Personalia

In Memoriam RSS feed voor Villamedia: personalia

Gerard van Westerloo (1943-2012)

maandag 7 mei 2012

De vaststelling dat iemands dood het einde van een tijdperk markeert, mag dan een cliché zijn, in het geval van Gerard van Westerloo (69) is het een understatement.

Voor de ‘grand reportage’, zijn specialisme, viel het laatste podium weg toen NRC Handelsblad stopte met het maandelijkse magazine M, waarin de echo doorklonk van de journalistieke traditie die Vrij Nederland met de ‘kleurenbijlage’ had ingezet. Tegenover het argument van sceptici dat de drukbezette lezer in het twitter-tijdperk hunkert naar compacte informatie staat de onvergankelijke status die het beste uit Van Westerloo’s omvangrijke oeuvre verwierf.

Zo beschreef hij dertig, veertig jaar geleden (vaak samen met Elma Verhey) met sociologische precisie aspecten van het moderne leven, zoals de Spaanse ‘jongerenreizen’ van Club Escolette, de vlucht in de stacaravan, het verval van de Haagse Smitstraat, de IJ-pont van kwart over zeven of het wonen in Tilburg-Noord: ‘Aan de voorkant van de flat is een speelweide gedacht, wat ook blijkt uit het woord ‘’Speelweide’’. De doodlopende straat aan de achterkant bevat een parkeerplaats voor auto’s. Struikgewas en een manshoog hek verhinderen dat die rechtstreeks de belendende vierbaansweg opschieten.’ Zijn laatste lijvige ‘grand reportage’ stond zes jaar geleden onder de kop ‘De Kippenmoord’ in M en ging over het korte leven van drie jonge kuikens.

Als klassieke generalist liet Gerard geen genre onbeproefd: hij schreef columns en één novelle (‘De zaak M’, 2004), maakte persoonlijke interviews met bij voorkeur onbekende mensen over uitzonderlijke ervaringen, deed verslag van een vijf maanden durende voettocht door Nederland buiten de Randstad, boekstaafde in ‘Prinsendrama’ (2002) de opkomst van Fortuyn (en de ondergang van Melkert), doceerde journalistiek aan de Erasmus universiteit, was kortstondig hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer en keerde in 2004 tijdelijk terug naar Vrij Nederland waar hij als interim een reorganisatie uitvoerde.

Dat het onder zijn kortstondige bewind prettig werken was, had onmiskenbaar te maken met de vele achterliggende jaren die hij met ons bij het beste weekblad van de Benelux deelde. Zijn journalistieke credo was volstrekt duidelijk. Een goed stuk kan overal over gaan, mits geschreven vanuit brandende nieuwsgierigheid, er waarheden over de samenleving in worden onthuld en het met vaardige pen aan het papier wordt toevertrouwd.

Rudie Kagie, redacteur Vrij Nederland

permalink

Ageeth Scherphuis (1933 - 2012)

woensdag 18 april 2012

Op 16 april overleed Ageeth Scherphuis, een vrouw om verliefd op te blijven. In vele media is zij herdacht, als omroepster, als redacteur van Vrij Nederland, als programmamaker en als feministe. Zij deed het allemaal, en zij deed ze goed – zelf was zij de enige die daaraan bleef twijfelen. Kort voor haar dood zaten wij samen in een restaurant. De vrouw aan het tafeltje naast ons keek in haar richting, aarzelde, stond toen op en liep naar ons toe. ‘Bent u Ageeth Scherphuis? Ik wil alleen zeggen hoe ik u bewonder en hoeveel u voor mij betekent.’ Ik heb Ageeth zelden zo zien stralen. Een week later hoorde zij dat ze ongeneeslijk ziek was.

Ageeth had geen makkelijk leven. Zij verloor haar eerste man, haar zoon, en jaren later Joop van Tijn, haar grote liefde. Maar de littekens die dat naliet tekenden haar niet. Bitterheid heb ik nooit bij haar bespeurd, verdriet liet zij zelden aan buitenstaanders zien.
Zij was vaak bekaf als we samen op de redactie van Vrij Nederland tot diep in de nacht aan een stuk werkten. Ik had al lang naar huis gewild, maar Ageeth ging door, zodat ik ook niet met goed fatsoen durfde vertrekken. Iedere komma kostte haar pijn, ieder woord moest gewogen worden. Tot alles op zijn plaats viel.

We begonnen beiden bij De Typhoon, dagblad voor de Zaanstreek – een krant die uit het verzet ontstond maar helaas na de oorlog alsnog sneuvelde. De oorlog, en vooral het verzet, fascineerde haar. Zij schreef daar veel over, ondermeer (met Anita van Ommeren) een liefdevol boekje over Gerrit Jan van der Veen , een van de plegers van de aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister.
Bij Vrij Nederland kruisten onze wegen zich opnieuw. Mijn moeder verafschuwde mijn keus voor dat linkse blad van ‘die gifkikker’ Rinus Ferdinandusse. Maar het feit dat Ageeth daar ook werkte, maakte veel goed. Dat was toch een keurig meisje. Ik heb Ageeth vaak geplaagd met een jeugdzonde, haar boekje ‘Behoorlijk en Bekoorlijk’. Maar die sullige titel typeert haar wel. Bij de redactie – destijds vooral baarden en
spijkerbroeken - duurde het lang voor bij iedereen het besef doorbrak dat achter die beschaafde en gesoigneerde verschijning een getalenteerd journalist schuilging.

Kees Schaepman
Foto: Bert Nienhuis

permalink

Ger Mok (1937-2012)

maandag 16 april 2012

Zoals het gaat met kleurrijke redacteuren die al vijftien jaar geleden zijn vertrokken, leefde Ger Mok, zo heette G.Ph. Mok op de redactie van Elsevier, vooral voort in een eindeloze reeks anekdotes. Hoe hij altijd maar praatte als hij niet razendsnel een stuk aan het tikken was. Hij kon je charmant van je werk houden. ‘Als Mok per gesproken woord zou zijn betaald, was de firma jaarlijks een paar miljoen aan hem kwijt geweest’, zei René de Bok, destijds zijn collega op de buitenlandredactie, eens over hem.

Vanaf 1969 was Mok drie decennia een gedreven en onvermoeibare redacteur buitenland, met het Midden-Oosten als zijn grote specialisme. G. Philip Mok, zoals hij zijn stukken ondertekende, was aanhanger van de antithese; voor hem een methode om in gesprek te raken. Die adembenemende tegenspraak combineerde hij met een grote belezenheid, snel werken en ongeëvenaarde feitenkennis.

Hij was bijna zeventien jaar lang chef van de buitenlandredactie van Elsevier en interviewde ‘de groten der aarde’ uit zijn tijd, zoals Henry Kissinger, Henrik Verwoerd, Simon Peres en Golda Meir (‘De kleine grote der aarde’ heette het boek dat hij samen met Ori Hofmekler maakte). Negenendertig jaar lang schreef hij ook een column voor het Nieuw Israëlietisch Weekblad. En van 1989 tot 1990 was hij gouverneur van de Rotary.

Mok werd op 5 mei 1937 geboren in Amsterdam. Zijn hele familie woonde in de Transvaalbuurt, waar zijn ouders een groente- en fruitwinkel hadden. Als jongetje kon hij geen vijf minuten op straat lopen of hij kwam een familielid tegen. In de oorlog zijn ze allemaal vermoord in Auswich. Doordat hij zelf ondergedoken zat bij een communistisch gezin in Hoorn, overleefde hij de oorlog; als wees.

Natuurlijk heeft dit hem getekend. Je zag het niet aan Mok, maar volgens zijn vriend Hans Knoop verkeerde hij in een permanente vorm van rouw. Hij heeft het verlies van zijn omvangrijke misjpoge nooit kunnen bevatten.

Gelukkig heeft hij zelf een gezin kunnen vormen. Vanaf 1966 altijd getrouwd gebleven met dezelfde vrouw (Rita), met wie hij een dochter kreeg (Marlous), die hem een kleindochter schonk (Fleur). Een familie.

Gerry Mok is 9 april op 74-jarige leeftijd na een slopende ziekte overleden. In Amsterdam.

Arendo Joustra,Hoofdredacteur Elsevier

permalink

Rob Soetenhorst (1933-2012)

woensdag 28 maart 2012

‘We hebben het niet gered. Vermoedelijk was de prijs ook te hoog.’

Een van de laatste keren dat Rob Soetenhorst en ik met elkaar spraken, ging het - kon het anders? - over de Haagsche Courant. Na lange jaren van geleidelijke afbrokkeling was van die krant, het eens zo trotse vlaggenschip van Sijthoff Pers, niet veel meer overgebleven dan een insteeksel bij het AD.

Eerst Rob, later ik, hebben tussen 1985 en 2001 van alles gegaan om die ondergang te keren. Dat het uiteindelijk niet gelukt is, is iets dat blijft steken. Dat zeker ook Rob stak, krantenman als hij was. Voor hem was de teloorgang van de Haagsche Courant niets minder dan de ondergang van een vorm van journalistiek die in de tweede helft van de twintigste eeuw, zijn tijd, heerste als ‘koningin der aarde’: de schrijvende, analyserende en opiniërende journalistiek.

Rob Soetenhorst paste wonderwel in de tijd dat de krant een mijnheer was.

Opgegroeid in Den Haag - als buurjongen van Han Voskuil, zoon van de legendarische hoofdredacteur van Het (Vrije) Volk - studeerde Soetenhorst in Leiden: geschiedenis. Het vormde hem voor het leven. Ook toen hij via de Wereldomroep en de GPD in de dagbladwereld terecht kwam, was hij steeds op zoek naar de grote lijn. Hij wilde begrijpen hoe het zo gekomen was.

Als journalist had Soetenhorst iets erudiets. Van afstand beschouwde hij graag, wik en woog hij zorgvuldig, vanuit een liberale openheid, steeds op zoek naar historische verklaringen, parallellen en andere verbanden.

Het nieuws, door journalisten vaak met een hoofdletter geschreven, beschouwde hij op afstand. ‘Waar openen we vandaag mee?’ Bij het Leidsch Dagblad en later de Haagsche Courant hebben eindredacties het hun hoofdredacteur dikwijls horen vragen.

Soetenhorst was mild.

In zijn ‘hoofdartikelen’ - de Haagsche Courant had een rijke traditie - overheerste steeds nuance, welwillendheid en vooral ook ‘empathie’, zoals hij het zelf noemde. Hij was niet een journalist die met een scherp geslepen pennetje klaar stond. Die mildheid, soms versleten voor schuwheid, typeerde hem ook als hoofdredacteur. Van conflicten hield hij niet, van discussies des te meer.

Daarom heeft hij als adjunct op de achtergrond zo’n belangrijke rol kunnen spelen bij de ‘echte’ fusie van de NRC en het Algemeen Handelsblad in de jaren ’70, als beminnelijk makelaar tussen ‘Rotterdam’ en ‘Amsterdam’. Te hebben meegebouwd aan zo’n kwaliteitskrant, was z’n ‘finest hour’.

Met spijt sloeg Rob de ondergang van die vorm van journalistiek gade. Wetend dat die tijd voorbij was: ‘Die Haagsche Courant van ons was niet meer redden.’

Jan Schinkelshoek, hoofdredacteur Haagsche Courant (1994-2001)

permalink

Jan Warners (1953 – 2012)

vrijdag 23 maart 2012

Wijkend blond haar, gulle lach, vlotte babbel met onmiskenbaar Zeeuws accent, en veel, heel veel branie: zo staat journalist Jan Warners bekend bij oudere generaties Binnenhofbewoners. Na kortere periodes op Buitenland, Economie en Feature beleefde Jan er van midden jaren ’80 tot 1994 als chef van de politieke redactie van het Algemeen Dagblad zijn glorietijd.

Met steun van toenmalig hoofdredacteur Ron Abram voerde hij een grondige verjonging van de redactie door, waarna de inmiddels toonaangevende AD-equipe een aantal jaren grossierde in primeurs en degelijke parlementaire verslaggeving.

’s Zomers verdween Jan, voor de door hem opgezette en tot AD-kroonjuweel uitgegroeide Haringtest, maar in september was hij weer daar, ‘bagger!’ roepend over de door zijn manschappen samengestelde Prinsjesdagbijlage, die hij letter voor letter naliep. Of zoals toenmalig collega Bert van Dommelen dat uitdrukte: ,,Geen komma gaat hier ongeneukt voorbij.”

Veel Binnenhofbewoners kenden vooral Jan’s lossere kant: een lunch met honderd jaar oude cognac, of een rel met Kamervoorzitter Deetman, nadat Jan in Kazachstan het vliegtuig aan de grond hield tot de fractieleiders met wie hij op stap was hun deel van de drankrekening van de vorige avond hadden terugbetaald.

Deetman trok met veel moeite een royement in en leverde later, met evenveel moeite, een bijdrage aan de afscheidskrant van Jan, die intussen sociëteit De Witte nog op stelten had gezet. De trui waarin hij het AD-commentaaroverleg wilde bijwonen had meer gekost, klonk het met misbaar, dan de flodderpakken van de sociëteitsbewoners.

Terug in Rotterdam ging het niet meer goed tussen Jan en het AD. Na een kort intermezzo als hoofdredacteur van Nieuwsblad Transport, werkte hij een kleine acht jaar als chef eindredactie bij Oogst. Kort daarna vertrok hij met levenspartner Mischa van der Plas, één jaar vóór hem overleden, naar Frankrijk. Daar, dichter bij de druiven dan ooit, wilde hij ook blijven.

Frans Boogaard
Foto: AD

permalink

Leo Oomens (1943 – 2012)

woensdag 7 maart 2012

Toen we op 1 maart in Amsterdam met velen afscheid namen van Leo Oomens, werd gememoreerd dat hij vooral eigenwijs, eigengereid, belezen en erudiet was geweest. Leo, in Amsterdam neerlandicus geworden en enige jaren als leraar Nederlands in zijn bagage, kwam in 1984 bij de kunstredactie van het Algemeen Dagblad in Rotterdam. Eerst als freelancer, maar al snel in vaste dient, als toneelredacteur.

Wij schreven allen als ‘byline’ bij onze stukken onze voor- en achternaam, en dat deden we al jaren. Leo was eigengereid en deed dat dus niet. Boven of onder zijn bijdragen stond: door L. Oomens. El Punt Oomens werd aan het bureau al snel de vraag: ‘Weet iemand waar Loomens uithangt?’

Als hij op de redactie aan de Westblaak en later de Marten Meesweg verscheen, was Leo, harde stem, onmiddellijk zeer nadrukkelijk aanwezig. Met zijn eigen artikelen, meestal snel geschreven, met opmerkingen over tekst van collega’s die nog wel enige redactie behoefde, op redactievergaderingen, aan de tafels van layout en eindredactie. Deze Amsterdammer was discussie en dispuut, soms moeilijk van een tegendeel te overtuigen, maar bleef steeds betrokken bij alle stadia van het journalistieke proces.

Leo was ook het type kunstredacteur zoals dat wel uit de jaren ‘50 van de vorige eeuw werd overgeleverd: monomane mannen die bijdroegen aan hun eigen mythevorming. Zo gaat het verhaal dat hij voor een première van de toneelgroep Theater met de portier van de artiesteningang van de duistere, want gesloten schouwburg in Arnhem in discussie ging omdat hij vond dat de voorstelling in Arnhem móest zijn, waar de betreffende man hem ervan trachtte te overtuigen dat hij voor die première toch echt in de schouwburg van Nijmegen werd verwacht.

Nog iets dat bijdroeg aan zijn status van excentriek: Leo en lease auto’s. Hij reed binnen geen tijd vier auto’s aan gort, omdat hij altijd haast had en, eerlijk is eerlijk, zelden op tijd vertrok. Hoofdredacteur Ron Abram spijkerde hem vervolgens voor de rest van het jaar aan het bureau.

Of hij nu over toneel schreef, of over boeken, literatuur en non-fictie, en later over beeldende kunst en tentoonstellingen, Leo was steeds oorspronkelijk in zijn oordeel en zijn woordkeuze. Hij had veel gezien, veel gelezen en veel gehoord en dat las je terug in zijn beschouwingen, interviews en recensies. Nieuws? Nee, daar was Leo Oomens, in zijn vrije tijd ervaren schaker, niet zo van.

Vaak had hij als auteur iets van de leraar die zijn lezers enthousiast wilde maken voor iets dat ze konden gaan zien, lezen of horen en er dan een beetje wijzer van worden. Kunstredacteuren van zijn slag bestaan bijna niet meer.

Menno Schenke, oud-chef kunstredactie Algemeen Dagblad

permalink

Jan Carmiggelt (1943 - 2012)

dinsdag 6 maart 2012

Ik leerde hem in 1975 kennen in Athenaeum Boekhandel waar ik werkte als boekverkoper. Hij presenteerde toen radioprogramma’s bij Stad Radio Amsterdam, stadsomroep en voorloper van RTV Noord-Holland.

‘Ben jij die jongen die het shirtje van Johnny Rep in de etalage heeft opgehangen?’, was zijn vraag. Ik leerde Jan kennen als een groot sportkenner, vooral van voetbal en wielrennen. Maar ook over snooker kon hij prachtige verhalen vertellen. Daarnaast bezat hij een grote liefde voor de film – Bertolucci’s Novocento was zijn favoriet – en ook de literatuur behoorde tot zijn favorieten. Maar er was één grote, echte grote schrijversliefde, en dat was Theo Thijssen! Vooral ‘Kees de Jongen’, de grote roman van Thijssen, daar kon Jan elke keer opnieuw van genieten en altijd als hij de scene voorlas waarin Kees en z’n vader hun laatste gesprek hadden, brachten tranen in z’n ogen. Misschien had het te maken met de dood van zijn echte vader, Jan S. Carmiggelt, in 1943 in kamp Vught, drie maanden voor zijn geboorte.

Zijn oom, Simon Carmiggelt, werd door Jan jr. als schrijver zeer bewonderd. Hij citeerde moeiteloos tientallen ‘Kronkels’ die oom Simon schreef voor Het Parool. Ook zijn stiefvader, Wim Jungmann (door Jan altijd zijn vader genoemd.), schreef voor die krant.

Jan begon met schrijven voor Het Vrije Volk. In 1975 ging hij werken bij Stad Radio Amsterdam en daar kwamen zijn organisatievermogen en z’n prachtige sonore stem samen. Later bij RTV Noord-Holland werd hij presentator, programmaleider en eindredacteur en inspireerde hij vele aankomende journalisten en presentatoren. Ikzelf heb van zijn kennis in ruime mate mogen profiteren.

De vut kwam in 2003 en hij werd directeur van het Theo Thijssen Museum, schreef samen met zijn halfbroer en journalist Bart Jungmann een mooi boekje over hun ouders en speelde een kleine rol (de boekhandelaar) in de verfilming van Kees de Jongen.

De laatste weken stond zijn bed in de woonkamer en keek hij de hele dag sport. Toen FC Utrecht een paar weken geleden een derde doelpunt scoorde tegen Ajax sms’te hij mij: ‘Zal ik dan nu maar dood gaan?’ Ik: ‘Nee, wacht nog even, volgende week verschijnt Kees de Jongen als beeldroman door Dick Matena.’ Jan: ‘Die kan het wel alleen!’

Die humor zal ik missen, dag beste vriend!

Jan Meng

permalink

Jan van Halm  (1947 - 2012)

vrijdag 24 februari 2012

Hij kende als art director vrijwel alle uitgevers van Nederland en zij hem. Jan begon ooit zijn vormgevingscarrière bij de tijdschriften Prinses en Libelle. Snel daarna stootte hij door en werd een veelgevraagde art director.

Er zal niet snel een tweede vormgever gevonden worden, die op zoveel tijdschrifttitels zijn stempel heeft gedrukt. Of het nu om Opzij, J/M, Aktueel,HP/deTijd of Ons Amsterdam ging. Jan was niet alleen een begenadigd restyler, maar ook ‘founding art director’ van o.a. Yes, VARA TV Magazine, Residence en de Sanoma-tuinbladen.

Ik leerde hem in 1973 kennen. Bij Nieuwe Revu, het meest spraakmakende en leukste weekblad in de VNU-geschiedenis. Het blad dat toen de drie S’en (van Sex, Sensatie en Socialisme; in willekeurige volgorde) in het vaandel had staan. En Jan speelde als geniaal vormgever bij de uitvoering een grote rol. Niet vreemd dus dat ik in 1987 Jan vroeg om te helpen bij de ombouw van de VARAGids tot ‘de meest spraakmakende en leukste omroepgids’. Het werd VARA TV Magazine.

Terecht ontving Jan in 2007 de legpenning van het Lucas-Ooms Fonds als ‘markante professional in het tijdschriftenvak’.

Bij het afscheid van Jan kwamen deze trefwoorden voortdurend langs: humor, anti-gezagsgetrouw, drank en groot bladenmaker.

En iedereen was er van overtuigd: Jan werd slechts 64, maar hij heeft wel geleefd.

