|
Over ons Actuele databases van relevante personen en
organisaties
Home
Over ons
Contact
Agenda
Beurzen
Bemiddeling
Journalistiek
onderzoek
Stimulering
Publicaties
Een site van

Dick Scherpenzeel Stichting


Internationale samenwerking

Webmaster: Lotte van Doorn
|
Verslag van:
De journalistiek heeft opnieuw gefaald in Darfur,
hoe moet het verder?
Salon
woensdag 10 november 2004, 14.30 – 16.30 uur, De Rode Hoed te Amsterdam
Inleiding
In de tweede salon die Villa de Wereld in samenwerking met De Rode Hoed
organiseert, wordt de vraag gesteld ‘Hoe het is gesteld met de Nederlandse
journalistiek in Darfur?’ Dit gebeurt aan de hand van een presentatie van
foto’s van de persfotograaf Pep Bonet, een inleiding van de journalist
Koert Lindijer (15 jaar in Afrika, standplaats nu: Nairobi) en een gesprek
met Soedandeskundige Mohammed Abd al-Hamid, oud journalist en nu verbonden
aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.
De middag wordt gepresenteerd door Willem Offenberg, oud correspondent van
de NRC, nu hoofdredacteur van Wordt Vervolgd (Amnesty International).
Voordat de discussie begint, heet Marc Broere (bestuurslid Dick
Scherpenzeel Stichting en freelance journalist) de bijna vijftig
deelnemers van harte welkom namens VILLA de Wereld, een samenwerking van
de Dick Scherpenzeel Stichting met FREE VOICE.
Hij attendeert op de reader die is gemaakt over het onderwerp en op de
aanwezigheid van Elvis Iruh, eindredacteur van The Voice, een glossy
magazine voor Afrikanen in Nederland (gratis exemplaren bij de
inschrijftafel) en organisator van de African Media Training conferentie
die hij van 3 – 5 december organiseert in het Kontakt der Kontinenten te
Soesterberg (informatie:
info@thevoice.nl )
Presentatie Pep Bonet: Bonet is
geboren op Mallorca (Spanje) en sinds vijf jaar woonachtig in Nederland.
Zijn werk wordt gepubliceerd in o.a. Trouw en Vrij Nederland en door
Artsen zonder Grenzen. Hij heeft eerder de Zilveren Camera gewonnen en
ontvangt op 2 december 2004 de fotopersprijs 2003 van de Dick
Scherpenzeelstichting voor zijn reportage over Aids in Ethiopië.
Hij is drie weken geleden teruggekeerd uit Darfur waar hij tien dagen is
geweest om de gevolgen van de oorlog voor de bewoners in beeld te brengen
voor o.a. de organisatie Médicins Sans Frontières/Artsen Zonder Grenzen.
Bonet geeft een Powerpointpresentatie van zijn foto’s zonder verder
commentaar. De foto’s spreken voor zich.
Bonet heeft zelf voorkeur voor zwart-wit foto’s omdat deze grafischer en
esthetischer zijn. Zijn motivatie om naar Soedan te gaan was vooral om
goede foto’s te maken. Hij heeft niet van te voren een plan of verhaal dat
hij wil gaan vertellen en laat zich leiden door de fotomogelijkheden die
er zijn. Eerst komen de foto’s, dan pas het verhaal. Bonet leest zich van
te voren ook niet in op het onderwerp en kijkt ook niet naar werk van
andere fotografen die al op de plek van bestemming zijn geweest. Op de
vraag of de mensen het altijd goed vonden dat hij hen in miserabele
omstandigheden fotografeerde, antwoordt Bonet: “Ja, nooit heeft iemand
bezwaar gemaakt. Ze willen dat de wereld weet wat er aan de hand is.”
Interview met Mohammed Abd al-Hamid
Als reactie op de foto’s zegt Abd al-Hamid dat het goed is voor
journalisten en zeker persfotografen om zonder vooroordelen naar Soedan en
Darfur te gaan.
Hij legt uit dat de strijd daar al langer gaande is dan 2003/2004. De
strijd wortelt in een langduriger conflict tussen boeren en nomaden.
Darfur is met name in de 18e en 19e eeuw het centrum geweest van
slavenhandel en van doorvoer van slaven. In vergelijking met de oorlog in
Tsjaad, die een politieke strijd om de macht was, is de oorlog in Darfur
een etnische zuivering tussen Darfurianen, waarbij de tragedie een zo
grote omvang heeft bereikt dat de levensvoorwaarden voor veel bewoners is
vernield.
