot ‘man made disasters’);
• Het tijdstip (tweede kerstdag);
• De behoefte in Nederland aan saamhorigheid, na de moord op Theo van Gogh;
• Het feit dat er Nederlanders tot de slachtoffers horen;
• Het feit dat relatief veel Nederlanders – vooral als toerist – het gebied hebben bezocht;
• Het was nu eens niet Afrika…

Verschillende partijen werden meegesleept door de kracht van deze hype. De normale, afstandelijke verhoudingen tussen media en hulporganisaties werden daarbij doorbroken. De vaste rolverdeling is dat de hulporganisaties de omvang van de ramp vaststellen, bepalen of hulpverlening nodig is, deze hulp zelf of in samenwerking met lokale organisaties en internationale koepels bieden. Zij vragen de aandacht van het publiek en benaderen de media. Bij grote rampen wordt besloten tot een gezamenlijke Nationale Actie. De omroepen beoordelen of de ramp en de Actie nieuws zijn en de journalisten berichten erover - onafhankelijk van andere belangen en principes dan de journalistieke. Nu was dat anders: de NOS belde met de SHO of zij ook van plan waren een actie te starten en dat zij daar graag aan meewerkten; dit in tegenstelling tot vele andere situaties, waarbij de SHO (niet zelden vergeefs) om media-aandacht vraagt voor een ramp. Binnen drie dagen - in een Hilversumse vakantieperiode tussen kerst en nieuwjaar - zaten de Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) om de tafel met de leiding van de publieke omroep, RTL4 en SBS6. In no time werden er afspraken gemaakt – in grote harmonie. Door de grote media-aandacht en het vooruitzicht van een nationaal televisieprogramma, ontstond in Nederland een nationaal gevoel, met een enorme geef- en actiebereidheid. Zonder slag of stoot werden de kosten van de fondswervende uitzending op 6 januari jl. gedeeld door de deelnemende omroepen. KPN leverde gratis de telefoonverbindingen en TPG Post werkte voor niets. De grote media-aandacht werkte hier stimulerend. De media waren erop bedacht dat niemand ook maar een cent te veel aan de Actie voor Azië zou verdienen – op straffe van imagoschade. VVD-Kamerlid Szolt Szabo stelde nog onverhoeds en vooral erg populistisch voor reserveerde hulpgelden voor Darfur snel beschikbaar te stellen voor Azië. Alle geld was nodig; alle geld moest naar de slachtoffers. De totale kosten van deze actie bedragen dan ook slechts 0.6% van de totale opbrengsten. En de opbrengst overtreft meer dan drie maal de grootste nationale actie tot dan toe: de Actie voor Kosovo in 1999.

Een comforatabele situatie voor hulporganisaties. Vaak hebben ze moeten vechten om aandacht voor grote rampen, die kennelijk minder nieuwswaarde hadden. De berichtgeving getuigde doorgaans van hetzelfde ‘wij-gevoel’, dat heel Nederland tijdelijk in zijn greep had. Met zo hier en daar een journalistieke en afstandelijke berichtgeving, zoals in NRC Handelsblad. Een monsterverbond tussen hulporganisaties en media. Dat leidt tot een aantal vragen, die ik hier voorleg met het oog op het debat van vanavond.