Hans Wilbrink

permalink

In memoriam Anil Ramdas (1958-2012)

vrijdag 24 februari 2012

Begin juli vorig jaar sprak ik Anil Ramdas, die 16 februari op zijn 54ste verjaardag een einde aan zijn leven maakte, voor het laatst. Voor NRC interviewde ik hem over zijn romandebuut ‘Badal’, waarin de gelijknamige hoofdpersoon zelfmoord pleegt. Ramdas maakte een opgewekte indruk. Hij was blij met het interview waarin hij recensenten zoals ik die zijn roman als autobiografie hadden aangemerkt van het tegendeel wilde overtuigen. Daar slaagde hij niet in.

‘Ik reken het mezelf aan wat er met Nederland is gebeurd, in die zin is “Badal” een bekentenisroman’, zei hij, doelend op het electorale succes van Wilders en het gedoogkabinet met de PVV. ‘Net als Badal ben ik teleurgesteld in mezelf dat ik de overwinning van de “white trash” niet heb weten te voorkomen.

Onze generatie had nog veel gepassioneerder moeten schrijven, nog betere films en tv-programma’s moeten maken toen we nog gevaarlijk waren, toen we er nog toe deden.’

Ik maakte me zorgen over Anil, de gepassioneerde essayist en bevlogen programmamaker en vroeg hem op de man af of de zelfmoord van zijn romanheld hem zelf ook door het hoofd speelde. Hij antwoordde ontkennend. ‘Anders dan Badal houd ik mij behoorlijk staande, ook al ervaar ik de huidige situatie als uiterst onaangenaam. Badal beschouwt de teloorgang van zijn idealen als een persoonlijk falen, zoals hij ook zijn alcoholisme, het mislukken van zijn huwelijk en carrière als een persoonlijk falen ziet. Daarom moet hij ten onder gaan.

Maar ik, Anil, bén er nog, mijn huwelijk heeft nooit op het spel gestaan, ik heb mijn alcoholconsumptie onder controle – dus die elementen in mijn roman zijn niet autobiografisch.’

Achteraf vraag ik me af of we de noodsignalen van zijn literaire alter ego niet nog autobiografischer hadden moeten opvatten, maar het is onmogelijk dat te weten. Zeker is dat we met Anil Ramdas een briljante geest en een warme persoonlijkheid hebben verloren.

Elsbeth Etty

permalink

In memoriam Arie Kuiper (1934-2011)

maandag 14 november 2011

Het mooiste compliment dat ik Arie Kuiper ooit hoorde uitspreken over een artikel van een collega luidde: ‘Stop dat stuk maar in je achterwerk, ik ga het niet lezen.’

We schrijven begin jaren ‘80, de tijd van de kruisrakettendiscussie. Ton Oostveen, redacteur van het weekblad De Tijd en verklaard tegenstander van de stationering van Cruise Missiles in Nederland, schrijft een recensie over een essaybundel waarin ‘haviken’ als J.L. Heldring en Renate Rubinstein bepleiten dat die Amerikaanse wapens er wél komen. Het wordt een vernietigende bespreking van het boek — inclusief de bijdrage daaraan van Arie Kuiper.

Oostveen, een gentleman, vraagt zijn hoofdredacteur of hij de recensie vóór publicatie wil bekijken. Nee dus. ‘Ik lees dat komende week in De Tijd’, lacht Kuiper. ‘En als het me niet bevalt, neem ik jou in een tegenstuk te grazen.

Onze lezers zijn mans genoeg om te beslissen wie gelijk heeft.’

Openheid en nieuwsgierigheid: vintage Arie Kuiper. Zijn weekblad opereerde in dat opzicht gedurfder dan Vrij Nederland en Elseviers Magazine, waar indertijd het dogma gold dat links respectievelijk rechts per definitie gelijk had. ‘Oogkleppenjournalistiek, oordeelde Kuiper. Onderzoek alles en behoud het goede, citeerde hij de bijbel wanneer hij je als beginnend journalist de kans gaf een premier te interviewen of drie weken door China liet reizen.

Kuiper (eerder o.a. verslaggever bij de katholieke krant Het Cen-trum en redacteur bij de voorloper van zijn weekblad, het dagblad De Tijd) verwierf bekendheid met evenwichtige buitenlandcommentaren, ook voor de KRO-radio/tv, die in de ogen van zijn eigen redactie menigmaal veel te pro-Washington waren. Scherpe analyses van de situatie in het Midden-Oosten riepen méér enthousiasme op. Hoe groot Kuipers liefde voor Israël ook was, hij toonde de moed meer en meer over te hellen naar het Palestijnse standpunt.

Lef had Kuiper ook toen hij een coverstory schreef over Hugo Brandt Corstius, op dat moment nog een pilaarheilige voor progressief Nederland. Nadat de VN-columnist voor de zoveelste keer iemand op de brandstapel had gezet (Buikhuisen, Ruding, enzovoorts), maakte Kuiper een profiel waarvoor hij een coverkreet koos die weinig ruimte liet voor misverstanden: ‘De gek Piet Grijs’. De hoon van de grachtengordel liet hem stoïcijns.

Drie maanden geleden sprak ik hem voor het laatst, in een trein. Kuiper had een zware ziekte overwonnen. Zonder schroom wees hij op zijn onderbuik: ‘Een stoma. Ik ben de dood nog eventjes te snel af geweest.’ We kregen het over een boek waaraan hij werkte, een verzameling persoonlijke beschouwingen over religie. Kuiper was in de loop der jaren gaan zweven in het luchtledige tussen God en de Koningin der Aarde, de pers. Niet toevallig kwam hij tot zijn beste journalistieke prestatie toen hij die twee wist te verenigen in ‘Een wijze ging voorbij’, de monumentale biografie die hij wijdde aan de joodse voorman en schrijver Abel Herzberg.

‘Het is raar’, zei hij terwijl we door het Groene Hart reden, ‘maar je kunt een halve eeuw buitenlandstukken schrijven zonder dat iemand je mist wanneer je stopt. Ik zal niet worden herinnerd als Arie Kuiper de commentator, maar als Arie Kuiper “de eminente biograaf”.’

Zijn schaterlach vulde de wagon.

Frénk van der Linden

permalink

In memoriam Theo Nijenhuis (1948 – 2011)

woensdag 9 november 2011

Een scherp oog voor nieuws en een enorme werklust, gecombineerd met een groot, prettig cynisch gevoel voor humor. Oud-Volkskrantjournalist Theo Nijenhuis (63), die 26 oktober overleed aan de gevolgen van dementie, vond journalistiek ‘het leukste rotvak dat er is’. Rot omdat het je dag en nacht bezig houdt. Leuk omdat je overal je neus in mag steken. Het is werk, zei hij, dat gedaan moet worden. Dat klonk nogal nuchter. Maar, zei hij erbij, ‘als het goed is, doe je dat met hart en ziel’. En dat deed hij, voluit.

Theo werkte onder meer bij het Dagblad Scheepvaart en het ANP. In 1980 werd hij aangenomen op de Rotterdamse redactie van de Volkskrant. Daarna werkte hij op de financiële redactie, vervolgens op de Haagse redactie en daarna weer in Rotterdam.

In 1995, ’96 en ’97 was hij docent aan de Postdoctorale Opleiding, waar hij een grote indruk maakte op zijn studenten en collega’s. Het lag in Theo’s aard om zijn kennis van het ambacht journalistiek over te willen dragen. Van zo’n zestig jonge academici maakte hij, samen collega Rob Soetenhorst, echte vakmensen. Zijn studenten koesteren nog steeds warme herinneringen aan hem.

Theo heeft in de paar jaar voor zijn docentschap goed kunnen oefenen. Op mij. Ik kwam als broekie te werken op de Rotterdamse redactie en Theo, gepokt en gemazeld, nam mij onder zijn hoede. Van hem leerde ik pas echt dat het draait om nieuws, nieuws en nog eens nieuws. En dat haal je binnen door te bellen, te bellen en nog eens te bellen. En niet alleen tussen 9 en 5.

Theo had een klassieke taakopvatting: de journalistiek is er om de macht te controleren. Hij legde meerdere misstanden bloot, en was ook daarin een voorbeeld. Zo werd Theo mijn leermeester, en een paar jaar later dus van tientallen anderen.

Na de PDOJ ging hij werken bij Traject (nu Reizen), en vanaf 2004 bij Opinie, waar hij de brieven deed. Hij trad begin 2005 uit dienst.

Theo is 63 jaar geworden. Hij heeft veel betekend voor de krant, voor zijn collega´s en voor zijn studenten. Ik hoop dat dat een troost is voor zijn vrouw Ria en voor Theo´s dochters Yvonne en Wilke.

Harmen Bockma

Foto: Wim Ruigrok

permalink

In memoriam Menne Merx (1953-2011)

donderdag 27 oktober 2011

Wat haar talrijke vrienden en collega’s vooral zullen missen, zijn haar onverwachte telefoontjes, altijd beginnend met: ‘Hi, met Men.’ Waarna het gesprek alle kanten op kon vliegen: het televisieaanbod van de vorige avond, het oeuvre van Gerard Reve, liefdesperikelen en amourettes van wederzijdse bekenden, en vooral de avonturen van haar dierbare Siamezen. En - toen Menne Merx (58) nog de sterverslaggeefster was van de glossy Cosmopolitan - haar talrijke ontmoetingen met filmsterren van het kaliber Hugh Grant en Johnny Depp, met wie – zoals ik met eigen ogen af en toe kon constateren - ze ongegeneerd kon sjansen. ‘Een dag niet geflirt is een dag niet geleefd’, was een van haar motto’s.

Al die interviews in Amerikaanse viersterrenhotels, waar ze zelf ook zo graag vertoefde, leverden prachtige, persoonlijke en scherpe observaties op in verschillende bladen van VNU en later Sanoma. Menne (haar echte voornaam Mirjam vond ze maar niets) schreef onder meer voor Mix, Margriet, Panorama, Viva, Midi, maar vooral voor de Cosmo, waarin zij ook jarenlang een veelgelezen column had.

In die persoonlijke stukjes was zij in haar element en schreef zij openhartig over haar eigen liefdesleven, vol zelfspot, passie en vaak getuigend van een rijke fantasie. Haar hoofdredacteur Rob van Vuure vroeg haar wel eens plagend of er geen bewijsnummers opgestuurd moeten worden naar de stoet minnaars die zij zo gloedvol beschreef. Dat wist zij altijd handig af te wimpelen.

Met haar zwoele stem was telefoonverslaafde Menne ook op de radio op haar plaats. Maar haar dienstverband bij Talk Radio – met de eveneens debuterende en ambitieuze Beau van Erven Dorens aan haar zijde – was van korte duur.

De laatste jaren ging het niet zo goed met Menne. Haar jarenlange dienstverband met Sanoma eindigde voor de kantonrechter. Haar gezondheid ging hard achteruit en ze verkoos steeds meer een vrijwillig isolement. Vrienden en collega’s kregen haar – ook via de geduldige telefoon – steeds moeilijker te pakken. Voor velen zal het even wennen zijn om dat vertrouwde – ‘Hi, met Men’ – niet meer te horen.

Ab Zagt

permalink

Leo Davidson (1927-2011): every inch a gentleman

vrijdag 15 juli 2011

Zonder dat ik ook maar iets over hem wist, was Leo Davidson al op de middelbare school mijn gedroomde voorbeeld. Begin jaren zestig, ‘s ochtends na het radionieuws van acht uur was er bij de AVRO altijd wel een bijdrage van de correspondent van het Algemeen Dagblad in London. Dat was het toch wel helemaal: vanuit zo’n wereldstad stukken schrijven voor je krant en dan ook nog een beroemde commentator op de radio. Want wie kende het niet, dat vertrouwde bronzen stemgeluid in zijn vaste afkondiging: “Leo Davidson, correspondent van het Algemeen Dagblad…..London”.

Een gedragen stem, die het beeld opriep van een imposante, rijzige gestalte. Maar dat viel behoorlijk tegen toen ik een jaar of vijftien later als jong AD-verslaggever ‘mijn’ collega Leo Davidson voor het eerst in levende lijve ontmoette. Toen hij werd teruggeroepen naar Rotterdam om er toe te treden tot de hoofdredactie. Een frêle, wat bedeesde man, klein van stuk. Beschaafd en onmiskenbaar Engels in zijn hele doen en laten.

Achteraf ook weer zo’n toonbeeld van de klassieke fout op krantenredacties om je beste schrijvers in het management te benoemen en zo hun echte talent om zeep te helpen. Leo was niet zo van de cijfertjes en de budgetten en bovendien veel te aardig om een strenge baas te zijn. Daar hebben wij als verslaggevers ook schaamteloos misbruik van gemaakt, want Leo kon slecht nee zeggen. Dus hoefde je niet zó je best te doen om zijn fiat los te peuteren voor een leuke buitenlandse reportage.

Als het om taal ging was Leo Davidson een kunstenaar en met het bijspijkeren van beginnende, maar ook gevorderde collega’s, heeft hij heel wat journalisten naar een beter niveau gebracht.

Hij was alweer bijna een kwart eeuw met pensioen, toen Leo Davidson 12 juli thuis in Krimpen aan den IJssel op 84-jarige leeftijd overleed. Een vakman van de oude stempel, loyaal aan zijn krant tot in al zijn vezels, veel te aardig en altijd every inch a gentleman.

Willem Ammerlaan
oud-hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad

permalink

In memoriam Bob Spaak (1917 -2011)

maandag 20 juni 2011

De bouwmeester van Studio Sport of, zoals u wilt, Sport in Beeld, werd begraven op een regenachtige donderdagmiddag. Bert, de zoon van Bob Spaak, sprak voor de handvol aanwezigen een geestige rede uit; een woordenspel met een mix van triestheid, luim, woordspelingen, cynisme, verbazing en opvoedkundig geaccepteerde vingerwijzingen.

Alsof je zijn vader hoorde.

Hoe fraai kon de oude Spaak ‘zijn jongens’ niet op hun plaats zetten? Hoe subtiel kon hij hun kennis van de Nederlandse taal niet aanscherpen (‘Volgens mij valt de appel niet ver van de STAM…’)? Hoe tergend sarcastisch zelfs wist hij zijn presentatoren niet duidelijk te maken dat ‘een stropdas gisteravond toch bepaald niet misstaan had’?

Spaak was niet alleen een goed hardloper, maar ook een zeer kundige radiomaker en de beste baas die de NOS zich kon wensen toen het gebouw dat Studio Sport ging heten in de steigers werd gezet.

Hij enthousiasmeerde, bekritiseerde en leerde ‘zijn jongens’ te relativeren en hij leidde de steeds groter wordende sportredactie met zachte, duidelijke, soms dwingende hand.

Bij grote uitzendingen deed hij zelf de eindredactie. Met een potlood schreef hij wat dingen op en zei: ‘Vijf minuten samenvatting voor een dergelijk slechte wedstrijd lijkt me wat veel.’

‘Juichen doe je niet op de perstribune’, zei hij met duidelijk gearticuleerde woorden. Zijn eeuwige gelijk.

Op Olympische bodem voelde hij zich thuis; de idealist in hem zegevierde. In 1972 ging hij zijn manschappen voor in groot nieuws. De NOS had als eerste beelden van de nachtelijke schietpartij.

Hijzelf deed de rustige en ter zake kundige presentatie.

Sommigen noemden zijn televisiewerk ‘ouderwets’ en zelfs ‘geheel gepasseerd’. Voor een hele generatie en meer vormden zijn denkbeelden over sport, over sportjournalistiek en over ‘hoe maken we televisie?’ de basis van hun bestaan.

Hij had het niet op met sponsortenten of VIP-boxen, maar begreep wel dat de wereld veranderde. Lange, te lange uitzendingen vond hij een gruwel, maar hij keek wel. Een dag lang Tour de France deed hij af met: ‘het had misschien wat minder gekund’.

Bob Spaak zette zich af tegen vluchtigheid, tegen afraffelen en tegen populair gedrag en alles dat hij, als prachtig evenwichtig levend sociaal democraat, niet in zijn leefpakket had zitten.

Zijn ‘goedenavond, dames en heren’, werd een watermerk voor krachtige, misschien wel conservatieve, maar o zo herkenbare sport op de Nederlandse televisie.

Hij nam zijn kijkers serieus en leerde ‘zijn jongens’ televisiemanieren zoals hij ze bedacht had. Manieren zijn van alle tijd.

Toen Bert van zijn vader afscheid had genomen, hield de regen boven Loosdrecht ineens op en werd het even magistraal fraai stil.

Mart Smeets

permalink

Jaap Toes 1919-2011

dinsdag 14 juni 2011

Meestal liep hij als een plechtstatig heer over de redactie, onder zichtbare druk. Het wekte dan ook steeds weer verbazing als Jaap Toes ineens liet zien hoeveel humor er onderhuids borrelde. Zelf had hij dan het grootste plezier om zijn kwajongensachtige uitspatting.

Dr. Jaap Toes is op 1 juni op 91-jarige leeftijd overleden. Hij was twintig jaar hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad. Hij liet zijn redacteuren zeer vrij in het botvieren van hun creativiteit; alle uithoeken van de maatschappelijke ontwikkelingen konden worden verkend, als de lezer maar niet werd gekwetst.

Hij stond elke ochtend in de zetterij om te kijken ‘wat ze er nu weer van gebakken hadden’ en om kopij waar nodig te kuisen. Dan moest hij de schrijver gaan uitleggen waarom iets niet kon en hij hield niet van conflicten. Bij zijn afscheid in 1981 gaf hij toe dat conflicten met zijn ‘jongens’ hem soms slapeloze nachten hadden gekost. Zeker bij de zeldzame keren dat hij door de redactie ter verantwoording werd geroepen over zijn besluit een artikel niet te plaatsen. ,,De een is nu eenmaal harder dan de ander”, zei hij.

Na zijn afscheid begon hij een studie rechten. Hij promoveerde in 1992, op ‘Wanklanken rond een wingewest in de nadagen van de Surinaamse slavernij’. Hij kon niet tegen onrecht. Hij begon zijn loopbaan in zijn geboorteplaats Den Helder, werkte in Hoorn en in Alkmaar, maar ook bij Ons Noorden, ooit een Groningse uitgave van het toenmalige katholieke NHD.

Jaap Toes schreef tot het einde toe. De drukproef van een artikel voor de historische vereniging in zijn woonplaats Hoorn heeft hij in het verpleeghuis nog in handen gehad. Zijn artikel verschijnt postuum.

Annette Snaas

permalink

In memoriam Frie Knepflé  (1913-2011)

donderdag 19 mei 2011

Sommige mensen hebben alles mee. Wijsheid en verstand en een uiterlijk dat gezag uitstraalt en respect inboezemt. Oud-hoofdredacteur Frie Knepflé van De Limburger was zo iemand. Hij was, zoals de Engelsen zeggen, every inch a gentleman. Hij maakte een glanzende carrière in de journalistiek en genoot van een lang pensioen. Hij overleed in Cadier en Keer, bij Maastricht, op 98-jarige leeftijd.

Praten met Knepflé was als het bladeren door een geschiedenisboek van de vorige eeuw. Als jong journalist kreeg hij landelijke bekendheid toen het persbureau ANP hem in 1945 vroeg het proces in Neurenberg tegen Hitlers beulen te volgen. Op de perstribune zat hij naast een verslaggever voor een Noorse krant, Willy Brandt genaamd, de latere bondskanselier. Knepflé bleef altijd vriendschappelijke betrekkingen met ‘Der Willy’ onderhouden.

Over Neurenberg schreef hij het boek ‘In Naam der Menschheid’. In de jaren na de oorlog berichtte Knepflé voor het ANP vanuit Straatsburg, Parijs, Berlijn en Bonn over het weer opkrabbelende Europa. Hij was reizend reporter en altijd onderweg. In 1956 keerde hij terug naar Nederland. Knepflé werd hoogste baas van het ANP. Maar omdat de dagbladjournalistiek toch bleef trekken, kwam hij in 1963 naar Maastricht als hoofdredacteur van de toenmalige De Nieuwe Limburger.

Knepflé was nooit de hijgerige nieuws¬jager, hij was altijd de erudiete beschouwer, de wijze uil. Toen hij in 1978 met pensioen ging, werd hij gedecoreerd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. In zijn afscheidsinterview hekelde hij de kippendrift in de journalistiek: ‘Die journalistieke belangstelling voor non-events, voor dingen die geen enkele betekenis hebben.’ Zijn rust, wijsheid en degelijkheid maakten hem tot een geliefd bestuurder. Als jonge gast was hij al voorzitter van de internationale persclub in Bonn. Terug in Nederland regen de functies zich aaneen. Hij was medeoprichter en later erelid van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren.

Ik kwam graag bij hem op bezoek. Als een van zijn opvolgers als correspondent in Bonn was het een genot met hem bij een goed glas wijn te discussiëren over de internationale politiek. Tot op hoge leeftijd bleef hij in vlekkeloos Duits columns schrijven voor Duitse kranten. Een man van wie je bleef leren. Nog net geboren vóór de Eerste Wereldoorlog, belichaamde hij de hele twintigste eeuw.