Hij is het eens met de stelling dat de media te laat waren. Ook de
Soedanese media (die onder controle van de machthebbers staan) besteedde
er pas na de massamoord in jan/februari 2003 aandacht aan. Redenen
daarvoor:
• Darfur is ver weg en moeilijk toegankelijk.
• De regering werkt niet mee, journalisten krijgen geen toegang. Ook via
Tsjaad was er geen toegang voor journalisten mogelijk.
• De hele burgeroorlog in Soedan die al 20 jaar duurt, heeft nooit
voldoende journalistieke aandacht gekregen, het is niet begonnen met
Darfur.
• De media waren het laatste jaar vooral gefocust op Irak.
• De Soedanese regering werkte samen met anti-terrorisme politiek van de
Verenigde Staten, daarom wilde de Amerikaanse pers niet te kritisch zijn
naar de regering.
Inleiding Koert Lindijer:
Is het niet helemaal eens met de stelling dat de journalistiek te laat
was. Er is wel vooruitgang in de journalistiek in /over Afrika te melden.
In de jaren ’70-’80 kwam het voor dat er in Zaïre duizenden mensen op de
vlucht waren en dat niemand de oorzaken wist. Vergeleken met vroeger is er
een veel betere kwantiteit in de berichtgeving.
Wat betreft de geschiedenis van Soedan:
-Eind jaren ’80 - begin jaren ’90 is het regime begonnen om de zwarte
bevolking van de Nuba bergen hun cultuur te beroven. Door brainwashen en
gedwongen islamisering wisten ze niet meer bij wie ze hoorden. Het ging
gepaard met uitmoorden van de bevolking. Er werd niet over geschreven. Het
was een vergeten oorlog.
-Eind jaren ’90 werden mensen in W-Upper Nile regio verdreven en werden
dorpen platgebrand. Dat had alles te maken met het feit dat daar olie werd
gevonden. Het probleem daar was simpel, de streek iets toegankelijker en
er was ook iets meer berichtgeving over.
-Nu is er het conflict in Darfur. Dat verschilt in omvang van de vorige
twee. Er zijn op grote schaal dorpen verbrand en mensen verdreven. De
machthebbers in Khartoem denken racistisch en vinden dat hun cultuur in
heel Soedan moet gelden. Het is een falende, zwakke dictatuur. Zij
proberen de periferie te beheersen door op primitieve wijzen oorlog te
voeren. Zij hebben met hun ‘ideologie’ een sfeer geschapen van rancune,
die brute oorlog aanvaardbaar maakt. Het is geen simpel stammenconflict
waarbij om de macht wordt gestreden. Darfur ligt in het noorden van
Zuid-Soedan. Bij het conflict in Zuid-Soedan ging het om verschillen in
religie en om ‘naaktlopers’ waarop door de machthebbers neer werd gekeken.
In Darfur bombardeert de regering omdat er volgens hen rebellen zitten. De
bevolking is daar mede de dupe van. Het lijkt of het om een arabisering
van Soedan gaat, maar dat is het niet. Naar aanleiding van het conflict in
Darfur is de heersende kliek verdeeld geraakt.
Voor journalisten waren er 1001 redenen om Darfur extra goed in de gaten
te houden. Er is ook relatief veel over geschreven. In de laatste twintig
jaar is er veel meer aandacht voor Darfur dan voor de conflicten in Soedan
daarvoor.
De bewering dat de ‘journalistiek’ te laat was bij de laatste massamoord
kun je verklaren vanuit het feit dat er nauwelijks journalisten in het
gebied zaten. Je kwam er lange tijd ook helemaal niet in. Dat was jammer,
want de feiten van de systematische moorden en de verbranding van de
dorpen waren bekend. Kijk maar naar de satellietfoto’s op de site van
www.USAID.gov. Er was alleen geen ooggetuige. En je moet er zijn om
verhalen te kunnen vertellen. Je moet ‘meeruiken’ om iets te kunnen
vertellen.
