|
Over ons Actuele databases van relevante personen en
organisaties
Home
Over ons
Contact
Agenda
Beurzen
Bemiddeling
Journalistiek
onderzoek
Stimulering
Publicaties
Een site van

Dick Scherpenzeel Stichting


Internationale samenwerking

Webmaster: Lotte van Doorn
|
De hype ‘555’
Waarom Azië wel en
Afrika niet?
Discussie met media en
hulporganisaties
(2 maart 2005)
De Rode Hoed, 1 maart 2005
Tekst van: Jo Bardoel
Als we spreken over de ‘555-hype’ dan is de eerste, voor de hand liggende
vraag: was de berichtgeving over de zeebeving in Zuidoost Azië wel een
mediahype? Het is nog te vroeg om te kunnen terugvallen op onderzoek, en
daarom begin ik maar met de definitie die mijn goede UvA-collega en vriend
Peter Vasterman een jaar geleden in zijn proefschrift heeft gegeven.
Volgens hem is een mediahype – en ik citeer - “een mediabrede, snel
piekende nieuwsgolf die een gebeurtenis als startpunt heeft en die
grotendeels het gevolg is van zichzelf versterkende processen bij de
nieuwsproductie”. De escalatie in de berichtgeving die typerend is voor
een mediahype is dus vooral het gevolg van nieuwsmakende en niet van
verslaggevende activiteiten van media, waarbij media eerder
maatschappelijke reacties losweken dan dat deze maatschappelijke
ontwikkelingen registreren. Met andere woorden: bij mediahypes zijn media
meer bezig met het maken van nieuws dan met het verslaan van de
maatschappelijke werkelijkheid. Ze eigenen zich een gebeurtenis toe,
plakken er een eigen label op (zoals ‘zinloos geweld’), vinden
vergelijkbare gevallen en zo loopt de mediaberichtgeving alras vooruit op
de maatschappelijke werkelijkheid in plaats van omgekeerd. Media maken het
nieuws, bepalen de maatschappelijke opinievorming en maken zich schuldig
aan stemmingmakerij. Gelegd langs deze typering zou ik de berichtgeving
over de tsunami niet meteen als een hype willen bestempelen; ik betwijfel
of er meer nieuws gemaakt is dan verslaggedaan. Ook kunnen we naar mijn
idee – verder onderzoek moet het uitwijzen, zeg ik er als wetenschapper
voorzichtigheidshalve bij – niet stellen dat er in hoge mate sprake
geweest is van opgeklopte feiten en van onjuiste beeldvorming.
Als de berichtgeving over de tsunami geen hype was, wat was het dan
wel? De tsunami was een, om het zacht te zeggen, uiterst nieuwswaardige
gebeurtenis die door een samenloop van omstandigheden maximale aandacht
kreeg. De zeebeving was een ramp voor de mensen, maar een zegen voor de
media. In de veertig jaar sinds het befaamde artikel over nieuwsfactoren
in het Journal of Peace Research uit 1965 door Galtung en Ruge is veel
wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de vraag wat gebeurtenissen tot
nieuws maakt. Volgens deze nieuwscriteria moet nieuws, uiteraard,
belangrijk genoeg zijn om de journalistieke selectiedrempel te passeren
en, liever nog, zich lenen voor verhaal en dramatisering. Daarnaast scoren
nieuwsfeiten vooral als ze onverwacht zijn, als ze duidelijk negatief en
niet-ambigu zijn, dat wil zeggen eenduidig en niet voor meerdere uitleg
vatbaar, als ze de mogelijkheid bieden tot identificatie door
personalisering en het tonen van emoties, en tenslotte als het nieuwsfeit
voor de lezer of kijker voldoende relevant en cultureel nabij is. Wat dat
betreft waren de vele vermissingen, verhalen en video’s van Westerse
toeristen in de regio essentieel om de gebeurtenis dichterbij te brengen.
Afgemeten aan al deze criteria paste de tsunami uitstekend in de
journalistieke canon, en het feit dat deze viel in een verder uitermate
nieuwsluwe periode versterkte het effect nog verder. Voor de media was de
tsunami de volmaakte ramp.
De enorme journalistieke aandacht verklaart nog niet de eveneens
ongeëvenaarde respons en vrijgevigheid van de Nederlandse bevolking. We
kunnen niet anders dan speculeren – het valt me trouwens op hoe weinig
openbare reflectie heeft plaatsgevonden na deze eruptie van nationale
solidariteit – maar we mogen aannemen dat dit veroorzaakt werd door de
extreme ernst van de ramp en de aangrijpendheid van vooral de
televisieverslaggeving, gecombineerd met andere favorabele factoren, zoals
de timing, tijdens de Kerstdagen, de culturele nabijheid, als gevolg van
modern toerisme naar Thailand en oude koloniale banden met Indonesië en
Ceylon en natuurlijk onze eigen geschiedenis van strijd tegen het water,
de evidente schuldeloosheid van de slachtoffers en een grote behoefte in
ons land aan het vieren van gemeenschapsgevoel, zo kort na de moord op Van
Gogh. Ook praktische omstandigheden hebben bijgedragen, zoals de inmiddels