Gerard Kessels

permalink

In memoriam Joep Lennarts (1958-2011)

donderdag 5 mei 2011

Na ruim zestig dagen martelende onzekerheid is het lichaam van fotojournalist Joep Lennarts gevonden. De nabestaanden hebben eindelijk de trieste zekerheid dat Joep dood is. Er is een talentvol fotojournalist gestorven, een geëngageerd mens, een erudiete selfmade man, een geweldige vriend.

Ik leerde Joep kennen bij het Brabants Dagblad in 1981, waar hij werkte op de regioredactie en ik als eindredacteur. Het klikte vrijwel onmiddellijk dankzij onze gedeelde belangstelling voor journalistiek, politiek, muziek en literatuur. Joep gedijde niet echt als regioredacteur en (een klein beetje) mede door onze gesprekken besloot hij om van persfotografie zijn beroep te maken. Jarenlang fotografeerde hij voor het Brabants Dagblad, de Volkskrant, FNV Magazine, de provincie Brabant, de Parade en zo’n beetje elke culturele instelling en organisatie in Den Bosch en omgeving.

Met zijn vele interesses maakte hij prachtige foto’s van zijn helden als Bruce Springsteen en Keith Richards, maar ook van Cirque du Soleil en van weeskinderen in landen als Somalië en Ghana, van wat eufemistisch de ‘extrabeveiligde penitentiaire inrichting’ in Vught heet tot aan de industrialisering van het Brabantse boerenbedrijf. En nog zie ik hem, bij zoiets banaals als de uitreiking van een lintje aan een hotemetoot waar al zijn vakbroeders zij aan zij hun werk deden, om de gedecoreerde heen draaien teneinde dat andere perspectief te vinden. Toch bleef hijzelf de grootste criticus van zijn werk.

Ook al schreef hij niet meer, Joep bleef een journalist in hart en nieren. Hij was zeer betrokken bij de ontwikkelingen in het vak en was daar lang niet altijd content mee. De opleuking, de vervlakking, de gemakzucht waarmee te vaak journalistieke producten tot stand komen, was hem een gruwel. Die irritatie past bij hem als een serieus mens, met bij tijd en wijle een neiging tot zwaarmoedigheid. Want hoewel we samen soms in een deuk konden liggen van het lachen, was Joep altijd op zoek naar diepgang. Tal van boeken over journalistiek, over geschiedenis, over de samenleving heeft hij me aan de hand gedaan. Kritische boeken zoals ‘Flat earth news’ en ‘Ill fares the land’ die hij eerder dan wie ook had gelezen. Met instemming.

In zijn privé-leven kende Joep een paar problemen, die hij niet kon oplossen of loslaten. Maar tegelijkertijd was hij vol van vitaliteit: het leven moest in diepte en breedte verkend worden. Toch hebben uiteindelijk nieuw voorgeschreven antidepressiva hem in een waan gebracht die leidde tot zijn volstrekt onverwachte uitstappen. Dertig jaar ben ik met Joep bevriend geweest, had ik maar voor nog eens dertig kunnen bijtekenen.

Paul van Tongeren

permalink

In memoriam Joep Bik (1940-2011)

vrijdag 22 april 2011

Bij de Haagse voetbalclub VUC stond J.M. Bik, de politieke journalist van NRC Handelsblad die maandag 13 april na een lang ziekbed op 70-jarige leeftijd overleed, jaren stopperspil. In het seizoen 1958/59 debuteerde hij in het eerste van VUC in de promotie/degradatiewedstrijd tegen DCG in Amsterdam. De 18-jarige Joep Bik maakte twee eigen doelpunten. Een in de knop gebroken toekomstideaal? Nee. Voetbal hield zijn, soms geveinsd afstandelijke, warme belangstelling. Maar zijn hartstocht, geëtaleerd met dezelfde distantie, ging toch uit naar de democratische politiek: vooral die in Nederland en Duitsland, het land waar hij begin jaren ’60 zijn vrouw Marie-Louise ontmoette.

Van 1965 tot 2008 gaf hij daarvan blijk. Ruim veertig jaar was Bik redacteur, verslaggever, analist, commentator, columnist en correspondent in Den Haag respectievelijk Bonn. In Den Haag versloeg hij de politieke jaren met Joop den Uyl, de polarisatie rond Dries van Agt en de saneringskabinetten van premier Ruud Lubbers. In Bonn was hij getuige van de hereniging van Duitsland in 1989 onder leiding van kanselier Helmut Kohl.

Alle drie politici voor wie hij een technische, politieke of historische bewondering had die hij ook niet verheimelijkte. Integendeel. Hoewel Bik gruwde van het modieuze woord ‘engagement’, was betrokkenheid hem allerminst vreemd. In de jaren ’80 engageerde hij zich zo met het ‘kruisrakettendebat’ dat hij alle hele en halve varianten in het ‘spel’ kende zonder zijn hoofdlijn uit het oog te verliezen: namelijk dat plaatsing van de Amerikaanse raketten was geboden zolang de Sovjet-Unie haar SS-20’s liet staan.

Die betrokkenheid had niet zozeer met links en rechts te maken noch met louter machtsvorming – hoewel gewone macht hem meer interesseerde dan vage ideeën – maar met bondgenootschappelijke loyaliteit en ordentelijke parlementaire omgangsvormen.

Intussen ontwikkelde en koesterde Bik een eigen vorm van journalistiek. Met een schrijfstijl, die uit duizenden herkenbaar was. ‘Koning van de bijzin’, werd hij soms gekscherend genoemd. Zo sprak hij ook. ‘Joep, mag ik nu even antwoorden’, zei Lubbers eens tijdens een interview toen Bik bij voorbaat alle nooduitgangen wilde afsluiten en de vraag dus wel erg lang werd.

Bik was toen, van 1985 tot 1989, chef van de Haagse redactie. Ook als ‘manager’ was Bik niet doorsnee. Hoofdredactie en collega-chefs hebben zich wel eens achter de oren gekrabd. Veel journalisten op de Haagse redactie groeiden intussen door het vertrouwen dat de chef bood zonder hij zich liet voorstaan op een leraar/leerling-verhouding.

Joep Bik was een buitengewoon journalist die veel heeft nagelaten. Mogelijk is dat een troost voor zijn kinderen Caroline, Jeroen en Annemarie die afgelopen najaar ook al hun moeder Marie-Louise verloren.

Hubert Smeets

permalink

In Memoriam Frans van Hasselt (1927-2011)

dinsdag 8 maart 2011

In de stromende regen is woensdag 2 maart NRC-correspondent for ever Frans van Hasselt in Athene begraven. De opkomst was indrukwekkend. Er waren vertegenwoordigers van de krant, de Nederlandse ambassade, Het Nederlandse Instituut in Athene, veel Nederlandse en nog meer Griekse vrienden en zijn oudere broer Bram die de laatste jaren niet meer op bezoek kon komen, maar op 89-jarige leeftijd voor dit laatste eerbetoon de reis naar Griekenland nog een keer ondernam.

Er werd veel gespeecht: over Frans’ encyclopedische kennis van de Griekse politiek, geschiedenis, taal, poëzie en muziek, over zijn unieke talent om een brug te slaan ‘tussen het Griekse hart en het Nederlandse verstand, en andersom’, zoals iemand het zo treffend verwoordde, en voor de subtiele kunst die hij bezat om met de Griekse volksgeest te versmelten zonder ooit een journalistiek gezonde afstand te verliezen.

Hij hield innig van Griekenland, maar verloor nooit zijn kritisch vermogen, hij kon lyrisch schrijven over de Griekse deugden en ongenadig bulderen over de Griekse tekortkomingen. Vooral de laatste tijd, nu er een ongekende anti-Griekse houding in Europa woedt, was zijn genuanceerde pen een welkom en noodzakelijk ‘Ander Geluid’.

‘Je leefde als een Griek, maar sprak nooit over “wij’’’, schreef NRC.

Die geraffineerde en veel geprezen afstandelijkheid lag in zijn aard: ze was niet alleen het resultaat van zijn journalistieke ethiek, maar kwam ook voort uit zijn schuchtere inborst. Ze kleurde zijn manier van ons vak bedrijven. Ik herinner me hoe we samen een keer, begin jaren negentig, langs het Zappion, het park achter het Griekse parlement, wandelden. Op een bankje zat een verfomfaaid zwerversechtpaar met een supermarkt karretje vol rotzooi en plastic zakken. Frans observeerde ze al een paar weken, vertelde hij. Hij gaf ze af en toe wat geld en was buitengewoon nieuwsgierig. Wie waren die mensen? Waar kwamen ze vandaan? Hoe waren ze clochards geworden? En: waren ze getrouwd, want ze waren zo innig met elkaar. Ryszard Kapuscinski –achtige vragen. Hij vroeg of ik naar ze toe wilde gaan om ze te stellen.

‘Hoezo?’, vroeg ik, ‘Waarom doe je dat niet zelf?’

‘Daar ben ik te verlegen voor’, biechtte hij op.

‘Maar hoe kom jij dan aan al die menselijke verhalen van je?’ Ik was stomverbaasd.

‘Ik? Ik ga altijd ergens aan een tafeltje zitten, met wijn, en dan wacht ik op wie er bij mij aanschuift’. Zijn ogen hadden pret twinkels.

Ik vroeg het zwerversstel uit naam van Frans de oren van het hoofd, terwijl hij al doorliep naar Zorbas, zijn stamtaverna in de Plaka vlak onder de Akropolis. Langzaam, want het was bloedheet en dan moest je van Frans als een slak lopen. Sneller was ongezond in zo’n klimaat, beweerde hij stellig.

De man en vrouw spraken een raar soort zangerig, soms onverstaanbaar Grieks, maar ik begreep dat ze afkomstig waren uit Suhumi, aan de Zwarte Zee. Ze waren door de oorlog in Abchazie hun huis verloren, naar Griekenland gevlucht en aan de bedelstaf geraakt. En ja, ze waren al 30 jaar ‘gelukkig getrouwd’.
Aan zijn vaste tafeltje vertelde ik hem braaf over hun perikelen.

Och arme, dan waren het Pontiers, wist hij meteen. En ik kreeg onmiddellijk een college over de Griekse Pontiers, hoe ze 3000 jaar geleden al naar het Zwarte Zee gebied waren uitgezwermd, hoe bijzonder het was dat ze hun taal hadden weten te behouden, waardoor ze nog steeds, zij het met moeite, te verstaan waren en over de exodus van de laatste jaren van deze ‘ooit Grieken’ naar hun Patrida, het oeroude Griekse Vaderland, dat in hun collectieve geheugen mythische vormen had aangenomen, maar in werkelijkheid een Grote Teleurstelling was. Daarvan getuigde het winkelkarretje wel.

En zo ontstond door de jaren heen een eigenaardige samenwerking. Soms stuurde Frans mij er op uit om verhalen, quotes en reacties te sprokkelen. Als ik terug kwam, voorzag hij ze van een kader, gaf hij ze betekenis.

Ik heb Frans leren kennen in 1983, toen ik als jonge journaliste voor het Zaterdagsbijvoegsel van zijn krant een portret moest maken van Melina Mercouri, de Griekse diva, oud-actrice en toenmalig Minister van Cultuur. Ik wist niets van Griekenland, weinig van Melina, maar dankzij de hulp van Frans is dat niemand opgevallen. Sindsdien, bijna dertig jaar lang, heb ik geen radio of televisie reportage over Griekenland gemaakt, geen artikel over geschreven zonder hem raad te plegen – en altijd vond hij wel een foutje: een verkeerde datum, een verkeerd gespelde naam, een woord dat net even anders was.

Ik ben niet de enige die zich nu vertwijfeld afvraagt wie te bellen voor de Griekse Waarheid. Hele legers verslaggevers, tv ploegen, scripties schrijvende studenten, diplomaten en documentairemakers konden uit de immense feitenkennis van Frans putten. Hij was altijd behulpzaam, en altijd net zo bescheiden als genereus.
‘Wij en Buza zullen het moeilijk krijgen zonder Frans,’ voorspelde de tweede man van de Nederlandse ambassade. Wanneer er weer eens een ingewikkelde bespreking over Cyprus of Macedonië was en men iets niet precies meer wist, dan werd Kirios Frans gebeld, ‘meneer Frans’ zoals iedereen hem noemde.

Frans van Hasselt stierf toen hij aan het einde van zijn financiële Latijn was. Ik was er toevallig bij op het moment hij zijn eerste post over zijn pensioen openmaakte: hij schrok, want dat bleek uiterst karig te zijn. Vandaar dat hij tot zijn dood door moest schrijven. De NRC heeft hem bijgestaan, ook toen het eigenlijk niet meer kon. Hij had grote moeite met de moderne technologie - ‘Niks voor mij hoor!’

Toen hij alweer decennia geleden nog maar de enige redacteur was die gebruik maakte van de NRC stenograaf, die zijn door de telefoon gedicteerde stukken trouw op typte, moest hij tot zijn grote ongenoegen overgaan op een tikmachine en een fax. Pas vorig jaar kocht hij een computer. Ik was er alweer toevallig bij toen hij op een middag zijn allereerste stuk had doorgemaild. Daar moest in Zorbas flink op gedronken worden. De volgende dag belde ik hem om te vragen of zijn stuk ook echt in de krant was gekomen, want ik was er niet helemaal gerust op.

‘Ik begrijp het ook niet, de helft is maar aangekomen en toen hebben ze mijn halve stuk gepubliceerd. Dat vind ik niet zo leuk’. Hij bleek niet op ‘opslaan’ te hebben gedrukt.

Frans heeft zijn digi block nooit helemaal overwonnen, maar zijn onmetelijke kennis compenseerde dat meer dan ruimschoots.

Met weemoed denk ik terug aan ons allerlaatste gesprek, drie weken geleden, over de telefoon. Ik praatte hem soms bij over Nederland en vertelde hem over de nieuwe ‘filosofie’ van Hans Laroes en de NOS hoofdredactie die doodsbang zijn voor het zogenaamde Eddo Rosenthal syndroom, waardoor ze hebben besloten dat correspondenten dogmatisch om de paar jaar moeten rouleren, dat niemand lang op een standplaats mag blijven zitten, en dat alles om ‘een frisse Nederlandse blik op het buitenland’ te garanderen . Uitstekend functionerende verslaggevers met grote kennis van zaken en een unieke passie voor ‘hun’ regio, worden zonder pardon de laan uitgestuurd en de Nederlandse nieuwsconsument ontnomen.

‘Wat een onzinnige filosofie’, brieste hij, ‘bestaat er dan ook zoiets als een Frans van Hasselt syndroom? Daar heb ik nog nooit van gehoord hoor!’

Hij wond zich vreselijk op over zoveel onnozelheid, noemde Hans Laroes een sufferd en vreesde het ergste voor de kwaliteit van de toekomstige verslaggeving vanuit het buitenland.

‘Daar moet ik dan maar binnenkort eens een stukje over schrijven’, besloot hij.

Het is er niet meer van gekomen.

Na meer dan vijftig jaar correspondentschap heeft Frans van Hasselt een pijnlijke leegte achtergelaten die niemand kan opvullen.

Met hem is niet alleen een groot correspondent heengegaan, het is het einde van een bepaald soort journalistiek: die van de ‘afstandelijke versmelting’.

Ingeborg Beugel

permalink

In memoriam Gert Gort (1961 - 2011)

dinsdag 8 februari 2011

Freelance fotograaf Gert Gort is vrijdag 28 januari bij een eenzijdig ongeval in zijn woonplaats Harlingen om het leven gekomen. Gort heeft vele jaren voor Weekblad Schuttevaer gewerkt. Ook verscheen zijn werk regelmatig in het maandblad Kijk op het Noorden. Via persbureau WFA kwam zijn werk af en toe in landelijke dagbladen als NRC Handelsblad terecht. Daarnaast was Gort actief als sportfotograaf voor een aantal regionale nieuws- en dagbladen in Friesland, zoals Franeker en Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad. In Friesland was hij met name een bekend gezicht op de kaatsvelden.

Gert kwam al op jonge leeftijd in de fotografie terecht. Aanvankelijk werkte hij in zijn woonplaats in een fotowinkel, pas later vestigde hij zich als zelfstandig persfotograaf. In 2006 raakte hij landelijk bekend toen hij de tweede prijs won bij de Zilveren Camera in de categorie Kunst en Cultuur met een foto van een kunstproject tijdens het Oerol Festival op Terschelling. Voor Gert betekende dat landelijke erkenning van zijn werk.

Toen de digitale camera beschikbaar kwam dwong dat ook Gert tot een herbezinning op zijn werk. Aan de ene kant werd het hem gemakkelijker gemaakt, aan de andere kant miste hij het echte handwerk. Het laatste jaar experimenteerde hij met 360 graden fotografie. Op zijn website (http://www.fotografiegertgort.nl/movie_02/movie.php) zijn daar fraaie staaltjes van te zien.

Gert kwam om het leven nadat hij in de namiddag op de Noorderpier van Harlingen een aantal foto’s van de zonsondergang had gemaakt. Op de terugweg is hij achter het stuur onwel geworden, waarschijnlijk als gevolg van de diabetes waaraan hij leed. Met volle snelheid ramde zijn auto een metalen bolder. Politie en ambulancepersoneel waren snel ter plaatse maar konden helaas niets meer voor het slachtoffer doen. Gert Gort is 49 jaar geworden. Hij was ongehuwd.

Johan van der Wal

permalink

In memoriam Koen Wessing (1942 - 2011)

dinsdag 8 februari 2011

Met het overlijden van Koen Wessing is een van Nederlands beste fotografen heengegaan.

Mijn eerste kennismaking met hem was in de drukkerij van Rob Stolk, in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt, waar hij wel eens kwam. Kort daarna bracht hij me een doos foto’s. ‘Zie maar wat je er van kan gebruiken’, en hij legde een oranje doos foto’s op mijn tekentafel. Hij schonk zichzelf een kop zwarte koffie in en stak een Gaulloise op. Hij bleef even zwijgend zitten en vertrok.

In de doos zaten zijn later beroemd geworden Chili-foto’s. De foto’s heb ik geregeld gebruikt net als de stapeltjes dozen gevuld met beelden die hij in de jaren daarna afleverde. Nicaragua, Guatamala, El Salvador, kortom: het drama van Latijns-Amerika. De foto’s van toen zijn geschiedenis geworden. Ze hebben jaren naast me gestaan alvorens ze in de archiefkasten van Hollandse Hoogte verdwenen. Het bureau waar Koen zich thuis voelde en dat altijd goed voor hem heeft gezorgd.

Koen was geen eerzuchtige fotograaf en zeker geen rijke fotograaf. Hij was ook wars van alle prietpraat over fotografie en over hemzelf. Roland Barthes had zijn werk eens beschreven, maar Koen vond het allemaal gelul. Ook Cartier-Bresson kon niet op zijn sympathie rekenen. Koen ging voor duidelijkheid en rechtvaardigheid in zijn fotografische- en politieke keuzes. Geld en materie waren geen drijfveer in zijn leven.

Twintig jaar later mocht ik zijn monografie redigeren. Niet dat Koen iemand nodig had die hem moest vertellen wat een goede of een slechte foto was, zijn keuze daarin was onbetwistbaar. Het was meer vertrouwen, structuur en begrip wat hij nodig had. Nadat de ruwe versie klaar was, heb ik dagen alleen in zijn huis in Amsterdam al zijn contactvellen doorgekeken. En mocht ik ooit niet overtuigd zijn geweest van zijn meesterschap, dan was ik dat zeker nadien. Ik keek in de ziel van de fotograaf en daar alleen in zijn verder lege huis aan een oude keukentafel was ik een heel klein beetje deelgenoot van zijn leven.

Zijn politiek geladen fotografie zorgde voor zijn bekendheid, maar ook voor een hokje waarin hij geplaatst werd. Zijn hart lag in Latijns-Amerika, waar hij niet zelden zijn leven in de waagschaal stelde. Hij moest daar op een zeker moment afstand van nemen. Het werd China. Negen maanden lang reisde hij met zijn vrouw Agnes en hun baby Marie door het land. Het is een van zijn mooiste reportages geworden.

De serie vormde het slotstuk in zijn monografie en bij de presentatie ervan sprak Johan van der Keuken de volgende woorden:

Het laatste woord, gevat in het laatste beeld, is een mysterie. Een bedelaar komt geknield uit het duister gekropen, badend in een hel zwart licht, (…) Schaduw voor het beeld, schaduw achter het beeld en daartussen de bronzen man met zijn verinnerlijkt gelaat, geknield liggend aan de rand van het snel voorbijdraaiend plaveisel, de man op de rand van de aarde die rondtolt als een bromtol die zoemt van de leegte voorbij het verlangen, de passie, het grote verdriet, gezien in een flits, die alles even volledig stil legt.

Dat alles even helemaal stil mag zijn.