Na mei 2004 was er plotseling wel meer belangstelling vanuit het
buitenland. Dat kwam omdat in Irak de interimregering werd benoemd en
Amerika graag de aandacht van Irak af wilde. Ook hebben Bush en Powell het
in hun verkiezingsstrijd gebruikt om de situatie in Darfur als ‘genocide’
aan te duiden om zo goede sier bij de zwarte bevolking in Amerika te
maken. Als de VN dat zou overnemen was de internationale gemeenschap
verplicht in te grijpen.
Journalistieke aandacht nu is ‘te laat en te veel’. Het is een heel
ingewikkeld conflict dat journalisten niet zomaar in een kort artikel
kunnen uitleggen: het is een ecologisch conflict, een politiek conflict
gestuurd vanuit Khartoem, er zijn rebellengroepen en er is relatie met de
situatie in het Zuiden.
Abd al-Hamid bevestigt het beeld dat Soedan een falende staat is.
Alleen Leger en politie zijn enigszins georganiseerd. Verder niets, en dat
in een land dat zestig keer zo groot is als Nederland (Darfur zeven keer)
met meer dan 140 etnische groepen en 300 verschillende talen.
Lindijer: De eerste journalisten die er waren, waren de
journalisten die in Nairobi zitten. Een daarvan is Scott Anderson. Hij
wees op de machteloze knulligheid en de falende dictatuur van de criminele
machthebbers in Khartoem. Nu zitten er van BBC News zeventien reporters.
Toch ontbreekt het hen vaak aan achtergrondkennis. Ik ben daarvoor wel
eens door hen gebeld. Nu zit er een tweede ‘golf’ journalisten die zich
laten meenemen door de hulpbusiness die dit soort conflicten door de
‘hulp-bril’ bekijken en het humanitaire aspect voorop stellen. Daardoor is
er te weinig aandacht voor politieke achtergronden. Mijn visie is dat je
bericht over de brand, niet over de brandweer.
De grote dramatiek is dat er een eeuwenoude relatie tussen
bevolkingsgroepen kapot wordt gemaakt. Er is meer aan de hand dan dat er
nu mensen in nood zijn. Ook om iets op de agenda te houden moet je meer
doen dan alleen over humanitaire aspecten berichten. De crisis is nog maar
net begonnen en zal nog lang doorgaan. De verschillende lagen van het
conflict gaan door, er zullen afsplitsingen van de rebellen komen etc.
Alleen NRC en Trouw zijn in Nederland kranten die boven het gemiddelde
uitsteken. NRC profileert zich met buitenlandnieuws, maar is toch vooral
een krant voor de elite. Voor Trouw lijkt Darfur ook een ‘campagnemiddel’
die het op de agenda heeft gezet om zich als krant te onderscheiden.
Het kost voor kranten natuurlijk ook heel veel geld om er een eigen
correspondent te hebben. Als freelancer zonder backing van b.v. een NGO is
het ook heel duur om daar te verblijven en te reizen (b.v. autohuur is
kostbaar). Je kunt er als journalist alleen naar toe als je zeker weet dat
je stukken worden geplaatst.
DEBAT
De rol van journalisten en hulpverleners bij het bekendmaken van het
verhaal
Offenberg: De humanitaire crisis staat in de berichtgeving steeds
voorop. Krijgen Afrikanen daar geen schoon genoeg van?
Lindijer: Dat eenzijdige beeld doet geen recht aan de waardigheid
van de mensen. En het gevaar is dat als de humanitaire crisis is afgelopen
er geen journalist nog in hen geïnteresseerd is.
Een vraag die nu centraal zou moeten staan, is bijvoorbeeld: Kunnen straks
de nomaden nog met hun vee naar het Zuiden toe om de akkers kaal te
vreten, of niet?
Maar hoe komen de journalisten nog aan goede informatie? Het overschrijven
van internet is ontoereikend en het terugvallen op informatie van
hulpverleningsorganisaties kan steeds minder.
Vroeger waren er groepen als de Human Rights Watch en de International
Crisis Group die onderzoek deden en met eigen rapporten over de situatie
kwamen die waardevol waren voor journalisten. Maar dergelijke organisaties
hebben het journalistieke veld verlaten en begeven zich nu ook in het
politieke veld. In plaats van rapporten geven ze nu ‘statements’ af.
Ook de mensen van de ‘hulpverleningsindustrie’ zijn minder gedreven en
bevlogen dan vroeger. Vroeger waren de medewerkers ook vaak een
informatiebron met kennis van zaken, tegenwoordig zijn het meer
professionele mensen die een baan doen en minder achtergrondkennis van de
lokale situatie hebben. Het enige wat je journalistiek te wachten staat is
om er zelf naar toe te gaan.