bekende samenwerking van de hulporganisaties onder een gironummer (ik was
tussen Kerst en Nieuwjaar in Berlijn, en zag daar teveel verschillende
‘Kontennummer’ voorbijkomen) en zeker ook de noviteit van een gezamenlijke
televisieactie van publieke en commerciële omroepen. Tegen zo’n
samenwerking bestaat wat mij betreft geen bezwaar, zolang het maar niet
betekent dat ‘human interest’ en vermaak prevaleren boven de
journalistieke inbreng, zoals op deze televisieavond het geval was. Als
het zo is dat het succes van de actie een gevolg was van deze unieke
combinatie van factoren - de ernst van de ramp, de nieuwswaardigheid en
vooral visualiseerbaarheid van de gebeurtenis en een buitengewone
betrokkenheid van de bevolking – dan impliceert dat ook dat zo’n succes
zich wellicht niet snel opnieuw zal voordoen. Het zich veel trager
voltrekkende drama in Afrika, waarbij bovendien door burgeroorlog de
schuldeloosheid van de betrokkenen minder onomstreden is, heeft niet de
ingrediënten van de perfecte mediaramp.
Dit alles betekent dat ons beeld van de wereld steeds meer bepaald wordt
door de mogelijkheden en de begrenzingen van de media, en vooral van
televisie. Als gezegd, de beeldvorming over de tsunami was naar mijn
indruk niet extreem vertekend, zoals bij mediahypes het geval is, maar
slechts het voorwerp van de gebruikelijke vertekening die deze
afhankelijkheid van de medialogica met zich meebrengt. Het betekent
bijvoorbeeld dat er excessieve aandacht is voor de onmiddellijke
gebeurtenis en de directe nasleep, zoals de ramp zelf en de aankomst van
eerste hulpgoederen, maar veel minder voor het vervolg, zoals de verdere
hulpverlening en de wederopbouw. Om mijn voormalige omroepcollega Pauka te
parafraseren: als de televisie geen beelden meer vertoont van de oorlog,
wil dat niet zeggen dat de oorlog is opgehouden, maar slechts dat het
filmen is opgehouden. Bovendien richt de directe verslaggeving zich
begrijpelijkerwijs op de zichtbare buitenkant van de ramp, en minder op
achtergronden en de relevante context, met vragen als: in hoeverre kan de
regio de ramp zelf opvangen, hoeveel hulp van buiten is eigenlijk nodig en
hoe kan deze ondanks bureaucratie en corruptie in de landen en
concurrentie tussen hulporganisaties goed landen? Deze onmiddellijke
verslaggeving klampt zich liever vast aan hard lijkende cijfers: hoeveel
doden en vermisten zijn er en hoeveel geld is er al toegezegd? Hierbij
ontstaat een soort campagnejournalistiek waarin alles erop gericht is om
zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld in te zamelen. In dit klimaat is er
voor informatie die niet in deze campagne past minder plaats. Opvallend
was in dit verband de verlegenheid, bij hulpverleners en media, met de
mededeling van Artsen Zonder Grenzen dat men intussen wel genoeg geld voor
noodhulp had ontvangen. Journalistiek en hulpverlening leken twee handen
op een buik, maar er is alle reden voor de hulpverleners om op hun hoede
te zijn: de media-aandacht die met je is, kan zich even makkelijk tegen je
keren. De berichtgeving leek even te kantelen bij de berichten over het
Hollandse hulpconvooi dat werd opgehouden bij de Indiase grens. Meer in
het algemeen zou het zou goed zijn als ook bij dit soort rampen de
journalistieke distantie en kritiek onverminderd overeind bleef.
Mijn opmerkingen passen in een patroon van een meer kritische bejegening
van media en journalistiek in de laatste jaren. Dat heeft te maken met
ontwikkelingen in die media, die meer commercieel en concurrentieel
geworden zijn, maar ook met maatschappelijke ontwikkelingen waarin
gevestigde maatschappelijke instellingen als politieke partijen, kerken en
het gezin aan invloed inboeten, en media een navenant meer centrale plaats
innemen in de samenleving. De selectiviteit en vertekening die
mediaverslaggeving met zich meebrengt, mist niet zijn effect op het
maatschappelijk debat en de besluitvorming die vaker patronen van eb en
vloed vertonen. Eigenlijk is de werking van moderne media heel goed te
vergelijken met een tsunami: als ergens de samenleving trilt, dan zorgt
dat voor een enorme vloedgolf in de media. Deze toegenomen macht van media
en journalistiek impliceert ook een grotere maatschappelijke
verantwoordelijkheid waarmee men nog niet goed weet om te gaan. Daarvoor
zijn naar mijn idee meer kritische zelfreflectie, een betere
zelfregulering en wellicht een andere journalistieke aanpak (‘new’,
‘civic’ of ‘slow’ journalism?) nodig: we zullen het vanavond wel horen.
|