Dick Breebaart

permalink

In memoriam Evert Mathies (1931 - 2011)

vrijdag 28 januari 2011

Aan een lang leven in journalistiek, kerk en politiek kwam op 12 januari een einde: in zijn geboortestad Amsterdam overleed Evert Mathies, 79 jaar oud.

De carrière van Mathies beslaat een fors deel van Neerlands krantenland. Na een luttele vier jaar in de bancaire sector, begon hij zijn journalistieke loopbaan als financieel economisch redacteur bij de Haagsche Courant en later NRC, en parlementair redacteur bij Het Vaderland. Mathies trad vervolgens, in 1970, in dienst van Wegener. Hij bleef daar tot 1983, met uitzondering van een uitstapje van vier jaar naar de Brabant Pers, waar hij de politieke journalistiek weer oppakte. Terug bij Wegener werd Evert adjunct-hoofdredacteur van de Nieuwe Apeldoornse Courant, tot hij in 1983 terugkeerde naar zijn geboortestad Amsterdam.

Hij werd bij Trouw chef kerk. De zuil was toen al aan het wankelen, maar het gezag van de kerkredactie stond nog fier overeind. Mathies zou die redactie niet lang leiden. Gezondheidsproblemen dwongen hem het wat kalmer aan te doen, op de verslaggeverij en op Podium, de opinieredactie van Trouw.

Evert maakte in 1991 gebruik van de vut. Hij heeft dus maar acht jaar bij Trouw gewerkt. Maar je had het idee dat hij er altijd was geweest, en altijd zou blijven. Een vriendelijke man. Een imposante gestalte. En de breedste glimlach die een sigaar kon hebben. Die eeuwige sigaar van Evert, en het rookgerei van anderen, werden overigens niet door iedereen gewaardeerd. De onenigheid zorgde ervoor dat Trouw de eerste redactie werd met een rookverbod. Dat was nieuws, eind jaren ‘80!

Mathies was actief in kerk, samenleving en (lokale) politiek. De lijst van activiteiten en functies is schier eindeloos. Hij leek immer op weg naar een bijeenkomst of vergadering, met een tas vol papieren. Evert was zeven jaar bestuurslid van de NVJ, en zat onder meer in de adviesorganen van Radio Noord-Holland en de Hogeschool Windesheim. In het CDA vervulde hij verscheidene bestuurlijke en politieke functies, zetelde hij in de redactie van het huisorgaan CD/Actueel, en assisteerde hij Hanja Weggen, toen die minister van Verkeer was.
Evert genoot van al die activiteiten en functies. En hij straalde de overtuiging uit dat de wereld beter kan worden als je daarvoor je best doet, samen met anderen.

Willem Schoonen
hoofdredacteur Trouw

permalink

In memoriam Jan Kroes (1933 - 2011)

vrijdag 28 januari 2011

In Drachten is op dinsdag 18 januari Jan Kroes overleden, oud-redacteur van de Leeuwarder Courant. Jarenlang heeft hij zich kranig teweer gesteld tegen de ziektes die hem plaagden, maar ten slotte heeft hij in zijn 78ste levensjaar de strijd moeten opgeven.

Jan Kroes was een boerenzoon. Hij werd op 24 juli 1933 geboren in Bantega, een dorp vlakbij Lemmer. Zijn oudere broer volgde zijn vader op. Jan kwam na de middelbare school ‘op kantoor’. Hij zwierf van de ene betrekking naar de andere, tot hij begin jaren ’60 zijn bestemming in de journalistiek vond bij de Drachtster Courant, in die dagen een kweekvijver van talent. Daar fungeerde hoofdredacteur Freark Dam als zijn mentor. Hij ontwikkelde er een fijn 18-karaats pennetje, waarmee hij zich zowel in het Nederlands als in de Friese taal en de Stellingwerfse streektaal onderscheidde. In 1971 volgde de overstap naar de provincieredactie van de Leeuwarder Courant.

Hij vergaarde er het nieuws uit Drachten en de Friese zuidoosthoek, aanvankelijk op een eenmanspost en later als chef van de Drachtster redactie. In zijn begintijd was Drachten een groot dorp, weliswaar al keurig ‘Philishaven’, maar de grote sprong voorwaarts in de vaart der volkeren moest nog komen. Die opmars heeft Jan met zijn scherpe blik kritisch begeleid.
In de jaren ’80 versterkte hij de cultuurredactie, die zo kon profiteren van zijn grote eruditie. Hij heeft zich hier echter nooit op voorgestaan, integendeel, hij bagatelliseerde zijn kennis en bleef zelf het liefst onzichtbaar.

In 1993 ging Jan in de ‘vut’. Hij trok zich terug in Drachten, waar het bruine café Marktzicht, honderd meter gaans van zijn appartement, zijn huiskamer werd. ’s Ochtends nam hij er onder het genot van een kopje koffie de kranten door en ’s middags keerde hij er terug voor een borreltje en wat aanspraak.

De computer had hij afgesloten en voorgoed opgeborgen. Niemand kon hem verleiden de pen nog eens ter hand te nemen, hij was tenslotte een begenadigd stilist. Maar hij voelde geen aandrang meer: ‘Er wordt al zoveel geschreven en er zijn al boeken genoeg.’

Pieter de Groot

permalink

In memoriam Henriette Bonarius (1952-2010)

dinsdag 11 januari 2011

Vriendelijk, ingetogen, vasthoudend en precies. Het zijn woorden die Henriette Bonarius typeren, sinds 1993 redacteur bij Trouw. Ze kwam op de redactie als mede-eindredacteur van de zaterdagbijlage ZenZ. Een eindredacteur die ‘het schrijven niet schuwt’ in haar eigen woorden.

Henriette schreef soepel, met merkbare interesse voor het onderwerp. Al eerder maakte ze voor de mediapagina van Trouw een serie interviews met tekenaars. Ze werkte toen nog als corrector voor Vrij Nederland, waar ze na haar studie Nederlands aan de slag was gegaan en waar ze haar man Rob Sijmons leerde kennen.

Na een van de vele reorganisaties werd ze eindredacteur van het verzelfstandigde lifestyle-katern Etcetera. Het was de tijd dat bloedserieuze kranten toegaven dat hun lezers ook aandacht hadden voor natuur, consumentenzaken, mode, reizen, vormgeving en hebbedingetjes. Het was ook de tijd dat PR-bureaus taarten stuurden naar de redactie of andere cadeaus, om aandacht te krijgen voor een nieuw product. Ze werden steevast door Henriette geweigerd, al heeft ze wel eens nazorg verleend aan een vrouw die verkleed als rendier de redactie iets kwam aanbieden. Vindt u dat nou leuk om te doen? vroeg Henriette op haar zachtaardige toon, waarop de vrouw in snikken uitbarstte en vertelde dat ze als bijstandsmoeder alles moest aanpakken. Ook jaren later kon Henriette nog van slag raken bij deze herinnering.

In 2004 verdween Etcetera en daarmee haar functie. Ze was er boos over en het kostte moeite om een nieuwe plek te vinden. Voor de nieuwskrant had ze geen animo, de gehaastheid ervan paste niet bij haar. Uiteindelijk kwam ze bij Podium, een ververst opinieforum waar de stukken van boze CDA’ers en verontruste dominees niet louter de boventoon meer konden voeren.

In de afgelopen vier jaar stapelde de ellende zich op voor Henriette. Ze brak haar enkel, die moeizaam genas. Toen werd haar Rob ziek, een agressieve kanker waar hij binnen een jaar aan overleed. Ze was diep verdrietig, maar wilde verder. Ze zou haar huis verbouwen, kocht een auto. Maar de ziekte haalde haar in. Het begon met een hersenbloeding, er werd een spierziekte geconstateerd, naast een hersenaandoening. Ze ging snel achteruit. In november werd ze 58, de dag voor oudjaar overleed ze. Haar ouders, zussen en hartsvriendin waren erbij, een kleine en geliefde kring – haar eigen sfeer.

Afra Botman

permalink

In memoriam Harry van Seumeren (1937-2010)

maandag 10 januari 2011

In het najaar van 1959 stapte een ernstig kijkende jongeman binnen bij de stadsredactie van De Maasbode in de Rotterdamse Kortenaerstraat (het pand doet vandaag de dag dienst als kinderdagverblijf): Harry van Seumeren. De krant was een paar maanden eerder overgenomen door De Tijd in Amsterdam. We waren dientengevolge nogal wat collega’s kwijtgeraakt, zeer ruim behuisd en zeer onderbezet. Dat Harry werd aangenomen als leerling-journalist, was een klein wonder.

Die eerste indruk van Harry is me altijd bijgebleven: de ernst, de bescheidenheid, de wellevendheid, die opvielen te midden van het roerige clubje merendeels jonge honden, dat werd gevormd door de stadsverslaggevers van de Rotterdamse kranten (tien dagbladen waren er destijds gevestigd of hadden er plaatselijke redacties).

Ik heb me altijd afgevraagd in hoeverre Harry’s karakter was bepaald door het vroege verlies van zijn vader, een koopvaardijofficier die met zijn schip, de ‘Beemsterdijk’ van de Holland-Amerika Lijn, in januari 1941 in de Bristol Channel op een mijn liep.

Twee jaar na Harry’s binnenkomst bij De Maasbode waren we beiden in dienst getreden bij de Volkskrant, ik nog altijd in Rotterdam, Harry aanvankelijk in Amsterdam, maar vanaf 1963 op de Haagse redactie als sociaal-economisch redacteur. Geen eenvoudige positie: de krant was in die jaren nog eigendom én spreekbuis van de katholieke vakcentrale KAB (later NKV). De sociaal-economische berichtgeving werd vanuit ‘Utrecht’ nauwlettend in de gaten gehouden.

Harry ontwikkelde zich tot een zeer gedegen vakman, het onmisbare en vooral betrouwbare Haagse steunpunt voor de sociaal-economische redactie in Amsterdam, bestaande uit de legendarische Willem Sprenger en de latere hoofdredacteur Harry Lockefeer. Sprenger vooral was van invloed op het zuivere gevoel voor sociale rechtvaardigheid dat Harry kenmerkte en dat hij tot op zijn laatste dag als journalist, in juni 1998, ook wist uit te dragen.

En hij was prudent. Een kenmerkend voorbeeld is zijn onthulling van de zaak-R3 in maart 1978. Het betrof de deelname van Ruud Lubbers (op dat moment gewoon Kamerlid voor het CDA) in de beleggingsmaatschappij die hij met zijn broers Richard en Rob had opgericht. Het bedrijf had ruim gebruik gemaakt van de regeling voor fiscale investeringsaftrek, waarbij Lubbers in zijn voorafgaande ministerschap op Economische Zaken nauw betrokken was geweest. Harry spitte de zaak uit, bracht een zondagmiddag door bij Lubbers thuis in de Rotterdamse wijk Kralingen, en produceerde een gedegen stuk, zonder bazuingeschal, zonder een moreel oordeel te vellen. Lubbers bevestigde de feiten en erkende dat het ‘achteraf gezien’ beter was geweest als hij geen gebruik zou hebben gemaakt van de regeling. De Kamer nam daar genoegen mee. (Toen Lubbers enkele maanden later Willem Aantjes opvolgde als fractieleider, maakte hij al zijn financiële belangen openbaar).

In 1988 keerde Harry na vijfentwintig jaar terug naar de redactie in Amsterdam. Hij gaf enige tijd leiding aan de sociaal-economische redactie, maar dat beviel hem, jarenlang solist op een buitenpost, op den duur minder goed. Hij legde zich weer toe op het schrijven van columns en achtergrondstukken. Hij was tevens geruime tijd lid van de Raad van Uitvoering van de cao voor dagbladjournalisten en van de onderhandelingsdelegatie van de NVJ.

Harry stierf twee dagen voor oudjaar 2010 na een kort ziekbed.

Lambiek Berends

permalink

In Memoriam Jan van Beek (1925-2010)

dinsdag 4 januari 2011

‘Mr. GPD’. ‘De keizer van de GPD’. ‘De zonnekoning’. De hoogdravende, maar warm bedoelde bijnamen rolden (oud-)collega’s en medewerkers uit de mond toen Jan van Beek in 1987 afscheid nam als directeur/hoofdredacteur van de (toen nog)Gemeenschappelijke Pers Dienst. En terecht. ‘Le GPD, c’est moi’, zou hij eens overmoedig gezegd hebben, en niemand sprak dat tegen. De GPD wás immers Jan van Beek. Zondag overleed hij na een slopende ziekte, 85 jaar oud.

Groots en meeslepend. Zo was zijn schrijvende loopbaan, onder meer als correspondent in Spanje waar hij in 1964 ook maar even perschef van prinses Irene speelde tijdens de rel rond ‘het huwelijk’. Groots en meeslepend moest ook de GPD zijn, waar hij in1967 eerste man werd. Meer mensen, meer geld - als je vier man naar een groot evenement kon sturen, dan stuurde je er geen twee. We reisden de hele wereld rond om de regionale krantenlezers te laten zien dat we zeker zo goed waren als de landelijke kranten. We kregen de nieuwste spullen het eerst. Hij wilde de GPD op de radio brengen. Zijn bomen reikten tot de hemel, en als de kranten hadden willen betalen nóg verder. Alles ter meerdere eer en glorie van de GPD. En en passant natuurlijk ook van Jan. Daarover geen valse bescheidenheid.

Intussen hield hij de vele bazen van de GPD tevreden. Een kruiwagen met kikkers, noemde hij dat zo uiteenlopende gezelschap van directeuren en hoofdredacteuren vaak. Zijn jezuïtische (Nijmeegse) opleiding hielp hem bij het manoeuvreren tussen en het tegen elkaar uitspelen van al die karakters. Ook op de redactie. Afspraak bleek niet altíjd afspraak, maar met een goed glas wijn waren meningsverschillen, die soms hoog konden oplopen, snel weer bijgelegd.

Voor elk probleem had hij immers wel een oplossing. Ook toen het met de kranten even wat minder ging en er voor het eerst bezuinigd moest worden. Hij goochelde wat af met cijfers om dat te verbloemen. Want er mocht geen man uit! Jan leidde zijn redactie als was het zijn familie. Het is anno 2011 niet meer voor te stellen, maar zo vóelde het ook. Jonge mensen kregen alle kansen en hebben, weet ik uit ervaring, nog altijd heel veel aan hem te danken.

Zijn afscheid in 1987 was voor de toen 50-jarige GPD het einde van een tijdperk. Maar voor de journalistieke missionaris Van Beek geen reden om stil te zitten. Hij was de drijvende kracht achter het derdewereldpersbureau IPS, was bestuurslid van Free Voice en doceerde het vak tot in een uithoek als Kazachstan. Om ze ook daar duidelijk te maken dat journalistiek méér is dan een ambacht.

Hans de Bruijn

permalink

In Memoriam Willem Breedveld (1945-2010)

woensdag 13 oktober 2010

Vier decennia was hij als politiek redacteur en commentator een drijvende kracht van deze krant en nu is Willem Breedveld, op 65-jarige leeftijd, overleden.

Het bericht van zijn overlijden bereikte ons dinsdag, op de dag dat we in de Verdieping een verhaal hadden over de formatie van nu en die van 1973. Collega Hans Goslinga schreef dat verhaal met Willem, zittend aan diens ziekbed. Breedveld had nog veel meer willen schrijven, hij had nog veel meer willen doen, maar het werd hem niet gegund.

Willem Breedveld heeft bijna veertig jaar voor Trouw gewerkt, met een onderbreking begin jaren zeventig, toen hij ambtenaar was op Algemene Zaken en premier Joop den Uyl van advies diende en, vooral, tegenspel bood.

Willem is al die jaren van groot belang geweest voor de krant. Vanwege zijn pen en zijn kennis van het politieke bedrijf, maar vooral vanwege zijn liefde voor het debat. Hij ging hier op de redactie met liefde in discussie en had belangstelling voor iedereen. Dat was geweldig, voor de redactie en bovenal voor de krant.

Trouw heeft veel te danken aan de intelligente en vooral warme, hartelijke man die Willem was.

De hoofdredactie

permalink

In memoriam Pierre Petit (1941 – 2010)

vrijdag 10 september 2010

‘’t Is lente, ’t is lente! Ik voel het aan m’n instrumente!’ Van 1978 tot 2002, acht kabinetten lang, schalde die kreet door de Parlementsgebouwen. Pierre Petit, parlementair redacteur van het Algemeen Dagblad (AD), liet geen voorjaar verstek gaan. Maar nu is zijn stem voorgoed verstomd. Op 7 september overleed hij aan een niet te stoppen kanker, pas goed drie weken eerder ontdekt. Bij Pierre leden zelfs zijn ziektes aan ADHD.

Pierre begon bij de Leidse Courant, wipte over naar Dagblad De Stem en trad oktober 1969 aan op AD-Binnenland. Bijna, aldus zijn latere hoofdredacteur Ron Abram, was hij meteen weer ontslagen. ‘We hadden Kerstavond samen dienst toen er heel laat een telexregel binnenliep: Israëlische commando’s hadden tegen het Franse wapenembargo in uit de haven van Cherbourg vijf met raketten uitgeruste motortorpedoboten gekaapt. We hesen het in de krant maar zagen de uren daarna geen follow-up. De volgende morgen belde toenmalig hoofdredacteur Huib Appel: welke idioten dat hadden afgedrukt. Kort daarna was het wereldnieuws.’

Mei ’78 verkaste Pierre naar het Binnenhof, voor zijn journalistiek mooiste jaren. ‘Een goed nieuwsjagertje, van alle markten thuis’, aldus oudgediende Piet Bouwmeester. In 1991, WAO-zomer, lag de PvdA van Wim Kok zeker zo in de kreukels als het CDA nu. Pierre belde elke tien minuten partijvoorzitter Marjanne Sint. Zij was in Toscane op fietsvakantie en wist van haar gezond niet af. We zouden met de hele equipe kroegwaarts trekken, maar Pierre belde nog één keer en… had beet! Een knalprimeur en opening krant. Over dat eeuwige ringbaardje boven dat ook al eeuwige blauwe blazertje verscheen de breedste glimlach ooit.

Bij zijn afscheid en dat van twee collega’s in 2002 uitte de toenmalig hoofdredacteur maar weinig waardering voor Pierre’s kwaliteiten, door een andere spreker, wijlen Hans Dijkstal, wél op waarde geschat. Met Pierre is een actief en veelzijdig journalist heengegaan, maar bovenal een beminnelijk en ingoed mens, een altijd vrolijk, wandelend anekdotevat. Bij AD en Stem laat hij veel vrienden achter, thuis een vrouw en twee kinderen, in Brussel twee voorlichters – bij CDA en GroenLinks, allebei oomzeggers – die door hem in de politiek zijn ingewijd. En lentes zullen nooit meer hetzelfde zijn.

Frans Boogaard

permalink

IM Bob de Ronde (1945 -2010)

dinsdag 17 augustus 2010

Eind 1976 werd bij het NOS Journaal het initiatief genomen om een redactie economie op te richten. De verslaggever werd Bob de Ronde en ik werd als bureauredacteur zijn assistent. Het ging destijds bar slecht met Nederland. Dus had de ‘eco redactie’ het heel druk.

Bob de Ronde was een harde werker. Bijna dagelijks kwam hij met meerdere reportages en interviews terug op de redactie. In de Peugeot 504 van het Journaal – met chauffeur – sprokkelde Bob al bellende via de mobilofoon het nieuws bij elkaar. Bijna dagelijks had hij ook primeurs.

Hij was een harde en gedreven werker maar hij werd ook snel emotioneel. Als een eindredacteur het vierde interview van Bob niet in het Acht Uur Journaal wilde meenemen omdat de eerste drie items al van Bob waren kon hij ontploffen. Maar vijf minuten later lachte hij weer omdat hij het wel begreep.

Bob de Ronde was een journalistieke vernieuwer. Bob was de eerste verslaggever die antwoorden onderbrak met een nieuwe vraag, hij wilde snel naar de kern van het verhaal en kon al het gedraai en geleuter eromheen niet aanhoren. Daarmee heeft hij school gemaakt.

Begin jaren ‘80 stapte hij over naar Panoramiek, de buitenlandrubriek van de NOS televisie. Zijn aandacht ging onder meer uit naar Brussel. Beeldend toonde hij aan dat daar ‘op de werkvloer’ weinig dynamiek plaats vond.

In 1985 stapte Bob uit de journalistiek. Hij was een van de eerste journalisten die zich specialiseerde in het vak van mediatrainer. Bob de Ronde was een begrip in ondernemersland en vrijwel alle bestuursvoorzitters van de grote concerns heeft hij voorbereid op een media optreden. Zijn bedrijf heeft hij met zijn naam en al in 2002 verkocht. Daarna zette hij onder de naam ‘The Media Chef’ zijn werk als mediatrainer voort.

Enkele jaren geleden werd er bij Bob de Ronde darmkanker vastgesteld. Na een lange lijdensweg die hij op bewonderenswaardige wijze heeft ondergaan is op zaterdagochtend 7 augustus Bob de Ronde in zijn huis in Meppel op 65-jarige leeftijd overleden.