Brandy (Novib en SOH): De samenwerkende hulporganisaties kwamen
tegen de zomer bij elkaar met de vraag of het moment al daar was om een
grote actie te beginnen. Vragen die dan beantwoord moeten worden zijn: Is
de ramp erg genoeg? Kunnen wij er wat doen? Is er nieuws genoeg? Is er
genoeg draagvlak in Nederland? Wordt dat draagvlak voldoende gevoed door
de media?
Koene (Artsen zonder Grenzen): Niet alleen de journalistiek, ook de
hulpverlening was te laat. En liet te wensen over. Probleem voor de
hulpverlening was/is dat de veiligheid niet gegarandeerd werd/wordt.
Daarom werd hulp ook uitgesteld. Toch waren de hulpverleners er eerder dan
de journalisten en hebben een duidelijke rol gespeeld in het bekend maken
wat er gebeurt bij zowel het grote publiek als bij de politieke leiders.
Die rol vervullen hulpverleners nog steeds door ‘testimonials’ te
verzamelen, persberichten en rapporten op te stellen en bekendheid te
geven.
Het is vooral de politiek die nu faalt. Het is een politiek probleem dat
vraagt om een politieke oplossing.De problemen nu zijn groter dan 1,5 jaar
geleden. De Nederlandse ministers Bot en Van Ardenne zijn er nog steeds
niet geweest, terwijl ze nu wel lijnen voor Europa moeten uitzetten.
De rol van Afrikaanse journalisten
Elvis Iruh (The Voice) is het eens met de stelling dat er alleen
interesse in Afrika is als er een humanitaire crisis is. Er zou meer
aandacht moeten zijn voor de oorzaken van conflicten.
Offenberg: Waarom proberen Afrikaanse journalisten niet meer
aandacht te krijgen in Europa? Daar is vaak minder persvrijheid om dingen
te schrijven dan hier.
Abd al-Hamid: Er was in Soedan één dagblad dat over de situatie in
Darfur schreef. Dat werd dertien maanden geleden gesloten, de
hoofdredacteur zit in de gevangenis. De dictatuur en de onvrijheid maakt
het onmogelijk om in Soedan over het conflict te schrijven. De
correspondent van de populaire zender Al Jazeera werd ook in de gevangenis
gestopt toen hij een beetje kritisch werd. Het kantoor van Al Jazeera in
Soedan is gesloten.
Offenberg: Vaak worden journalisten in het gevang gezet vanwege
‘uitgesproken meningen’ en minder vaak vanwege feiten. Journalistiek zou
zich meer met de feiten bezig moeten houden. Een manier zou ook kunnen
zijn dat Afrikaanse journalisten zich laten interviewen door Westerse
journalisten om zo hun opvattingen in de krant te krijgen, zonder dat het
onder hun naam gebeurt.
Abd Al Hamid: De feiten worden vaak gemonopoliseerd door de
regering. Ook zijn er te weinig goed getrainde journalisten.
Lindijer: De regering houdt vol dat het uitsluitend een ecologisch
conflict is tussen boeren en nomaden. Nu lopen feiten en fictie door
elkaar heen.
Offenberg: Press Now en FREE VOICE zijn organisaties die zich
bezighouden met het ondersteunen en scholen van journalisten in andere
culturen.
Offenberg: Waarom maakt Onze Wereld niet meer gebruik van
Afrikaanse journalisten?
Verhoeven: We zijn een blad voor het Nederlandse publiek met een
specifieke ‘mindset’. Afrikaanse journalisten schrijven met een andere
bril op die minder goed aansluiten bij de ‘feel’ van de lezers. Wij hebben
vaak andere soort vragen. Ook de vakmatige kant is belangrijk: In andere
culturen ligt het omgaan met feiten/meningen/interpretaties soms anders
dan bij ons.
Abd Al Hamid is het daar niet mee eens. Er zijn verschillende
journalistieke ‘culturen’, maar het blijft dezelfde professie. Afrikaanse
journalisten zouden hetzelfde kunnen doen als Westerse journalisten als ze
maar goed opgeleid waren. Daarbij blijft wel dat Afrikaanse journalisten
die voor Afrikaanse achterban schrijven niet hetzelfde hoeven te schrijven
als Westerse journalisten die voor Westerse achterban schrijven.