Een eerste vraag is, hoe het financiële en media-succes van deze actie de hulporganisaties beïnvloedt. Han Koch (Trouw) schreef al in januari, en naar mijn mening volkomen terecht, dat kwaliteit van de hulpverlening na deze ‘high profile’-ramp bepalend zal zijn voor het imago van hulporganisaties op de langere termijn. Na de afgelopen jaren, waarin de media veel oog hadden voor indirecte zaken, als eigen belangen van Nederlandse hulporganisaties (bij voorbeeld de hoogte van directeurensalarissen in de sector), zijn de hulporganisaties meer dan ooit doordrongen van het belang van de kwaliteit van hun werk en de verantwoording daarover: effectieve hulpverlening, goede onderlinge afstemming en samenwerking, realistische omvang van uitvoeringskosten, goede terugkoppeling van resultaten naar de gever, evenwichtige verdeling van opbrengsten over Nederlandse organisaties. Zij beseffen het risico van een ‘tweede hype’ na de ramp: de kritiek na afloop. Inmiddels heeft de SHO een nieuw financieel reglement, waarin de publieke verantwoording aanmerkelijk verder strekt dan voorheen, bijvoorbeeld voor de besteding van gelden en de uitvoeringskosten van de eigen organisatie. De hulporganisaties realiseren zich dat dit een nieuwe standaard is. Een terugweg is er niet. Transparantie wordt een sleutelwoord. En als de media daar al niet om vragen, doen andere belanghebbenden dat wel, zoals de Donateursvereniging. De nieuwe media, zoals internet maken daarbij ook de ondrlinge vergelijking tussen hulporganisaties eenvoudiger.
En de media: gaan zij weer terug naar de gangbare verhoudingen: schrikken zij van hun tijdelijke sympathie voor de Actie, voor hun opvallende betrokkenheid, hun ‘embedded jounalism’? Zullen zij de schaamte voorbij gaan en weer afstrand nemen? Wordt het de lijn van Koert Lindijer (NRC Handelsblad), die al à priori aangeeft geen belangstelling te hebben voor nieuws van hulporganisaties in Darfur of Congo, omdat deze toch alleen hun eigenbelang zouden dienen? Zijn het de kijkcijfers en de oplagecijfers die - in een geplaagd media-landschap – de hype maakten? En die nu, nà de hype, aanleiding geven tot onevenredige aandacht voor schandalen, tegenslagen en fouten? Begrijp mij niet verkeerd: het berichten daarover is zonder twijfel een taak van de media? Maar ik pleit voor een afgewogen berichtgeving, kritisch, afstandelijk, geïnteresseerd. Berichtgeving met evenzeer aandacht voor de achtergronden van rampen en conflicten, voor de inhoud van het werk, de wederopbouw in de getroffen gebieden, de zelfredzaamheid van lokale organisaties als de buitenlandse hulpverleners en de camera’s vertrokken zijn, de internationale aspecten van de situatie in landen als Indonesië, India en Sri Lanka, zoals oneerlijke handelsrelaties, de schuldenpoblematiek – onderwerpen die voor de gemiddelde kijker en de lezer zwaarder verteerbaar zijn dan nationale saamhorigheid en succesvolle acties met ruim amusement en ‘human interest’.
Een vraag is ook of de media na de uitbundige berichtgeving over de ramp en de actie nu ook een zekere verantwoordelijkheid hebben voor de terugkoppeling naar de Nederlandse samenleving, naar alle gevers en actievoerders voor Azië? Uiteraard volgens de journalistieke uitgangspunten en wat Novib betreft op eigen kosten. Eén jaar na de succesvolle Nationale Actie voor Midden-Amerika (Mitch) in 1998 bleek het onmogelijk ook maar één omroep te interesseren voor een reportage over de voortgang van de wederopbouw in de regio, met als argument dat niemand in Nederland daar meer in was geïnteresseerd.
Een laatste vraag die ik zou willen bespreken vanavond, is die naar de keuzen die de media maken bij het bepalen wat nieuws is. Wat is het soortelijk gewicht van een ramp? Waarom wel de zeebeving in Azië, en niet de grote rampen in het geplaagde Afrika? Waarom wel natuurrampen en minder de grote en soms uitzichtloze conflicten, met óók slachtoffers, vluchtelingen stromen en menselijk leed? Hoeveel moeite kost het hulporganisaties niet om aandacht te krijgen en te houden voor minder mediagenieke, maar evenzeer ernstige rampen, zoals in Kongo, met inmiddels rond de vier mijloen doden, of de voortgaande volkerenmoord in Darfur. Accepteren we de cynische conclusie: eigenbelang van de hulpsector? Wanneer accepteren we gewenning aan menselijk leed als argument voor de conclusie: geen nieuws.