Harmen Roeland

permalink

Koen van Musschenbroek Greve (1949-2010)

donderdag 5 augustus 2010

Koen van Musschenbroek Greve was een verhalenverteller en -schrijver. Dat was zijn passie en daar was hij goed in. Zijn ambachtelijkheid en passie zijn misschien wel te karakteriseren als ‘van de oude stempel’. Maar wie is er nu tegen zo’n stempel?

Na zijn middelbare schoolopleiding startte hij bij Het Vaderland en het ANP als verslaggever; later werd hij onder meer persvoorlichter en woordvoerder bij de BAM, Nutricia en Ahrend, waarna hij partner en later directeur van het PR-bureau Forman & Partners werd. Dat eens zo succesvolle bureau kreeg het moeilijk en werd overgenomen door Winkelman en Van Hessen. Daar leerde ik Koen kennen als een hartelijke en volstrekt eerlijke collega, die voor zijn cliënten stond.

Zijn laatste werkzame jaren waren voor hem niet de meest opwekkende, maar compensatie vond hij in de journalistiek. De cirkel was rond toen hij niet alleen hoofdredacteur (en columnist!) van Aproach, het huisorgaan van de Haagse golfvereniging werd, maar ook voor Wegener (en later uitgeverij Sanoma) precieze portretten schreef over Nederlandse golfbanen. Daarmee twee hobby’s verenigd: golf en journalistiek.

Robbert Coops

permalink

Piet Koster (1946-2010)

donderdag 5 augustus 2010

Eigenlijk wilde hij piloot worden en op een medische keuring na was hij daarvoor geschikt. Het lot bepaalde anders. Piet Koster belandde niet op start- en landingsbanen, maar in de journalistieke jungle. Daar bleek hij door zijn gedrevenheid, sociale vaardigheden en precisie uitermate voor geknipt. Op de kunstredactie van Het Vrije Volk (HVV) in Rotterdam stond hij bekend als ‘Pietje Precies’. Talloze malen verscheen hij daar bij de eindredactiedesk met opgeheven vingertje en zei met die ondeugende twinkeling in zijn ogen: ‘Mijne heren, een kleine correctie… ‘

Vorig jaar werd bij Piet kanker geconstateerd. Aan insiders had hij begin dit jaar verkondigd dat zijn einde naderde. Ogenschijnlijk praatte hij daar relativerend over. Samen met zijn vrouw Vera en zonen Floris en Steye wilde hij er nog een paar prachtmaanden van maken.

Tijdens zijn afscheid in een overvolle aula op de begraafplaats Crooswijk zei Leo Pronk, oud-hoofdredacteur van HVV en Rotterdams Dagblad: ‘Hij bouwde in zijn sector die hem zo lief was, de kunst en cultuur, grote netwerken op. Velen werden vrienden van Piet. Van het Rotterdams Philharmonisch, van Jasperina tot Youp en van Toon tot Freek. Hij kende iedereen en iedereen kende hem.’

Eind 1990, bij de teloorgang van ‘ons’ Vrije Volk, zie ik Piet de redactie op rennen met de haast profetische woorden: ‘Te paard, te paard, we zijn verraden!’ Als geboren ‘verzetsman’ kreeg hij pas achteraf gelijk. En hoe. In het slagveld dat volgde vielen collega’s bij bosjes, onder wie Piet. Toen ging hij stokrozen kweken. Die stonden kaarsrecht, zoals Piet zelf principieel tot het einde toe is gebleven.

In het uit de oorlog daterende restaurant ‘De Pijp’, waar Piet ook graag kwam had iemand met viltstift op een wc-muur geschreven: ‘Ik zit in het verzet, maar niemand weet dat het oorlog is’. Chapeau Piet!

Jim Postma,
Rotterdamse Journalisten Vereniging (RJV)

permalink

Ben Wind (1953-2010)

donderdag 1 juli 2010

Werken met Rotterdams pers- en havenfotograaf Ben Wind (57) was niet alleen een genoegen, maar vaak avontuurlijk. Wind was voor de duvel niet bang en hield van gevaarlijke klussen. Als dé havenfotograaf van onze Maasstad is hij talloze malen in kranen gehesen, over het Botlek-gebied gevlogen en vanuit kleine havenbootjes midden in het stromende water op touwladdertjes naar zeecontainerschepen geklommen.

Het voorpaginanieuws dat hij samen met enkele collega’s op de Maasvlakte in een helikopter naar beneden is gestort, is in ons Rotterdamse journalisten- en fotografenwereldje ingeslagen als een bom. Zo ook bij het gemeentelijk Havenbedrijf waar hij in opdracht de ‘Tour de Port’ aan het fotograferen was. Zijn trouwe compagnon en echtgenote Ellen Wind in totale verbijstering en wanhoop achtergelaten: ‘Ben is van mij weggerukt’, … stamelde zij toen het keiharde nieuws was doorgedrongen. Samen hadden zij nog zo veel plannen met hun gerenommeerde persbureau.

Havenjournalisten Hans Roodenburg en Janny Kok vonden het een eer om te werken met de allerbeste havenfotograaf van Rotterdam. Roodenburg: ‘Vroeger was Ben Wind de vaste fotograaf van onderzoeksjournalisten Rien Robijns en Geert-Jan Laan voor hun dossiers in Het Vrije Volk. Ze hebben er de landelijke Persprijs mee gewonnen. Toen Ben, fotograaf in hart en nieren, werd gevraagd in vaste dienst te komen, weigerde hij. Hij wilde nooit een baas boven hem, bleef liever zelfstandig’.

Voor mijzelf was het werken met ‘Bennyboy’ een groot voorrecht. Bij het toenmalige Het Vrije Volk mocht ik met Ben talloze reportages maken. Zo doken wij gezamenlijk de onderwereld in, kwamen terecht op een Russisch spionageschip de Youri Gagarin en fotografeerden ‘deals’ tussen zware criminelen en politiebeambten. Wij deelden onze avonturen altijd als ware makkers.

Zijn pretogen, zijn aanstekelijke lach, gevoel voor humor, om nooit meer te vergeten. Ben Wind is in het harnas gestorven, veel te vroeg!


Jim Postma,
Rotterdam

permalink

Rob Cloosterman (1951-2010)

donderdag 1 juli 2010

Met zijn fotocamera als belangrijkste wapen bond havenfotograaf Rob Cloosterman (58) de strijd aan met de vooroordelen die er breed leven over industrieel-Rijnmond. Stank, vuilspuitende schoorstenen en vies water waren volgens de bij de helikoptercrash op de Maasvlakte verongelukte Cloosterman verleden tijd; in zijn visie had de haven met haar miljardeninvesteringen in een schoon milieu en een veilige werkomgeving aan dat ‘smerige’ beeld voorgoed een einde gemaakt.

Met zijn fascinerende foto’s toonde Cloosterman een andere, zelden vertoonde kant van de Rotterdamse haven. Hij had vooral oog voor het boeiende lijnenspel op de chemische complexen en overslagbedrijven die hij zeker als de lichtinval veelbelovende leek, met grote regelmaat bezocht.

Cloosterman begon zijn carrière als bedrijfsvoorlichter in de auto-industrie en later bij het olieconcern BP in de Rotterdamse Europoort en na de fusie van BP met Texaco bij Nerefco. In de jaren ’90 koos Cloosterman voor een zelfstandig bestaan als communicatieadviseur. Hij maakte onder meer de milieujaarverslagen voor verschillende bedrijven in het Rijnmondgebied.

Als begenadigd amateur-fotograaf legde hij zich meer en meer toe op het vak van fotograaf. Kroon op zijn werk was een fraai fotoboek dat de afgelopen winter onder de titel ‘Wereldbanen in een wereldhaven’ verscheen en waarin Cloosterman jongeren de boeiende kanten van het werk in de Rotterdamse haven en chemie liet zien.
Ook exposeerde hij met grote regelmaat zijn werk. Voor verschillende tijdschriften en kranten – onder meer voor de maandelijkse bijlage AD Wereldhaven – was hij een belangrijke leverancier van ‘spannende’ havenfoto’s.

Het noodlot wilde dat de door de Rotterdamse haven gepassioneerde Cloosterman in het harnas stierf. Juist op het moment dat een peloton recreatiefietsers in de aanloop naar de Rotterdamse start van de Tour de France een tocht door de haven maakte en Cloosterman zijn visie op de ‘recreatieve, schone’ haven bevestigd zag. Zijn volgende missie, het vanuit de lucht vastleggen van de de wording van de Tweede Maasvlakte mocht hij niet meer meemaken.

Nico de Vries,
AD

permalink

In Memoriam Gerda Huberts (1918 –2010)

woensdag 2 juni 2010

Levenswerk van een knipseldame

Haar visitekaartje bevat niet veel meer dan de tekst ‘Firmante G. Huberts’. Bescheiden, met enige distantie, maar wel correct. Het is typerend voor Gerda Huberts, eerst ‘knipseldame’, later directeur-eigenaar van het knipselarchief Haagsch Persbureau – Matla-Agenda. Ze overleed op woensdag 26 mei, op 91-jarige leeftijd.

‘Matla’ was decennia lang een begrip op redacties van kranten, tijdschriften en omroepen in Nederland. De Haagse journalist Jean Hubert Matla richtte in 1927 zijn ‘persbureau’ op. In feite was het een documentatiedienst; Matla verzamelde en archiveerde knipsels uit binnen- en buitenlandse kranten en tijdschriften. Tegen betaling konden journalisten die raadplegen. Ook gaf Matla een maandelijkse agenda uit: een overzicht van aanstaande jubilea, historische gebeurtenissen, verjaardagen van notabelen. Voor geabonneerde redacties een rijke bron voor gerecycled nieuws en curieuze achtergrondverhalen.

Dit monnikenwerk deed Matla niet alleen. Hij nam er medewerkers voor in dienst, vooral vrouwen. Gerda Huberts was een van de eersten. Al in februari 1939 werd ze aangenomen. Ze was toen 20 jaar oud. Overigens schreef haar moeder haar sollicitatiebrief, omdat ze haar eigen handschrift te lelijk vond. ‘Keukenmeidenpookje’ noemde Huberts het zelf in een interview eind 2008. Een curriculum vitae vermeldt ‘HBS-diploma’ en een vorige betrekking als ‘kantoorbediende en machineschrijver’ bij een Haagse vrachtfirma. Matla nam haar aan voor tien gulden per maand.

Het bleek de baan van haar leven. Pas toen het knipselarchief in 1995 de deuren sloot, moest ook Gerda Huberts het bedrijfspand aan de Haagse Riouwstraat verlaten. In de 68 jaar daarvoor was ze opgeklommen van typiste via knipseldame tot directeur. Die laatste functie deelde ze overigens met Wil Kortekaas, een andere trouwe medewerkster van Matla. Bij gebrek aan erfgenamen liet hij zijn archief na zijn dood in 1968 na aan Huberts en Kortekaas.

Op redacties kwamen de twee bekend te staan als de ‘Dames Matla’.

Huberts bewaakte de erfenis als haar eigen kind. De secuurheid waarmee de oude Matla zijn knipsels archiveerde zette zij ongewijzigd voort. Zelfs zijn onvolprezen volzinnen in de agenda – bedoeld om het journalisten niet te veel naar de zin te maken – nam ze over. Een overnamebod van het toenmalige Sijthoff-concern wees ze resoluut van de hand. Computers kwamen er niet in.

In een toespraakje ter ere van haar 40-jarig jubileum in 1979 prijst collega Kortekaas haar gedrevenheid: ‘Vooral de onfeilbaarheid van de agenda gaat je steeds ter harte.’ Waarop het personeel in een levenslied haar ‘ijver’ bezingt.

Voor die ijver werd Huberts beloond. Letterlijk, met een lintje in 1979. Voor de zeer koningsgezinde Huberts kwam dat als een complete verrassing. Maar ook in de media kon het archief rekenen op warme belangstelling; bij ieder jubileum werden er steevast stukken aan gewijd, vaak met lovende koppen: Het geheugen van de pers. Het bureau dat alles weet. Twee juffrouwen die alles weten.

Zelf vond Huberts het allemaal wat overdreven. Nog in 2008 kon ze zich erover verbazen. ‘We wisten niet alles, we konden alles opzoeken!’, zei ze toen. ‘Het geheugen van de Nederlandse pers. Ja, dat waren we wel een beetje. We stelden onszelf niet zo in de hoogte, hoor. Het was allemaal erg leuk.’

Uiteindelijk werd het knipselbureau ingehaald door de tijd. En de dames ook. Kranten namen de agenda niet meer af, legden eigen documentatie aan en digitaliseerden snel. En de dames werden te oud om nog op ladders in bakjes te zoeken. Huberts keek met vrees uit naar het moment dat het bureau er niet meer zou zijn. In 1992 verzuchtte ze tegen De Stem: ‘Ik zou het zó vreselijk vinden om op te houden. Dan gaat zoveel voor me verloren. Als ik zelf mijn archief niet meer heb… ik zou niet eens meer iets kunnen opzoeken.’

Toch viel in 1995 het doek – Huberts was toen 77. Tot op hoge leeftijd bleef ze geïnteresseerd in nieuws en las de krant. Ze betreurde dat het archief was verdwenen. ‘Ik vind het verschrikkelijk waar het allemaal gebleven is, ik weet het domweg niet’, zei ze twee jaar geleden.

Dat de knipsels nog bewaard zijn gebleven als onderdeel van Wegener’s informatiedienst, WIC, kon ze zich niet meer herinneren. Alzheimer wistte de laatste jaren steeds grotere stukken geheugen uit. Tot ze haar laatste laatje vorige week definitief sloot.

Pelle Matla

permalink

In Memoriam Joost Divendal (1955-2010)

vrijdag 28 mei 2010

Joost Divendal was enige tijd het geheime wapen van Trouw. Wij hadden het afgekeken van de Britse krant The Independent. Bij de oprichting in 1986 was het zaak de krant zo snel mogelijk aan de man te brengen. Naast de geijkte reclamecampagne, werd een redacteur vrijgesteld om gratis publiciteit te verwerven. Hij had als collega makkelijker toegang tot de redacties van andere media. Zo kon hij medewerkers van The Independent naar voren schuiven in praatprogramma’s en primeurs ‘insteken’ – alles omwille van de naamsbekendheid van de nieuwe krant.

Trouw was al een tijdje bekend, maar had onder smaakmakers last van beeldvorming: saai, braaf, christelijk en zieltogend. Een nieuwe formule, een nieuwe campagne moesten daarin verandering brengen. Maar het kon wel een extra zetje gebruiken. Joost was daarvoor geknipt. Hij had de nodige rondjes gedaan op de redactie en was, rusteloos van aard, toe aan iets nieuws. Hij had een goed gevuld adresboekje en had, anders dan zijn collega’s, geen last van enige schaamte om ‘te leuren’ met de krant.

Zo wist hij een keer het NOS-Journaal te interesseren voor een primeur. Het mocht het nieuws brengen aan de vooravond van publicatie in Trouw, op voorwaarde dat de krant royaal zou worden genoemd. Toen om even na achten, Philip Freriks de magische vijf letters niet in de mond nam, greep Joost onmiddellijk naar de telefoon, drong door tot de eindredactie en maakte net zoveel kabaal als nodig was om ervoor te zorgen dat Freriks bij de afsluiting alsnog naar Trouw verwees. Daar kon geen duur reclamespotje tegenop.
Daarnaast zette Joost allerlei projecten op, laverend tussen redactie en commerciële afdelingen. Hij was van huis uit eerder activist dan journalist om zich al te druk te maken over de scheidslijnen tussen die twee.

Ongetwijfeld zal Joost mensen daarbij ook gek hebben gemaakt. Als hij eenmaal vol van iets was, dan goot hij iedereen daarmee vol. Hij belde en mailde je plat. Hij kon je, onderweg naar de koffieautomaat, vanuit een hinderlaag bespringen met weer een nieuw idee. Joost moest permanent in beweging zijn en de wereld om zich heen in beweging brengen. Tot verdriet van velen is hij niet oud geworden, maar hij heeft wel heel veel geleefd.

Frits van Exter

permalink

Ter nagedachtenis aan Kees Mijnten

maandag 17 mei 2010

In de Verenigde Staten vernam ik dat mijn oud Tros collega Kees Mijnten op de wel zeer jonge leeftijd van 58 jaar in zijn slaap is overleden. Hoewel Kees en ik de laatste jaren nauwelijks contact met elkaar hadden, wil ik toch stilstaan bij de persoon Kees. Hij was een gedreven journalist die in staat was om mensen op een correcte manier te interviewen. Kees was ook eigenwijs en kwam niet terug op genomen beslissingen. Ik ontmoette hem in de jaren zeventig toen hij actief was als radioverslaggever bij Radio Oost. In de jaren tachtig wist ik Kees over te halen om voor de Tros radio te gaan werken als politiek verslaggever. Samen met hem bedachten wij het politieke programma Tros Kamerbreed. Later vertrok hij naar de Avro en het ministerie van Verkeer & Waterstaat.

Kees Mijnten was niet alleen een omroep collega maar ook een collega op het gebied. In 1983 gaven wij samen onze eerste mediatraining. Onze manier van werken gaf aanleiding tot veel media aandacht. Ook in dit vak was Kees een gedreven en correcte adviseur. Samen trainden wij tal van woordvoerders in de politiek, bij de overheid en het bedrijfsleven. Tot 1995 blijven wij met elkaar samenwerken als media coach en adviseur. Toe gingen onze wegen uiteen. Ik zal mij Kees blijven herinneren als een principiële man die vooral warmte en aandacht in zijn leven zocht.

Hans Izaak Kriek
Voormalig politiek en sociaal-economisch redacteur bij Tros Aktua (1975-1995) en oprichter en voormalig eigenaar van Brain Box Mediatrainingen BV (1995-2004)

permalink

In Memoriam Tom R. Kuijt (1945-2009)

maandag 23 november 2009

In zijn woonplaats Heerhugowaard overleed zaterdag 14 november op 64-jarige leeftijd Tom. R. Kuijt, voormalig redacteur van Het Parool. Na zijn uittreden in 2002 openbaarde zich al spoedig een fatale ziekte.

Na een periode als actief freelancer, kreeg Tom in 1978 zijn vaste aanstelling bij de redactie. In datzelfde jaar werd hij tot zijn niet geringe vreugde overgeplaatst naar de buitenlandredactie. Daar trof hij als chef Jan de Graaf, journalist van grote klasse. Allrounder De Graaf leerde Tom de fijne kneepjes van het vak. Dat gebeurde niet altijd op zachtzinnige wijze maar Tom bleek goed bestand tegen een stootje. Op diezelfde redactie werd hij enkele jaren later chef. Dat was voor hem een grote voldoening; hij voelde zich gewaardeerd en gezien. Immers, in een omgeving van grote ego’s waarmee een krantenredactie doorgaans rijk gezegend is, was Tom als bescheiden, maar aimabele collega, bepaald geen haantje de voorste. Toch werden zijn toewijding, vakkennis en verantwoordelijkheidsgevoel door de leiding goed gezien.

Dat betekende overigens niet dat het chefschap een gemakkelijke periode voor Tom is geweest. Juist de eindverantwoording voor de kwaliteit van de buitenlandpagina’s drukte zwaar op zijn schouders en bezorgde hem veel spanning. In deze periode keek hij ook wat dieper in het glaasje dan eigenlijk goed voor hem was.

In 1992 tijdens het hoofdredacteurschap van Sytze van der Zee werd Tom commentator buitenland. Zijn commentaren lieten altijd ruimte voor positief perspectief en waren wars van doemdenken.

Ten slotte brak een bijzonder moeilijke en spannende tijd aan. De redactie moest eind jaren negentig fors bezuinigen. In de nieuwe formule was veel minder ruimte voor buitenland en Tom vertrok naar de opiniepagina. Dat werd een dieptepunt in zijn loopbaan; hij voelde zich er eenzaam en miskend. Gelukkig kon hij zijn laatste actieve jaren bij Het Parool doorbrengen bij de redactie economie. Daar werd hij in een warm nest ontvangen met collegiale collega’s en interessant werk tot aan zijn vervroegde uittreding in 2002.

Toen ik hem terug zag, was Tom al ernstig ziek. De manier waarop hij zijn ziekte droeg en zich groot hield tegenover de bezoeker was indrukwekkend. Met humor en de voor hem karakteristieke milde ironie besprak hij de communiqué’s van de dames en heren medici. ‘Ach, ze geven me nog een half jaar… Nou ja, eerst zou ik helemaal blind worden en zoals je ziet is dat niet gebeurd. Ik zou ook helemaal niet meer kunnen spreken en zoals je hoort is dat evenmin gebeurd. Dus van die voorspelling van een half jaar trek ik me ook maar niet al te veel aan….,’ aldus Tom.

Helaas kregen de medici dit keer wel gelijk.

