|
Over ons Actuele databases van relevante personen en
organisaties
Home
Over ons
Contact
Agenda
Beurzen
Bemiddeling
Journalistiek
onderzoek
Stimulering
Publicaties
Een site van

Dick Scherpenzeel Stichting


Internationale samenwerking

Webmaster: Lotte van Doorn
|
Verslag discussie
De hype ‘555’
Waarom Azië wel en
Afrika niet?
Discussie met media en
hulporganisaties
(18 maart 2005)
De volmaakte ramp voor de Nederlandse media. De hype ‘555’, de grootste
actie ooit. Het is duidelijk: niet alleen de tsunami, maar ook de
ongekende media-aandacht en de totale betrokkenheid van de Nederlander die
guller dan ooit was, vallen alleen in superlatieven te beschrijven. In De
Rode Hoed kwamen tijdens de bijeenkomst “Waarom Azië wel en Afrika niet?”
enkele honderden mensen bij elkaar. Daar praatten ze met media en
hulporganisaties over waarom Nederlanders zo warm liepen voor Azië na de
tsunami, waar het ingezamelde geld van de hulporganisaties terechtkomt en
wat de rol van de media in het hele inzamelingsgebeuren was.
Waarom liep Nederland zo warm voor Azië na de tsunami, terwijl zich in
Afrika en elders aan de andere kant van de wereld veel grotere rampen
voltrekken. Selectieve solidariteit? En lieten de anders zo onafhankelijke
journalisten zich ineens voor het Giro 555-karretje spannen om met zoiets
als ‘campagnejournalistiek’ te komen? Wat bezielde Nederland? De
gemoederen tussen de grofweg drie partijen – de hulporganisaties, de media
en het donerende publiek – liepen dan ook regelmatig hoog op tijdens de
discussiebijeenkomst in De Rode Hoed op dinsdag 1 maart, die was
georganiseerd in samenwerking met Novib en Villa de Wereld.
“Voor de Nederlandse media was het de volmaakte ramp,” zegt Jo Bardoel,
bijzonder hoogleraar mediabeleid van de Radboud Universiteit en de
Universiteit van Amsterdam, als hij de discussie inleidt. “Een ramp voor
de mensen, maar een zegen voor de media.” De ramp had alles mee: door de
talrijke vermissingen, verhalen en video’s van slachtoffers uit alle
werelddelen was de tsunami misschien de eerste ‘globale’ ramp. Aan alle
nieuwscriteria gemeten past de zeebeving uitstekend in de journalistieke
canon. Het feit dat deze viel in een lange, nieuwsluwe periode versterkte
het effect nog verder.
Maar de enorme journalistieke aandacht verklaart nog niet de eveneens
ongeëvenaarde respons en vrijgevigheid van de Nederlandse bevolking.
Bardoel kan er alleen maar over speculeren. De extreme ernst van de ramp,
de aangrijpende televisiebeelden, de timing - de Kerstdagen - de culturele
nabijheid, als gevolg van modern toerisme naar Thailand en oude koloniale
banden met Indonesië en het voormalig Ceylon. De Nederlandse geschiedenis
van de strijd tegen het water, de schuldeloosheid van de slachtoffers en
een grote behoefte in ons land aan het vieren van gemeenschapsgevoel, zo
kort na de moord op Theo van Gogh. Allemaal dingen die rampen in Afrika
vaak missen.
Door de kracht van de hype was de normale afstand tussen journalisten en
hulporganisaties in de media doorbroken – nu was het eens de NOS die de
Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) benaderde. Dat is bijzonder: het komt
regelmatig voor dat SHO bij de media aankloppen voor aandacht voor een
ramp. Vaak vergeefs. Nu zat binnen drie dagen na de ramp de SHO om de
tafel met de leiding van de publieke omroep, RTL-4 en SBS-6. In grote
harmonie maakten ze afspraken, en zo ontstond wat ook wel deze avond
‘campagnejournalistiek’ genoemd wordt: alles is erop gericht om zo snel
mogelijk zoveel mogelijk hulp te organiseren.
Taxichauffeur
Kees Schaepman, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van
Journalisten en eindredacteur van VPRO-radio noemt dergelijke
‘campagnejournalistiek’ gevaarlijk: het zou moeilijk zijn om kritisch te
blijven. Ook op de plek van de ramp schurken journalisten vaak dicht tegen
hulpverleners aan om snel en makkelijk hun weg te kunnen vinden en aan
informatie te komen, omdat ze net zo hulpeloos zijn als de slachtoffers,
maar ook uit gemakszucht. Schaepman: “Wat vroeger de taxichauffeur was, is
tegenwoordig de hulpverlener.” Vaak bevestigen journalisten op deze manier
het beeld waarnaar ze op zoek zijn, en uiteindelijk lijdt dit tot veel van
hetzelfde nieuws. Er was dan ook een groot verschil in berichtgeving te