Elvis Iruh: Afrikaanse journalisten in Nederland krijgen te weinig
kansen. We hebben hetzelfde belang.
Tarawally (FREE VOICE): Ziet ook geen groot verschil tussen
Afrikaanse en Westerse journalisten. Maar vraagt zich wel af waarom er in
het Westen zo een eenzijdige belangstelling is voor het humanitaire
verhaal.
Mensenrechten / humanitaire benadering
Lindijer: In Afrika is er veel veranderd. Mensenrechten schenden in
Kenia mag bijvoorbeeld niet meer. In sommige gevallen ben ik het eens met
de politiek van het Westen om alleen maar geld te geven als er een goed
bestuur zit. Wat dat betreft kun je vraagtekens zetten bij de steun die
Van Ardenne geeft. In Soedan zit nu het meest criminele regime van het
continent. Het verbaast me dat Amerikanen ermee samenwerken.
Offenberg: Waarom duurde het zo lang voor we doorhadden dat de
mensenrechten zo geschonden werden, dat het probleem zo groot was?
Lindijer: Tot 1980 waren er goede ‘civilorganisations’ in Soedan op
het gebied van mensenrechten, vakbonden etc. Maar de eerster maatregel van
de nieuwe regering was toen om deze organisaties allemaal te ontbinden.
Verhoeven (Onze Wereld): Het beleid van Van Ardenne en het beleid
ten opzichte van Afrika moet kritisch gevolgd worden. Maar dat is lastig
voor journalisten die (mede) betaald worden door overheid of semi-overheid
die geld van Van Ardenne ontvangen.
Van Os (St. Vluchteling): Als je de journalistieke aandacht voor
Darfur vergelijkt met de eerdere ‘vergeten’ conflicten is er misschien
veel aandacht. Maar als je het vergelijkt met de aandacht voor
bijvoorbeeld Irak, is er maar weinig aandacht.
En wat is er toch mis met de nadruk op humanitaire benadering van het
nieuws waarbij de mensen in beeld worden gebracht? Mensen in Nederland
willen weten of hulpverlening in staat is mensen te redden.
Lindijer: Er is teveel vanuit humanitair oogpunt over het conflict
geschreven. Natuurlijk moet je ook over de gevolgen schrijven. Maar de
oorzaken komen nu te weinig aan bod. Zo wordt het probleem van de
onveiligheid onderbelicht, en de dynamiek van het conflict. Hoe gaat het
nu verder? De traditionele symbiose tussen de bevolkingsgroepen is weg.
Grote groepen van de sedidentaire bevolking is verdreven. Mogen ze terug
of niet? Dat vind ik nu belangrijker dan de vraag of er 70 of 80 duizend
mensen zijn omgekomen.
Er is te weinig degelijke informatie vanuit Darfur/Soedan/Afrika. In
hoeverre wordt de agenda gestuurd door het buitenland? Hoe zit het met de
steun van de Arabische wereld? Van de Aziatische wereld? De voorstelling
dat het een conflict zou zijn tussen Arabieren en Afrikanen is niet juist.
Het blijft tactiek van de regering in Khartoem om het land in wanhoop te
willen beheersen door de periferie te onderdrukken.
Een van de lessen die we als journalisten kunnen trekken is dat we wat
moeten doen aan de eenzijdige humanitaire blik. Daarmee nemen we de
Afrikanen niet serieus.
Broere (journalist): Mijn ervaring is dat het redelijk gemakkelijk
is om ‘andere’ verhalen over Afrika te slijten dan alleen kommer-en-kwel
verhalen. Als ik aankom met een verhaal over sport in Afrika is men blij
dat het een keer over wat anders gaat.
Offenberg sluit af, bedankt de aanwezigen en nodigt iedereen uit voor een
borrel.
Tekst: Aik Meeuse (FREE VOICE)
Suggesties gevraagd
Als dit verslag u inspireert voor vervolgbijeenkomsten, hoort Villa de
Wereld graag suggesties voor nieuwe onderwerpen en sprekers. Ook mensen
die actief willen meedenken bij de voorbereiding van nieuwe bijeenkomsten
zijn welkom.
Suggesties en informatie naar Villa de Wereld:
Lucré Schoorlemmer, info@scherpenzeel.org
Tel.: 035 – 6230536 (ma, di en do)
|