Voor degenen die Tom hebben gevolgd op zijn laatste weg –vol liefde en toewijding omringd door diens Joki – zal de herinnering aan de waardigheid en moed waarmee hij zijn lot droeg, niet vervagen.

Toon Schmeink

permalink

In Memoriam Wim Bank (1954-2009)

donderdag 12 november 2009

Altijd op de bres voor de medezeggenschap en dus voor anderen. Altijd nadrukkelijk op de werkvloer aanwezig. Om uiteindelijk op veel te jonge leeftijd weg te kwijnen en in eenzaamheid aan zijn eind te komen. Met het overlijden van Wim Bank is een bijzonder mens weggevallen, aan wie ook de NVJ veel dank verschuldigd is.

Wie Wim Bank zegt, zegt Haarlems Dagblad. Bij die krant lag zijn hart. In 1977 begonnen als freelancer, en toen al NVJ-lid, kreeg hij er in 1980 een vaste baan. En als gevolg van allerlei fusies vervulde Wim later ook verschillende, vaak leidinggevende, functies in Leiden, IJmuiden en laatstelijk Alkmaar. Dat alles bij wat nu HDC Media heet.

Chef of niet, het ging Wim niet om de hiërarchie maar om de inhoud. Waarbij de mens voor hem voorop stond. Het opkomen voor anderen leidde er dan ook toe dat hij in allerlei vertegenwoordigende organen actief was. De laatste jaren trok Wim ook buiten HDC de aandacht als voorzitter van de Centrale Ondernemingsraad. De COR van HDC zorgde er eind 2007 voor dat een al in gang gezette redactiereorganisatie door de rechter werd verboden. Eigenlijk had Bank bij die reorganisatie wel willen vertrekken, en dus was de voortrekkersrol die hij bij de rechtszaak vervulde, extra tekenend: ieder eigenbelang was hem vreemd.

Tragisch genoeg leidde een artikel in De Journalist/Villamedia begin 2008 tot het voortijdige vertrek van de COR-voorzitter. Aanleiding was ophef over het mogelijk opnemen van De Gooi- en Eemlander in dagblad De Telegraaf. Dat scenario, dat intern al enige tijd de ronde deed, werd door Bank in het bericht bevestigd. Het leverde hem vooral vanuit Hilversum een golf van kritiek op, waarbij sterk op de man werd gespeeld.

Nadat Bank zijn opstappen bekend had gemaakt, startte de Haarlemse redactie nog spontaan een handtekeningenactie om hem als voorzitter te behouden, maar dat mocht niet baten. Intussen was zijn dagelijkse werkplezier in Alkmaar ook niet altijd even groot. Eerlijk is eerlijk: Banks diplomatieke gaven waren niet sterk ontwikkeld en hij schroomde niet stevige meningen over leidinggevenden met luide stem over de redactie te verkondigen. Maar van iemand met hart voor de zaak moet je een stootje kunnen verduren. Niet ieder lid van de hoofdredactie kon er op gepaste manier mee omgaan. Dieptepunt was een grove persoonlijke aanval op Bank in een mail die ook nog eens in ruime kring werd verspreid. Dit gebrek aan beschaving deed Wim meer pijn dan hij liet merken.

Bank vertrok in oktober 2008 uit Alkmaar met een regeling, die vrijwillig heette maar dat eigenlijk ook niet was. Van allerlei mooie plannen kwam vervolgens niets. Hij zat in zijn eentje in Hoofddorp in een huis, waar het gemis aan zijn in 2003 overleden Ineke des te heviger werd. Wim keerde verder in zichzelf. Collega’s/vrienden kregen, hoe ze het ook probeerden, steeds minder contact met hem, en hetzelfde gold voor zijn familie. Het einde kwam op 4 november. Wim Bank overleed, 55 jaar oud, in het ziekenhuis aan de gevolgen van een verwaarloosde ontsteking.

Arthur Maandag

permalink

In Memoriam Laurent Heere (1956-2009)

donderdag 12 november 2009

Terwijl hij op sterven na dood was, schreef hij nog twee verhalen. Bij niemand anders zou je zo een necrologie beginnen. Wel bij onze BN/DeStem-collega Laurent Heere, die zaterdag 7 november overleed.

Zo was zijn stijl. Onomwonden en cynisch. Tot in de haarvaten van zijn, op het laatst, doodzieke lijf. Ongenadig kritisch kon hij zijn jegens degenen die in zijn journalistieke schootsveld terecht kwamen. Maar net zo genadeloos was hij ten aanzien van zichzelf.

Acht jaar geleden sloeg zijn ziekte voor het eerst toe. Bij hem werd een oogmelanoom ontdekt. Laurent moest een oog missen en droeg sindsdien een zwart ooglapje. Statistisch stond vast dat hij na tien jaar nog 50% risico liep dat deze kanker hem fataal zou worden. Hij zat bij de verkeerde helft.

Laurent nam zelf de regie, hij koos voor euthanasie. Niet omdat hij de fysieke pijn vreesde. Die pijn kende hij wel. Veel ondraaglijker was voor hem het schrikbeeld dat hij niet meer volledig helder zou kunnen denken, als de suf makende morfine zijn geest zou aantasten. “Ik wil afscheid nemen van mijn dierbaren op het moment dat ik nog besef dat ik dat doe”, zei hij.

Laurent. Een journalist pur sang. Geprezen om zijn dossierkennis. Gevreesd door degenen die ongewild figureerden in zijn vlijmscherpe analyses of commentaren. Dat waren overigens vooral politici en bestuurders, wier doen en laten door hem als waakhond van de democratie letterlijk met een argusoog werd gevolgd. Laurent was allergisch voor achterkamertjespolitiek, voor onrecht of zaken die zijns inziens niet helemaal zuiver waren.

Tijdens zijn studie journalistiek in het midden van de jaren zeventig werkte hij al als freelancer voor Elseviers Weekblad. Daarna begon hij, als geboren Limburger, bij het Dagblad voor Noord-Limburg. Vanaf 1979 schreef hij, aanvankelijk voor het Brabants Nieuwsblad, later voor BN/DeStem.

Laurent vervulde tal van functies bij de krant, was ook actief lid van de ondernemingsraad en redactieraad, maar bleef toch altijd schrijven.

Bekendheid verwierf hij vooral als provincieredacteur en later als opiniërend en politiek redacteur in Bergen op Zoom.

Onbevattelijk realistisch was Laurent over zijn eigen lot. Tot het laatst was hij daar zeer open over. Schreef hij nog twee verhalen: Eén als vervolg op het eerste uit 2001 over de ziekte die hij zo haatte en een ander over het vak dat hij zo liefhad, de regiojournalistiek. “Ik ben dit lijf beu”, sprak hij. “Ons natuurlijk bondgenootschap is al jaren geleden eenzijdig opgezegd. Ik wil niet meer. Ik wil sterven zoals ik ben. Bij mijn volle verstand.”

Dat deed hij 7 november. Waardig en weloverwogen. Precies zoals hij het zelf heeft gewild.

Johan van Uffelen en Henk Boot

permalink

In Memoriam Markus Meulmeester (1946-2009)

woensdag 26 augustus 2009

‘Heb je gehoord van Markus Meulmeester van de NRC?’, zo ging de mare door de stad via het terras van kunstenaarscafé Timmer in het hartje van Rotterdam. Eerst heerste er ongeloof, tot een resoluut: ‘Dat kan niet waar zijn!’. Maar een geruchtencircuit in een grote stad, is sneller dan welke krant dan ook.

Onze Markus Meulmeester (62) dood?! ‘Die rustige, keurige nette man, nee, dat kon absoluut niet’, zo sprak de bardame. Markus die zojuist per afgelopen juni met de vut was, de sportman, de niet-roker, levensgenieter, kon onmogelijk zijn overleden.

Op die maandag op het terras in de tweede week van augustus stond nog niets vermeld in zijn eigen NRC-krant.

Een telefoontje naar de redactie gaf echter de keiharde bevestiging, onomkeerbaar.

Het bleek later dat hij plotseling, waarschijnlijk als gevolg van een hartstilstand, in zijn Rotterdamse woning was overleden. Meulmeester afkomstig van de krant Het Vaderland in Den Haag, begon in 1981 bij NRC Handelsblad. Eerst als verslaggever, daarna vele jaren als bureauredacteur.

Markus Meulmeester was in allerlei circuits in Groot-Rotterdam een zeer bekende gast. Waar wij echter als collega journalisten ronduit de pest aan hadden, was de elegante manier waarop hij zich in onze inner cirkels bewoog. Als ‘de wandelende krant, de wandelende NRC’.

Zeker twintig jaar geleden begon zijn imago waarin Meulmeester en zijn krant onafscheidelijk werden. Of hij ermee getrouwd was. En of hij nou gekleed was in één van zijn stereotype donkere regenjassen of in een vlot colbertjasje, de NRC met het logo naar buiten stak altijd quasi argeloos uit een van zijn zakken. Het was zijn handelsmerk, waarop hij apetrots was.

En verdomd, als die wandelende NRC kwam aanlopen midden in een persconferentie, opening van een galerie of tijdens een interview, ineens waren alle ogen gericht op Kwatta.

Op Markus van de NRC!

Jarenlang was hij ook onze trouwe reismakker via de Rotterdamse Journalisten Vereniging (RJV). Naar onder meer New York, Sint Petersburg, Shanghai en Havana in Cuba. Met alle journalistieke avonturen van dien. ‘Alleen daarin al was onze Markus onvervangbaar!’

Jim Postma

Lees de volledige necrologie over Markus Meulmeester

permalink

In Memoriam Joop Dorst (1947 - 2009)

woensdag 29 juli 2009

De Goudse fotograaf Joop Dorst is in de nacht van 20 op 21 juli op 62-jarige leeftijd overleden. Hij kreeg het weekeinde daarvoor een bacteriële infectie. Mogelijk dat die hem door te weinig weerstand fataal is geworden. Joop Dorst werd op 17 april 1947 geboren in Gouda. Oudere Gouwenaars herinneren zich misschien nog dat hij enige tijd ambulancebroeder is geweest, maar zijn hart en ziel waren de fotografie. Hij leerde het vak begin jaren zestig bij de fotozaak Hekker – toen aan de Markt gevestigd. De fijne kneepjes werden hem bijgebracht door Pieter van den Berg.

Lange tijd was Joop Dorst dé fotojournalist van Gouda. Vaak eerder dan de brandweer, politie of de ambulance was hij bij rampen. Maar ook voor portretten draaide hij zijn hand niet om.

Hij beperkte zijn werkterrein niet tot zijn woonplaats en omgeving. In het midden van de jaren zeventig was hij bij Paleis Soestdijk, op de dag dat toenmalig premier Den Uyl de uitslag van het onderzoek naar de rol van prins Bernhard bij de Lockheedaffaire bekendmaakte. Dorst daarover in een recent interview: We waren eerst met wel zeventig fotografen. Iedereen ging na verloop van tijd weg. Alleen ik bleef ’s middags over. Eerst liep prins Bernhard door de gang met een glas wijn en een sigaar en even later Juliaantje die met haar hoofd gebogen liep alsof ze dubbeltjes op de grond zocht. De foto kwam in het AD terecht en leverde Dorst de belangrijkste Nederlandse fotoprijs op, de Zilveren Camera.

Het keerpunt in zijn leven kwam in 1981, toen zijn vrouw en kinderen om het leven kwamen bij een auto-ongeluk. Die gebeurtenis heeft zijn leven getekend. Hij hertrouwde, kreeg twee kinderen, maar Joop Dorst werd nooit meer de oude. De drank eiste zijn tol, maar Dorst kon de camera niet loslaten. In april kondigde hij aan te stoppen met de actieve fotografie. Hij werkte nog aan een fotoboek dat volgend jaar moest uitkomen.

Zijn vermoedelijk laatste foto werd vorige week in AD Groene Hart geplaatst, die van een linde op Spieringstraat waarvan de kapvergunning wordt aangevochten.

Ruud F. Witte, verslaggever AD/Groene Hart

permalink

In Memoriam Marcel Bruijns (1943-2009)

maandag 6 juli 2009

Marcel Bruijns werd een paar eeuwen te laat op aarde gezet. De Middeleeuwen zouden hem beter hebben gepast. Grenzeloos avontuurlijk, was hij. Een ontdekkingsreiziger. Zie hem zó voor me als voortploeterende verkenner bij de bronnen van de Witte Nijl.

Marcel was een merkwaardige cocktail van intelligentie en roekeloosheid. Hij maakte talloze boeiende reisreportages en tooide die met z’n prachtige stemgeluid. Maar onderweg moest er ook lol getrapt worden, vond hij. Soms ging een van z’n talloze practical jokes ver over de schreef. In 1980 bijvoorbeeld, toen de internationale AP fotodienst vanuit Beiroet een nieuwe, flamboyant geklede Palestijnse bemiddelaar ‘Abu Sabu’ op het net zette … totdat een oplettende Telegraaf fotoredacteur Marcel’s buitenmodel zegelring opviel.

Marcel was behalve roekeloos ook grenzeloos eigenwijs. Hij overleefde dankzij hoge kwaliteit en puppy-achtige charme. Bij Aktua TV zette ik hem ooit af als Haags redacteur na foute inschatting van een kabinetscrisis. Ik had Marcel gewaarschuwd, toen ik merkte dat hij meer op Gooise terrassen verbleef dan in Den Haag. Mijn kritiek was beantwoord met een arrogant: ‘Mijn bronnen weten me altijd te vinden als er wat is!’

Dus vloog Marcel er uit, zodra hij in de fout ging. Maar niet voor lang. De Tros postkamer werd overspoeld door brieven van het comité ‘Bruijns moet blijven’. Hartstochtelijke epistels vaak. Allemaal handgeschreven … door Bruijns. Uit alle windstreken. Marcel moet dagenlang hebben rondgetoerd langs brievenbussen van Lauwersoog tot Breskens. En vervolgens ging hij op de redactie zelf die post zitten lezen. Trouwe hondenblik als ik langsliep. Ik smolt uiteindelijk voor de schelm.

In de afgelopen maanden hebben Marcel en ik alle wapenfeiten nog eens opgehaald. Jammer dat hij er niet meer is!

Wibo van de Linde,
Oprichter van Avro’s Televizier Magazine en Tros Aktua TV

permalink

In Memoriam Michael Stein (1935 - 2009)

donderdag 2 juli 2009

Michael Stein – de meesterlijke meester-journalist, altijd op zoek, naar nog meer kennis, nog meer feiten, nog meer achtergrond, naar het kleine menselijke verhaal, om het grote en complexe, bevattelijk en beeldend, te kunnen vertellen – is dood. Wat ben ik blij dat ik – ik was toen chef van de redactie buitenland – Michael naar NRC Handelsblad heb gehaald. Voor Michael – misschien moet ik zeggen: voor onze generatie – was leven en journalistiek hetzelfde. Wij moesten altijd hartelijk lachen om jeugdige sollicitanten die het over carrièreplanning wilden hebben.

Kijken naar het grote nieuws door de ogen van de mensen die het beleven. Hun verhalen, daar ging het om. Ze waren allemaal belangrijk, ongeacht aan welke kant zij stonden. Michael behandelde iedere persoon, die hij tijdens zijn talloze reportagereizen ontmoette, even respectvol, liet ieder mens in zijn waarde. Uit opportunisme (immers de mooie verhalen hoor je vooral als men jou vertrouwt), maar zeker ook uit overtuiging. Alleen Michael was het gegeven om, zonder een zweem van neerbuigendheid of ironie, inderdaad respectvol te schrijven over de ayatollah in Qom, die tijdens het gesprek het vuil tussen zijn tenen plukt, dit tussen duim en wijsvinger tot bolletjes rolt om die vervolgens smakelijk weg te smakken.

Kennis, zoveel mogelijk kennis vergaren en deze kennis met de wereld delen door erover te publiceren, was in Michaels perceptie het meest effectieve wapen tegen het kwade. Die overtuiging had natuurlijk alles te maken met zijn jeugd in nazi-Duitsland (geboren in 1935 in het Beierse Schweinfurt) en later, gescheiden van zijn ouders, als onderduiker in Nijmegen. De oorlog is voor Michael nooit echt voorbij geweest. Kennis als zelfbescherming. Dat past ook helemaal in de eeuwenoude Joodse traditie.

Khomeiny keerde uit zijn ballingschap in Parijs terug naar Iran. Michael reisde, als vanzelfsprekend, met hem mee, in hetzelfde vliegtuig! De afgelopen weken kwam de herinnering aan zijn lange reeks indrukwekkende verhalen uit het revolutionaire Iran van 1979 in alle hevigheid terug. Verhalen, altijd veel langer dan afgesproken. Maar zo bijzonder en zo goed geschreven! Niemand kon beter extra ruimte in de krant afdwingen dan Michael.

Het was een feest om met deze bezeten, super perfectionistische, geestige, betrokken, geleerde, wijze, eigenwijze, moeilijke, innemende, veeleisende, tot in de kleinste details geïnformeerde, twijfelende, zelfverzekerde, moedige, onverschrokken, emotionele, stoïcijnse journalist samen te werken. De Jood die het geldbedrag dat hoorde bij de, hem in 1992 toegekende Dick Scherpenzeelprijs, schonk aan de moslims in Bosnië ‘om wapens te kopen’. Dat maakte voor Michael niks uit, het ging bij hem altijd om de mensen, om het recht van ieder mens zich te verdedigen tegen zijn onderdrukker.

Michael was niet alleen een briljant journalist, hij was ook een gedreven leermeester. Van die inzet plukt NRC Handelsblad nog steeds de vruchten.

Donderdag 25 juni overleed Michael in Amsterdam.

Steven de Winter, oud-chef buitenland NRC Handelsblad

permalink

In Memoriam Henk Lokkerbol (1924-2009)

woensdag 24 juni 2009

Henk Lokkerbol overleed onverwacht half juni. De avond voor zijn overlijden was hij nog met zijn echtgenote naar de schouwburg geweest. Een dag later traden er gezondheidsproblemen op die Henk fataal werden.

In 1970 kwam Henk in dienst van het ANP. Daarvoor had hij al een uitgebreide loopbaan bij Trouw achter de rug, onder andere op het terrein van de parlementaire en politieke verslaggeving. Ook voor het ANP vertoefde hij in de jaren zeventig aan het Binnenhof. Privé was Henk actief in de toenmalige CHU (Christelijk Historische Unie), die eind jaren zeventig opging in het CDA. Hij was onder meer lid van de redactie van het CHU-blad ‘De Nederlander’.

In 1979 kreeg Henk de leiding over de totale nieuwsgaring in de sector binnenland van het ANP. Hij ontwikkelde zich tot een nauwgezette regelaar van alle verslaggevende activiteiten, waarvan het resultaat elke dag in een overzicht – de zogeheten ‘nootjes van Lokkerbol’ - aan de eindredactie werd verschaft.

Henk had een bij uitstek collegiale instelling met belangstelling voor iedereen. Bovendien hield hij van een geanimeerde discussie onder het genot van een stevig glas.

Eind 1985 ging hij in de VUT, maar ook na die tijd ging zijn band met het ANP niet verloren. Hij was actief in de vereniging voor gepensioneerden en na vergaderingen van de vereniging ging hij altijd nog even de redactie op om met een aantal bekenden bij te praten

Wim Molog

permalink

Ingrid de Vlugt (1952 - 2009)

woensdag 3 juni 2009

Kwart over vier in de nacht. Ingrid de Vlugt aan een krakende lijn. ‘We moeten echt een stukje maken. Bouterse is weer bezig!’ En meteen volgt er een stortvloed aan feiten in een onmiskenbaar Surinaams accent. Feiten die allemaal naar het ANP-net moeten. En wel meteen. Dat was Ingrid. Altijd scherp, altijd bovenop het nieuws en altijd voorzien van goede bronnen. Onvermoeibaar en een nieuwsjager, nog tot enkele weken voor haar overlijden op 26 mei.

Het ANP had met Ingrid al sinds begin jaren tachtig een zeer betrouwbare en ijverige correspondente in dienst. Gedreven door een sterk rechtvaardigheidsgevoel gestoeld op een diep geloof, fel gekant tegen de onderdrukking van het Surinaamse volk onder Bouterse en ook kritisch op de ontwikkelingen in de moderne Surinaamse samenleving. Ingrid kon er uren over praten.

Tijdens mijn bezoeken aan Suriname rolde Ingrid altijd de rode loper uit. Collegiaal, zoals ook veel van haar Surinaamse collega’s, hielp ze deze bakra op weg. Maar er was altijd een grens. Bij partijbijeenkomsten van Bouterse bleef ze weg. Ze miste nooit het nieuws, maar ze zou geen stap zetten in het partijcentrum van de ex-legerleider. Dat was het terrein van bezoekende ANP’ers en de rest van de Nederlandse pers, die op gezette tijden hun intrek namen in hotel Torarica. Het Nederlandse journaille liet zich wel door Bouterse piepelen en bespelen. Ingrid deed daar niet aan mee. En ik respecteerde die grens.