zien tussen journalisten die ingevlogen werden naar bijvoorbeeld landen
als Thailand en correspondenten die de lokale situatie goed kennen – zoals
Step Vaessen, NOS-correspondent in Indonesië, die deze avond eveneens in
het panel zit en zegt dat ze “zo ver mogelijk afstand hield van
hulpverleners.”
Journalisten worden op hun beurt vaak besprongen door hulpverleners: het
geeft hulporganisaties een goede kans om hun werk aan het Nederlandse
publiek te laten zien en dus donoren te trekken. Toch zet ook Michiel
Hofman van Artsen zonder Grenzen zijn vraagtekens bij een teveel aan
hulpverleners op televisie. “Het gaat erom dat het journaal de
slachtoffers van de ramp laat zien, niet de hulpverleners.” Een goede
journalist laat zou niet voor het karretje spannen, zegt Jo Bardoel.
Kenneth van Toll, regioverantwoordelijke Azië van Free Voice, vindt het
jammer dat journalisten vaak weinig gebruik maken van de expertise en het
netwerk van lokale journalisten. Waarschijnlijk komt dat door gemakzucht
en het feit dat men bij wersterse hulpverleners bevestiging zoekt van het
verhaal dat ze in hun hoofd hebben. Lokale journalisten kunnen
journalisten op andere ideeën brengen. Zo werd in de Nederlandse media het
beeld geschapen dat na de ramp bij de hulpverlening twee partijen waren:
de nationale regering en het leger en de internationale hulpverleners.
Daartussen zat niets, terwijl er juist veel hulp werd gegeven dankzij
lokale initiatieven.
Veel kritiek is er op de televisieactie. Het zou pure human interest zijn,
loos vermaak, zonder journalistieke inhoud. Ron van Huizen van Terre des
Hommes is het daar niet helemaal mee eens. “De actie was slechts een
tussenstation. Dat er gekozen wordt voor een format waarbij emoties ruim
baan kregen vond ik niet verkeerd.” Maar volgens Jo Bardoel was er hier
geen sprake van een format maar ging het gewoon om een slechte uitzending.
De hulporganisaties hebben verzuimd de donerende Nederlanders na afloop
van hun acties te vertellen wat ze met het geld van de donaties hebben
gedaan, merkt Esther Jacobs van de Donateursvereniging op. Dat neemt ze
hen kwalijk, en ze wijst erop dat het zeker nu ook van belang zal zijn dat
de hulporganisaties met en follow-up komen, want het gaat om een enorm
bedrag, 183,6 miljoen euro. Jeanne Roefs, waarnemend voorzitter van de SHO
legt de schuld deels bij de media: het valt haar op dat die vaak niet naar
verantwoording hebben gevraagd. “Wel merk ik dat hulporganisaties nu
actiever met die informatie naar buiten moeten.”
Dat er veel fout gaat bij de besteding van de gelden, is evident: Oxfam
maakte onlangs bekend dat er slechts een vijfde van de bilaterale
ontwikkelingshulp in de wereld op zijn plek terechtkomt en dat 40 procent
van het geld besteed wordt aan te dure goederen die in het land zelf zijn
gekocht. Maar waarom moet een ontwikkelingsorganisatie zelf met deze
cijfers komen? Waarom zoekt de journalistiek dat dan niet beter uit?
“Onderzoeksjournalistiek is duur,” zegt Kees Schaepman van de NVJ, maar
hij geeft gelijk toe dat dat geen excuus is. Toch is iedereen het over
eens dat de journalistiek de vinger aan de pols houden de komende twee
jaar als het ingezamelde bedrag besteed zal worden, maar ook in de tijd
daarna. “Natuurlijk moeten we onderzoeken wat er met al dat geld gebeurt,”
zegt correspondente Step Vaessen. Maar een makkelijke taak is dat niet,
ook niet voor correspondenten. “Hulporganisatie zijn nu al minder open en
Atjeh is nu al minder sexy.”
Museum
Jan Bouke Wijbrandi van de Novib is blij dat er een eind is gekomen
aan het monsterverbond tussen de media en hulporganisaties. “We zaten echt
dicht bij elkaar. Van de journalistiek mag je verwachten dat ze de handen
in eigen boezem steken. Van ons mag je kwaliteit verwachten. Wij hebben
ons niet goed verantwoord. De donateusvereniging controleert ons, en dat
is volstrekt correct. De hele sector moet worden uitgedaagd op bereikte
kwaliteit van resultaten.”
Jo Bardoel verwijst in zijn slotbeschouwing vooral op de rol van de media.
Er was een enorme golf van solidariteit en even was de Derde Wereld sexy
gemaakt, dankzij de ramp in Azië. Hij hoopt dat voor de Derde Wereld niet
hetzelfde zal gelden als voor een museum: dat mensen alleen maar afkomen
op speciale exposities, maar dat niemand meer geďnteresseerd is in de
vaste collectie.
Brigitte Ars
|