Ingrid behoorde als medewerker van de staatstelevisie begin jaren tachtig tot de journalistieke opposanten van toenmalig couppleger Bouterse. Ze heeft in 2008 een getuigenis kunnen afleggen in de nog altijd slepende rechtszaak tegen Bouterse en andere verdachten van mensenrechtenschendingen in Suriname.

Ingrid was actief voor onder meer de NPS, Wereldomroep en het ANP. Ingrid ademde journalistiek. Zonder dat ze dat zelf wellicht besefte of wilde toegeven, is Ingrid tientallen jaren lang een belangrijke schakel geweest in de nieuwsvoorziening aan de Surinaamse gemeenschap in Nederland.

De trotse Surinaamse heeft mij liefde bijgebracht voor haar land en voor de Surinaamse bevolking. Ze leerde me ook de opzwepende Latijns-Amerikaanse muziek beter kennen. Ingrid had de grootste cd- en platenverzameling van Paramaribo, zo beweer ik al jaren. Het is vast niet waar, maar veel meer salsa- en andere Zuid-Amerikaanse klanken heb ik nooit elders onder een dak kunnen horen, onder het genot van een Borgoe-colaatje.
Ik zou Ingrid nu graag even wakker willen bellen, zoals zij zo vaak bij mij deed. Alleen om even te vragen of ze haar muziek mee naar boven heeft genomen. Sribi Switi. Slaap zacht.

Patrick Selbach
Chef bij ANP Nieuws

permalink

In memoriam Hubert van Es (1941 - 2009)

woensdag 20 mei 2009

Ruim twee weken geleden, op vakantie in Nederland, kreeg ik een e-mail van Annie van Es, de vrouw van mijn beste vriend in Hong Kong, Hubert van Es. Huub bleek die nacht een zware hersenbloeding te hebben gehad en was in coma geraakt. Op 15 mei overleed hij aan de gevolgen daarvan.

Zijn foto van de desperate rij mensen die proberen een Air America helikopter in te klimmen op een dak in Saigon symboliseerde als geen andere het falen van de Amerikaanse inmenging in Vietnam.

Ik leerde Huub kennen in 1991 toen ik net een jaar in Hong Kong woonde. Ik werd lid van de Foreign Correspondents’ Club en werd aan hem voorgesteld door een collega. Huub woonde daar toen al meer dan twintig jaar en had zijn vaste plaats aan de bar. We waren beiden fotojournalist en Nederlands, dat schepte een band. Ik fotografeerde in die tijd veel in de Filippijnen en Cambodja en werd geïnspireerd door zijn verhalen en ervaringen. Hij volgde de nieuwe lichting brandhaardfotografen nauwgezet. De Balkan-oorlogen wa¬ren begonnen en er vielen veel slachtoffers onder de pers. Volgens hem was het daar gevaarlijker dan in zijn tijd in Vietnam. De neutraliteit van de pers werd toen meer gerespecteerd.

Hij zelf had weinig animo meer om naar een conflictgebied te gaan. De laatste keer dat hij met het idee speelde was in 1998 toen dictator Suharto in Indonesië de macht verloor en de Chinese wijk in Jakarta in brand stond. Hij belde me daar en vroeg of het wat voor hem was. Ik beschreef de situatie, het ergste was eigenlijk al voorbij en hij besloot niet te gaan.

We waren inmiddels goede vrienden geworden. Op Kerstavond en tijdens Chinees Nieuwjaar werden mijn vrouw en ik steevast uitgenodigd. Als het Nederlandse voetbalelftal een wedstrijd speelde ging ik vaak bij Huub kijken. Hij had dan de jenever al koud gezet. Hij voelde als familie.

Na de e-mail van Annie twee weken geleden belde ik haar vanuit Café Scheltema, het vroegere journalistencafé in Amsterdam waar Huub veel kwam voordat hij naar Azië vertrok.

Het is moeilijk voor te stellen dat hij er niet meer is.

Kees Metselaar

permalink

Martin Bril (1959 - 2009)

woensdag 6 mei 2009

Jaren geleden, toen onze kinderen nog op de lagere school zaten, gingen Martin Bril en ik vaak koffie drinken in de koffiebar van het Hilton, tegenover die school. Daar hingen toen trendy rode leren rollen tegen de muur, waarvan niet duidelijk was wat je ermee moest doen. Was het decoratie of meubilair? Je kon erop zitten, maar dan moest je wel een gek sprongetje nemen. Raar, vonden wij. Deden we niet. Soms kwam een andere vader erbij: Theo van Gogh. We dronken lekkere koffie en aten croissantjes, intussen namen we het nieuws van de dag door en keken half naar CNN, dat daar altijd aan stond. Daarna gingen we op pad, naar ons werk, stukjes schrijven.

Martin had toen een kantoor in de stad, en soms fietste ik er langs. Dan riepen we wat tegen elkaar, of ik liep de trap op en bleef even kletsen. Hij kon zo leuk hard lachen, dat deed hij graag en veel. Martin maakte een opgeruimde, onstuimige indruk. Zo was het niet helemaal. ‘Mijn hart is altijd elders’, schreef hij. Zulke mensen hebben het niet makkelijk met zichzelf en soms zijn ze lastig voor hun omgeving. Maar je verveelt je er nooit mee.

Bril werd ziek en een dag na de operatie ging ik op bezoek, met als cadeau een paar rode sokken. Dat interesseerde hem niet. Tijdschriften, blaadjes, die moest ik meenemen. The Atlantic Monthly, de nieuwste New Yorker, en wat me nog meer beviel bij The American Discount. En boeken. Martin was dol op lezen, niemand kon zo enthousiast lezen als hij. Genereus was hij ook: niks leuker dan vertellen over een pas ontdekt goed boek. Hij vond veel mooi. Jane Austen: helder als een belletje. Toergenjev, John McGahern, Simenon. Ik stuurde hem Alan Bennett en hij wees mij op The Long Winded Lady van Maeve Brennan. Over boeken kon je eindeloos met hem praten, en altijd lichtvoetig. Martin deed nooit moeilijk en zwaar op de hand over wat hij wist en wat hij mooi vond.

Zijn mails, met al die enthousiaste verhalen over boeken, liggen in een mapje in een la van mijn bureau, met zijn overlijdensbericht en het programma van de herdenkingsdienst. Ik kijk er maar niet naar. Naar het Hilton ben ik niet meer teruggegaan. Ik zou er nu ook alleen staan, en daar is niks aan.

Liesbeth Wytzes

permalink

Jan Wamelink (1953 - 2009)

woensdag 6 mei 2009

Ruim drie decennia lang maakte Jan Wamelink foto’s voor De Gelderlander. Vrijdag 1 mei overleed hij aan een acute hartstilstand.

Joviaal, zonder uitbundig te zijn. Bezeten van zijn vak en altijd bereid met zijn camera op pad te gaan voor de krant. Het maakte Jan Wamelink in Arnhem en wijde omgeving een graag geziene verschijning. Zijn werk als persfotograaf vroeg erom dat hij veelvuldig vooraan stond. Dat deed hij zonder ooit op de voorgrond te treden. Al bleef hij door zijn markante kop met de karakteristieke snor en zijn rijzige gestalte nimmer onopgemerkt.

Jan Wamelink bewoog zich bij voorkeur op de achtergrond, dat paste beter bij zijn persoonlijkheid: een warme man, loyaal aan de krant en aan wie hem lief was, zonder een oordeel te vellen. Jan Wamelink bekeek de wereld het liefst door de lens van zijn camera.

De manier waarop hij in het leven stond, werd beïnvloed door een groot verdriet: het verongelukken van zijn dochter Lisette in 1995. Samen met zijn vrouw Inge en zijn jongste dochter Marieke bouwde hij aan een nieuw leven.

Ooit was Jan Wamelink timmerman. Zijn belangrijkste timmerwerk was de donkere kamer die hij voor zichzelf bouwde. Die gaf hem de gelegenheid zich bezig te houden met fotograferen. Dat was zijn hobby, zijn passie. Zodra hij de kans kreeg, maakte hij van fotograferen zijn beroep. Eerst voor De Nieuwe Krant, later voor De Gelderlander. In 1994 begon hij zijn eigen fotopersbureau. Duizenden foto’s maakte hij voor de krant. Dat leverde hem prijzen op bij de Gelderse persfoto van het jaar, de Gelderse sportfoto en de Zilveren Camera. Voor zijn werk maakte dat geen verschil; fotograferen deed Jan Wamelink uit liefde voor zijn vak en de krant. En de liefde kwam van twee kanten.

Rob van der Heiden

permalink

Esther Hageman (1957 - 2009)

woensdag 29 april 2009

Esther Hageman had al naam, toen ze in 1994 de Wibautstraat overstak naar Trouw, vanaf de Volkskrant, waar ze op de parlementaire redactie werkte. Ze moest er een geruchtmakende serie bekopen met een zitting voor de Raad voor de Journalistiek, vanwege ‘grievende berichtgeving’ over een adviesbureau dat VROM in zijn greep had (klacht ongegrond).

In de onderwijswereld gold ze als ‘zwaargewicht’, aldus de toenmalige onderwijsvakbond ABOP. Haar deskundigheid gebruikte ze bij Trouw als chef onderwijs, zei ze, ‘soms met een zweepje, soms als kloek’. Onder haar leiding begon de krant in 1997 met Schoolprestaties, waarin de cijfers van de inspectie over de middelbare scholen voor het eerst inzichtelijk werden. De bekroning bij onderwijs was haar boek ‘Een beslissend jaar – Vier seizoenen in groep 8’.

Haar carrière, in 1981 begonnen bij Delta op de Delftse TH, heeft ze bij Trouw voltooid als founding mother van de immense in-memoriam-rubriek ‘Naschrift’. Voor de International Association of Obituarists in 2007 in de VS noemde ze haar taak ‘een verademing. Mensen in de rouw zijn op hun best. Die vertellen wat ze voelen en doen niet aan politiek.’ Zij verdeelde ‘haar’ doden in drie categorieën: ‘A is morgen in de krant (Beatrix), B-doden zijn maar een klein beetje beroemd (de uitvinder van de ballpoint), en C: nooit van gehoord, maar een mooi leven om te beschrijven.’ Lezers op de Trouw-site getuigen van hun ontroering om haar nauwgezette schrijfstijl die nooit te close is maar zo’n onbekende dode toch tot ook jouw dode maken.

Toen ze op 22 april 2009 was aangereden op een fietsvakantie tussen New Orleans en Nashville, op de Natchez Trace Parkway, haalde het ongeluk de Clarion Ledger. Had zij daar zelf in een ‘Naschrift’ misschien een fijne terzijde van gemaakt? Het liefst concentreerde zij zich op de kern van het métier dat zij als weinig anderen verstond: het beschrijven van een mooi leven.

Ze zwoor bij haar prehistorische Mercedes. Op 3 oktober zat ze aan de hutspot van het Leidens Ontzet. Ze droeg nooit formele kleding, behalve toen ze bij een Trouw-lezing door Irene over een colbert bleek te beschikken. Ze hield van en speelde zelf jazz; ze wist alles van de Beatles. Op Paul McCartney’s ‘Penny Lane’ componeerde ze, als CD-cadeautje bij haar afscheid als chef: ‘Geen straat zo lelijk in de hoofdstad als de Wibautstraat’ – en dan zingt haar stem het refrein: ‘O want Trouw zit in mijn hoofd en in mijn huid’.

Joost Divendal

permalink

In Memoriam Wim Koole (1929-2009)

dinsdag 14 april 2009

Maandag 12 april is op 79-jarige leeftijd oud Ikon-directeur Wim Koole overleden in zijn woonplaats Muiderberg. Met zijn dood verliest niet alleen de Ikon, maar de hele Nederlandse televisiewereld één van haar meest gedreven inspiratoren.

In 1964 begon Wim Koole als directeur bij het toenmalige Ikor. Televisie was nog jong in Nederland. De radioafdeling van de kleine kerkelijke omroep bestond al langer en had naast het verzorgen van kerkdienstuitzendingen een weg gevonden naar een bredere, maatschappelijk gerichte programmering. Koole trok die lijn enthousiast door. Zijn opvattingen over theologie en pastoraat wilde hij verbinden met de eigen mogelijkheden van televisie. Die lagen voor hem in het persoonlijke, het dialogische en het verhalende. Die opvattingen leidden in zijn 25-jarig directeurschap tot een lange reeks vernieuwende programma’s. Honderden schrijvers, dramaturgen, regisseurs, acteurs, fotografen, cameramensen en journalisten moeten door Koole geïnspireerd zijn. Een speciaal oog had hij voor nieuw talent dat een kans verdiende.

De dood, in 1982 en 1989, van vijf Ikon-journalisten die neergeschoten werden in El Salvador heeft hem met vele andere collega’s in het diepst van zijn ziel geraakt. Bij Koole riep het de vraag op naar de uiteindelijke zin van televisie maken. Zijn hele carrière lang had hij het medium verdedigd. Tegen domheid, maar ook tegen intellectuelen en moralisten die televisie sowieso weinig krediet gaven. Na 1982 werd de vraag naar de legitimatie existentieel. Het antwoord dat hij voor zichzelf vond lag in het begrip troost.

In de Nederlandse en internationale mediawereld was Wim Koole een even enthousiaste als verbindende figuur. Hij wist waar de beste producten gemaakt werden en haalde die naar Nederland. De IKON kreeg er een Nipkowschijf voor, later gevolgd door de ere-Nipkow die de omroepjournalistiek hem toekende voor zijn integrale werk. Koole was een bruggenbouwer in de wereldorganisaties van levensbeschouwelijke omroepen en producenten. In Nederland stond hij mede aan de wieg van de zender Nederland 3. Niet omdat er zonodig weer een zender bij moest, maar omdat hier een kans lag op een echt kwaliteitskanaal. Op heel veel plaatsen was Wim Koole een aanjager en een bezieler. Hij kon dat doen, en het werd verwelkomd, omdat hij er geen ander belang bij had dan kwaliteitsverbetering. De IKON gedenkt hem met een warm hart en in grote dankbaarheid.

Lejo Schenk,
werkte als programmamaker bij de Ikor/Ikon en was van 1995-2000 algemeen directeur van de Ikon. Thans is hij directeur van het Tropenmuseum in Amsterdam.


Dit is de verkorte tekst van een In Memoriam dat in zijn geheel te vinden is op www.ikon.nl, evenals een filmisch In Memoriam dat op 13 april is uitgezonden op Nederland 2.

Foto: Martine Sprangers/Ikon

permalink

Arvid van der Wolf (1950 - 2009)

woensdag 8 april 2009

Na een korte, heftige periode waarin diepe angsten en uiterste wanhoop zijn verder zo rijke leven opeens overschaduwden, besloot mensen-mens, echtgenoot, vader en journalist Arvid van der Wolf (58) op 31 maart dit jaar de regie over het einde van zijn leven in eigen hand te nemen. Verbijstering, ongeloof, verdriet overheersen maar tegelijkertijd is er het respect, het begrip voor de keuze die Arvid uiteindelijk maakte en die hem bevrijdde.

Al jaren voordat er sprake was van een internationale kredietcrisis hekelde de linkse, vrijdenkende en diepzinnige Deventenaar de vele uitwassen van het kapitalistische systeem. Al jaren voordat tijdschriften als Happinez en (tv) rubrieken als Hart en Ziel opgang maakten, was Arvid van der Wolf – ook journalistiek – bezig met spiritualiteit en verdieping in de breedste zin.

Hij was, hij is en hij blijft mijn beste vriend en collega. Bijna veertig jaar was hij journalist, eerst bij de Zwolse Courant, later bij Kluwer’s Couranten Bedrijf, de Oostelijke Dagbladen Combinatie, Wegener. Honderden, duizenden artikelen schreef hij over beter, ander onderwijs, gezondheidzorg, een rechtvaardiger maatschappij. De laatste tien jaren, werkend op de Nieuwsdienst van de Stentor in Apeldoorn, vertaalde zijn zoektocht naar de zin van het leven zich in interviews met mensen met een bijzondere boodschap.

Bijzonder, dat was ook Arvid zelf: eerlijk, hard soms naar zichzelf en zijn omgeving, maar vooral toch mild, wijs, vol liefde en mededogen. Waar mensen het moeilijk hadden, dook Arvid op, luisterde écht en had een warm woord, een goed advies, zonder oordeel, maar altijd met compassie en betrokkenheid.

Een vakman in verdieping, een mens om zielsveel van te houden, een positief man die je nooit meer vergeet, zo leeft Arvid van der Wolf voort in onze harten en zo steunen wij, mét heel veel mensen, zijn lieve vrouw Gemmy en hun kinderen Melissa, Myrthe en Dagmar. Arvid, wij noemen je naam en zijn je dankbaar, voor altijd.

Nico Hoffer<

permalink

Pim Stoel (1938 - 2009)

woensdag 8 april 2009

Als Jan Lammers een Formule 1-race uitreed en hierin als laatste eindigde, schreef Pim Stoel het als volgt op: ‘Lammers joeg de rest van het deelnemersveld weer bekwaam voor zich uit.’

Een zin die veel zegt over de manier waarop de vrijdag 3 april overleden voormalige sportjournalist van de Haagsche Courant verslag deed. Met gevoel voor humor, met enige ironie en soms met een keihard oordeel. De bestuurders van het IOC en het NOC kregen er in de verslagen van Stoel regelmatig van langs. Als geen ander kon hij, hangend boven de materie, de bobo’s op hun plaats zetten.

Pim Stoel was voor de Haagsche Courant specialist op het gebied van autosport, volgde graag het golf en had bij het beschrijven van de Olympische Spelen geen voorkeuren. Hij schreef over wat op zijn pad kwam. De hippische sport of het boksen waren hem even lief. Hij was er graag als enige Nederlandse journalist bij als er een medaille werd gewonnen. Zijn verhalen schreef hij schijnbaar met groot gemak, maar hij kon uren nadenken over de eerste zin. Stond deze eenmaal op papier dan volgde de rest vanzelf.

Zijn vaak prachtige verhalen vielen op door de details, die hij eerst noteerde in een opschrijfboekje dat hij de hele dag met zich meedroeg. Een enkele keer voegde hij daar een beetje fantasie aan toe. Fantasie die hem later van pas kwam bij het schrijven van het kinderboek ‘De roze en de witte kabouter’. Een zin die Pim Stoel wel eens gebruikte om iemand te kenmerken was: ‘Hij is een bijzonder exemplaar van het verschijnsel mens.’ In feite gold dat eveneens voor de Wassenaarder die in zijn journalistieke loopbaan ook voor Het Handelsblad en Het Parool werkte. Hij was al enige tijd ziek en leed aan kanker. Pim Stoel is 71 jaar geworden.

Dennis Mulkens

permalink

In Memoriam Bart Makken (1957-2009)

woensdag 11 maart 2009

In zijn woonplaats Antwerpen overleed Bart Makken aan de gevolgen van kanker. Hoewel hij de laatste tijd fysiek sterk was verzwakt, is zijn geest tot het allerlaatst helder gebleven.

Bart was een journalist van de oude stempel. Het heeft hem moeite gekost om van de schrijfmachine over te stappen op de computer. Maar het is hem gelukt. Van GSM’s heeft hij echter nooit iets moeten weten. Hij noemde de dingen debieltjes. Ook van cassetterecorders was hij wars. Hij had die niet nodig. Joop van der Donk herinnert zich: ‘Toen ik werkte als woordvoerder voor Anton Westerlaken bij ’s Heerenloo, kwam Bart met hem spreken voor een artikel over het 100-jarig bestaan van de zorginstelling te Druten. Bart is gekomen, heeft anderhalf uur met Anton gesproken zonder ook maar een notitie te maken. Anton vroeg zich af wat dit voor wonderlijke werkwijze was en wat dat zou worden. Maar: binnen een week hadden we een goed artikel dat de hoofdzaken beknopt en adequaat weergaf. Geen commentaar, plaatsen maar.’

Behalve correspondent België voor De Journalist was Bart eerst en vooral kunstrecensent. Hij schreef voor Elsevier, Katholiek Nieuwsblad, Kerk + Leven, De Morgen, NRC/Handelsblad, Openbaar Kunstbezit, Het Parool, De Standaard en Streven. Hoewel hij vond dat de mensen bij die gelegenheden de kunst maar in de weg liepen, liet hij zich omwille van de gezelligheid en de biertjes niet weghouden van vernissages.

Hij had een zwierige, vaak met onderkoelde humor doorspekte, schrijfstijl waarmee hij de lezer een helder beeld van zijn onderwerp wist te schetsen. Zijn voorkeur ging uit naar de klassieke kunst. Kerkelijke kunst had zijn bijzondere aandacht. Hij wist daar ook zeer veel van. Wat recente artistieke ontwikkelingen betrof: eigenlijk, éigenlijk was alle kunst van na de Gouden Eeuw naar zijn smaak verdacht modern. De laatste tentoonstelling waarover hij zijn licht liet schijnen was er een over monstransen, in het Antwerpse Diamantmuseum nabij zijn huis. De beschouwing die hij daaraan wijdde verscheen in het Katholiek Nieuwsblad van vrijdag 27 februari 2009, de dag waarop hij zijn laatste adem uitblies.

Bert Bevers

permalink

Anton van Munster (1934-2009)

woensdag 18 februari 2009

Anton van Munster, jarenlang de vaste cameraman van filmmaker Bert Haanstra, is in de nacht van dinsdag 10 op woensdag 11 februari overleden. Van Munster overleed op 74- jarige leeftijd in het Tergooiziekenhuis Blaricum. Anton van Munster maakte samen met Bert Haanstra onder meer Bij de Beesten Af en Alleman, die beiden werden genomineerd voor een Oscar. In december 2008 werd hij benoemd tot Ridder in de orde van Oranje Nassau.

permalink

Ruud van Houwelingen (1935-2009)

woensdag 18 februari 2009

Ruud van Houwelingen, oud- journalist van het Rotterdams Dagblad, is na een lang ziektebed overleden. Hij werkte naast het Rotterdams Dagblad ook voor de huis-aan-huisbladen Groot Vlaardingen en Het Nieuwe Stadsblad.

permalink

Dirk Buwalda (1947-2009)

vrijdag 6 februari 2009

Je had geluk als je met Dirk Buwalda op reis mocht. Twaalf uur in een vliegtuig naar Afrika, 24 uur in een auto onderweg naar Scandinavië of Schotland, vier dagen over hobbelige zandwegen in Malawi , uren lang filosoferen over de wereld, over vrouwen, over de liefde, over kunst, over literatuur, over wijn, over eten, over fotografie. Dirk had afgewogen meningen over de wereld om hem heen, de wereld die hij bekeek, vastlegde met zijn camera, levend maakte met zijn teksten, een wereld waarover hij uren kon vertellen.

Dirk de toeschouwer, die gevoelig was voor echte emoties , ze vast probeerde te leggen in zijn werk. Dirk de denker, voor wie elke foto een gedicht of een schilderij moest zijn. Dirk de schrijver, die zijn woorden koos als een kok zijn ingrediënten. Dirk de regisseur, die de wereld om hem heen graag zelf wilde vormgeven. Een leven, samengevat in drie boeken, zoals hij het zelf kort voor zijn dood uitdrukte. Hoogtepunten uit een indrukwekkend oeuvre.

Buwalda’s carrière begon bij Panorama. Hij reisde over de hele wereld. Voor Holland Herald en Plan International. Hij legde jarenlang elke beweging vast van het Nederlands Danstheater. Hij maakte indrukwekkende reportages, onder meer na de nieuwjaarsbrand in Volendam. Materiaal waarmee je een boekenkast kunt vullen, een boekenkast boordevol bewondering, verbazing en respect. Buwalda’s persoonlijkheid en karakter spreekt uit elke foto die hij heeft gemaakt. Zijn respect voor andere mensen, vooral de kwetsbaren in de samenleving. Zijn gevoel voor esthetiek. Bij Dirk lag het bestek naast je bord altijd in het gelid. Hij maakte zich er nooit makkelijk van af. Dirk regisseerde tot het laatste moment. Hij laat een oeuvre boordevol verhalen na. Dirks verhalen.

Het werk van Dirk Buwalda is meermalen tentoongesteld op het Fotofestival Naarden, in Muziektheater Amsterdam, Saitama Art Gallery, Tokio.

Dirk Buwalda won negen keer de eerste prijs bij Zilveren Camera in de periode 1982-1997; tweede (1979) en derde prijs (1997) bij World Press Photo. Hij kreeg de Lucas Ooms Fonds prijs in 1978, en Stichting Slachtofferhulp/Canon prijs in 2003.

Sak van den Boom

permalink

Pierre Huyskens (1931-2008)

woensdag 3 december 2008

‘Hans, ik beloof je de mooiste dag van je leven’, zegt ceremoniemeester Pierre Huyskens tegen een fabrieksdirecteur op de ochtend van zijn zilveren jubileumdag: ‘Maar eerst schrijf ik nog een column voor het AD.’ Pfff…Hans is even geprikkeld. In een handomdraai bedient Pierre de krant en weet hij snel de stemming van Hans om te buigen die zijn beloofde glorieuze dag krijgt. Zo koppelt Pierre zijn vakmanschap als schrijver moeiteloos aan zijn talent als spreker en entertainer. Zijn aanwezigheid is soms al voldoende.

Zijn levensloop eindigt op woensdag 19 november 2008. Pierre Huyskens overlijdt op 77-jarige leeftijd in het hart van Roermond, de stad waarvan hij sinds 2001 ereburger is. Tijdens de uitvaartdienst citeert wethouder en persoonlijke vriend Jos van Rey zijn reactie op het ereburgerschap, ‘Ik ben er apetrots op!’ En omgekeerd is de stad trots op Pierre, architect met woorden als bouwstenen, indachtig die andere Pierre uit Roermond, de grote bouwmeester.

Verbijsterend veel columns en opiniestukken zijn uit zijn gouden pen gevloeid, in een taal die tot ieders verbeelding spreekt. Vanuit bekende en onverwachte hoeken duiken ontelbare teksten op. Creatieve hoogstandjes in dag- en weekbladen, die zijn pennenvruchten dankbaar oogsten. Teksten ook voor Limburgse producties, musicals, revues en zowaar een heilige mis in het Maaslands dialect. Zijn stem klinkt ook in het radioprogramma ‘Kom eens langs’ van Karel Prior. Velen profiteren van zijn talent als scribent en spreker. Schnabbels gaat Pierre niet uit de weg. Goed betaald, vaker ook onbezoldigd.

Zolang als het hem gegeven is, geniet hij een Bourgondisch leven, en laat daar iedereen volop van mee genieten. Zonder onderscheid naar rang of stand. Ook in de carnavalswereld is hij een boegbeeld, beloond met het eremetaal van de Gulden Humor.

Van een andere orde is zijn ridderschap in de Orde van Oranje-Nassau. Met een passend draaginsigne voor officiële gelegenheden. Hét jaarlijkse moment is voor Pierre de herdenking bij het Nationaal Indië-monument waar hij de herdenking leidt. Zijn woorden klinken daar nog na, als muziek die naar de hemel stijgt. Onvergetelijk is zijn declamatie op 7 september 1996, opgedragen aan wijlen de trompettiste Monique Garretsen, slachtoffer van de Herculesramp die het jaar daarvoor nog de Last Post in stadspark Hattem heeft geblazen.

Als Pierre in 2000 een fysieke opdonder krijgt, komen zijn geestelijke inspanningen voor zijn doen op een laag pitje te staan. Zijn zwaarste tegenslag heeft hij dan al het hoofd moeten bieden: het verlies van zijn Gerrie in 1992. In dat besef weten zijn kinderen Sabine en Nathalie en zijn latere metgezellin Nono hem toch levensvreugde te geven.

Door ziekte boeten zijn krachten in en de energie om te schrijven begint na te laten. ‘Het komt er aan’, zegt hij begin november nog aan tafel één van zijn pleisterplek café-restaurant Munsterhof aan ‘zijn’ Munsterplein. Bedoelt Pierre als oud-stadsprins carnavalsdatum de elfde van de elfde? Of doelt hij op zijn naderende einde? Een week later, komt het antwoord. De aimabele bon vivant Pierre valt voorgoed in slaap. Het is stil in Roermond.

René Roosjen

permalink

Cor van de Poel (1924-2008)

dinsdag 16 september 2008

Vlak voor zijn overlijden in het BovenIJ ziekenhuis in Amsterdam haalden we herinneringen op. We zijn van verschillende generaties, maar delen de vriendschap met Cor en leerden allebei het vak van hem.

Cor was een typische journalist van zijn generatie. In die tijd was de pers net zo verzuild als de rest van de samenleving. Geëngageerd, 24 uur per dag journalist. Het diner (tevens ontbijt) gebruikte hij ’s nachts op De Kring en onderhield er warme contacten met ‘De Vijftigers’ en notoire ‘mede-innemers’ als Jan Vrijman en Gerrit Kouwenaar. Daarna las Cor de kranten voor zijn dagelijkse Vara-radiorubriek ‘Van de Voorpagina’, die rond zeven uur ’s morgens werd uitgezonden.

Cor begon in 1946 bij voormalige verzetskranten als De Waarheid en de Vrije Alkmaarder. Later werd hij chef-buitenland bij Het Vrije Volk. De krant had 43 edities en Cor zag alle uithoeken van het land. Zo belandde hij 1956 in Vlaardingen, waar hij een korte periode voorzitter is geweest van een commissie betaald voetbal.

Het Vrije Volk - hij werkte er tot de ondergang van de ‘Rode Burcht’ aan het Amsterdamse Hekelveld in 1970 - bleef altijd zijn krant. De verhuizing naar Rotterdam wilde hij niet meer meemaken.

Tussen 1963 en 1979 was Cor verbonden aan De Journalist, als redacteur, columnist en hoofdredacteur. Gerard Schuijt, toenmalig secretaris van de NVJ, herinnert Cors’ verstandige inbreng bij bestuursvergaderingen. We horen Cor zeggen: “Laten we het nog eens drastisch in studie nemen.” Levenskunstenaar Cor was zeer erudiet.

Begin jaren tachtig was hij - uit onvrede met de fusie van twee regionale kranten - medeoprichter van De Vrije Westfriese Krant en werd er hoofdredacteur. De krant ging op de fles, maar bleek een broedplaats van jong journalistiek talent. In Radio Noord Holland zag Cor later een nieuwe kans een bijdrage te leveren aan de pluriformiteit van de regionale media. Hij trad er op in het journalistenforum en was lid van de adviesraad. En dan hebben we het nog niet gehad over ‘Achter het Nieuws’, de tv-recensies voor De Leeuwarder Courant en zijn redacteurschap bij Mies’ In de Hoofdrol. Opgeteld kennen we Cor samen ruim 70 jaar. Het is niet genoeg om alle facetten van zijn betekenis voor de journalistiek hier samen te vatten.

Jos Schneider en Robert Vinkenborg

De crematieplechtigheid vindt plaats op zaterdag 20 september om 11.00 uur in crematorium De Nieuwe Ooster, Kruislaan 126 te Amsterdam. Aansluitend is er gelegenheid tot condoleren.
Correspondentieadres: A.E. Kruiskamp, Hildsven 156, 1025 MG Amsterdam

permalink

Ad Molendijk (1946-2008)

donderdag 28 augustus 2008

De Dordtse nieuwsfotograaf Ad Molendijk is maandag 25 augustus op 61-jarige leeftijd overleden. Molendijk, op 24 november 1946 geboren in Dordrecht en klassiek geschoold op de Haagse fotoacademie, begon zijn loopbaan in zijn woonplaats, als bruidsfotograaf bij Foto Barten. Al vrij snel werd hij overgehaald om de vaste fotograaf te worden van de Dordtse editie van Het Vrije Volk. Hij ontwikkelde zich tot een van de beste persfotografen in de regio Zuid-Holland-Zuid, zo niet de beste. Ook voor het Rotterdams Dagblad, de opvolger van het gesneefde Vrije Volk, heeft Molendijk zich nog jarenlang ingezet. Altijd is hij freelancer gebleven; tegenover opdrachtgevers, zoals de gemeente Dordrecht, betoonde hij zich onvermoeibaar loyaal en betrouwbaar. Hij wisselde zijn rusteloze bestaan als beroepsfotograaf, dat hij drie decennia volhield, af met een parttime dienstverband bij het Dordtse Stadsarchief, waar hij met zijn fotografisch geheugen, zijn grote kennis van Dordrecht en onbetwist vakmanschap bijdroeg aan een lange reeks boeken en publiekstijdschriften. Ad Molendijk deugde voor z’n vak.

Gert van Engelen

permalink

Diny van de Manakker (1947-2008)

vrijdag 8 augustus 2008

Op 5 augustus 2008 overleed Diny van de Manakker. Ze was twintig jaar lang eindredacteur van het VN-kleurkatern en stond onder andere samen met oud-hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse aan de wieg van de nog altijd zo succesvolle VN’s Detective & Thrillergids. Ze was tevens initiator en hoofdredactrice van het in 1997 opgerichte J/M Magazine.

Het is nu nauwelijks voor te stellen, maar in 1977 was het een spannend journalistiek avontuur: een weekblad met een los bijgevoegd kleurenmagazine. En Vrij Nederland dat tot dan toe in zwart-wit en op krantenformaat verscheen, ging dat avontuur aan. In een extra kleurenbijlage zou er plaats zijn voor gerenommeerde fotojournalisten en een nieuwe vorm van researchjournalistiek (en natuurlijk ook voor extra advertenties). En voor zo’n magazine was een ervaren eindredacteur van levensbelang.

Diny van de Manakker werkte bij Nieuwe Revu, ze solliciteerde en werd aangenomen. Ze viel op tussen zo’n honderd geïnteresseerden. Tijdens haar sollicitatiegesprek schepte de VN-redactie tegenover haar op over alle interessante en spraakmakende artikelen die ze gingen maken voor kleurkatern nummer 1.
‘Dat is fantastisch,’, antwoorde Diny. ‘En wat komt er in nummer twee?’
Het bleef stil.
Dáár hadden de VN-krantenjongens nog niet aan gedacht.
Diny schudde zorgelijk haar hoofd. En dat gaf de doorslag. Diny was de vrouw die wist hoe het moest. En ze was nog mooi ook.

Ineens besefte iedereen dat het maken en de eindredactie voeren van een magazine een echt specialisme is.

Dat specialisme beheerste Diny, al liet ze zich daar nooit op voorstaan. Mede door haar werklust, creativiteit en vindingrijkheid konden schrijvende redacteuren gloreren en werden sommige kleurendossiers zelfs journalistieke klassiekers zoals De stacaravan en Sport in de oorlog. ‘Een goede eindredacteur is net zoiets als een ouderwetse huisvrouw’ vond ze. ‘Ze doet heel veel, maar dat valt dat niet op. Pas als ze er niet meer is, stort een huishouden in.’

Diny van de Manakker was niet alleen verknocht aan VN, maar ook aan het bedrijf, de Weekbladpers. Toen de directie Tijdschriften een oproep deed aan de medewerkers om mee te denken over nieuw uit te geven bladen kwam ze met haar plan voor een tijdschrift voor ouders en kinderen en ‘won’. Ze mocht haar maandblad gaan maken. Van eindredacteur bij VN werd ze in 1997 benoemd tot hoofdredacteur van J/M Magazine. Opnieuw bleek hier haar kracht. Ze kon in 1998 op het eerste Tijdschriftengala de prestigieuze Mercur in ontvangst nemen voor de lancering van het beste blad van dat jaar.

Maar ook aan mooie liefdes komt een eind, soms zonder dat je dat zelf wil. Na nog enkele avonturen met de nieuwe media (o.a. het pionierswerk voor de website voor VN) verliet Diny in 2000 de Weekbladpers. Ze stortte zich daarna met al haar energie in het boekenvak. Ze werkte als senior editor de afgelopen jaren bij uitgeverijen Meulenhoff en De Boekerij (nu: Meulenhoff/Boekerij).

Marian Husken

Diny van de Manakker in 1984. Foto: Willem Diepraam

Dit In Memoriam werd eerder gepubliceerd op de website van Vrij Nederland.

permalink

Frans van den Mosselaar (1949–2008)

vrijdag 8 augustus 2008

Wat zeker op het conto van Frans van den Mosselaar moet worden geschreven, is dat hij van communicatie een ambacht heeft gemaakt. Een vak dat zich heeft waargemaakt met resultaten en zich moest ontdoen van franjes, titels als kerstboomverlichtingen, auto’s die net zo glommen als de ego’s en adviseurs die meer adviseerden dan deden.

Zijn opvattingen over het vak waren het resultaat van een nuchtere kijk op het leven en de journalist die hij van huis uit was: elke dag informatie produceren die er voor de lezers toe deed. Adviseren bij een communicatieadviesbureau was voor Frans – zeker in het begin – een variant op journalistiek bedrijven. Hij kon zich in korte tijd een onderwerp – hoe ingewikkeld ook – eigen maken en de kern van een probleem blootleggen. Het gebeurde vaak dat hij tijdens een kennismakingsgesprek al begon met adviseren. Collega’s hielden hun hart vast door de overtuiging waarmee hij dat deed. Was die zekerheid wel terecht en verstandig? Het antwoord was altijd ‘ja’. Want, ongeacht het onderwerp, Frans was in korte tijd een goed geïnformeerde specialist.

Achteraf is nooit te achterhalen of de komst van iemand een ontwikkeling in gang heeft gezet of dat zo iemand precies op het juiste moment kwam. Frans heeft ontegenzeggelijk invloed gehad op de kentering bij Van Luyken van een naar anarchisme neigend collectief van jonge honden naar een meer gestructureerd en georganiseerd bureau. Niet iedereen was ervan overtuigd dat die omslag noodzakelijk was. Het was de clash tussen creativiteit en degelijkheid. Van een bureau dat niet gewend was offertes te maken (‘Dat doen alleen loodgieters. Als klanten ons niet vertrouwen, dan gaan ze maar’) naar een bureau dat afgerekend werd op resultaten en prestaties. Voor Frans was dat heel vanzelfsprekend.

De grote verdienste van Frans is dat hij bij een aantal opdrachtgevers heeft meegewerkt aan een doorbraak in reputatie en acceptatie. Als een echte missionaris droeg hij de overtuiging van opdrachtgevers uit. Tegelijkertijd bleef hij de adviseur met veel gezag die op afstand stond, de ogen niet sloot voor negatieve ontwikkelingen en het handelen van opdrachtgevers kritisch bleef volgen. De klant is koning, maar de koning heeft niet altijd gelijk.
Frans heeft de farmaceutische industrie een geaccepteerde positie gegeven in een onmogelijk krachtenspel van bedrijfsleven, politiek, overheid, gezondheidszorg, patiënten en publieke opinie. Hij heeft meegeholpen om van de maag-darm-leverartsen een goed georganiseerde beroepsgroep te maken die erkenning heeft gekregen als hoogwaardige specialisten. Frans schuwde de confrontatie niet als hij de overtuiging had dat hij adviseerde voor een rechtvaardige zaak. Hij heeft met een geduld dat we niet van hem gewend waren de Stichting Informatie Dierproeven van de grond gekregen. De adviseur als bestuurslid die niet alleen partijen zocht om een realistisch beeld van dierproeven uit te dragen. Maar ook partijen die voor de belangen durfden te staan en geld wilden investeren in meer acceptatie.

Het typeert Frans dat hij het dramatische overlijden van zijn dochter Saskia in 1991 mede heeft verwerkt door een gepassioneerde bijdrage te leveren aan de SIRE-campagne over rouwverwerking. De adviseur die zijn ervaringen doorgeeft als vader die een wreed onrecht was aan gedaan.

Frans is voor veel adviseurs bij Van Luyken een leermeester geweest. Of je hem goed vond, hangt af van hoe je wist om te gaan met een dominante vakman. Met zijn opvattingen over discipline, zorgvuldigheid, loyaliteit aan klanten, werktempo en declarabiliteit. Over het vak viel met hem te discussiëren en hij stond open voor ideeën en kritiek. Over de manier van werken niet. Toen Frans net bij Van Luyken werkte en nog niet in Haarlem woonde, nodigde een collega hem uit om ’s avonds te komen eten. Toen hij het kopje koffie op had, vroeg hij of hij even de schrijfmachine mocht gebruiken, want hij moest nog een verhaal maken. De rest van de avond was hij aan het werk. Frans ten voeten uit.

Wie hem in zijn laatste weken bij Van Luyken Communicatie Adviseurs heeft meegemaakt, zag dat hij, vijfentwintig jaar later, in niets was veranderd. Onvermoeibaar, tot het laatste toe betrokken, droeg hij zijn werk over en liet zijn klanten kennismaken met hun nieuwe adviseur. Wat zullen bureau en opdrachtgevers hem vreselijk missen.

Loopbaan

Frans van den Mosselaar begon zijn loopbaan als dagbladjournalist bij het Noordhollands Dagblad en de Twentsche Courant. Hij vervulde van 1980–1982 de functie van voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

In 1983 maakte hij de overstap naar de ‘andere kant’. Hij kwam als communicatieadviseur in dienst van Van Luyken PR en PA Consultants. In 1990 volgde zijn benoeming tot directeur van vestiging Nederland. In de periode 1995-1998 was hij vice-voorzitter van Stichting Ideële Reclame (SIRE).

In 1996 werd het bureau omgevormd tot Van Luyken Communicatie Adviseurs. Van meet af aan behoorde Frans van den Mosselaar tot de vennoten van deze maatschap. Sinds 2006 vervulde hij de functie van voorzitter van het Dagelijks Bestuur.

Jaap de Jong,
kwam in 1981 als senior adviseur bij Van Luyken PR en PA Consultants. Hij was tot 2007 een van de vennoten van de uit het bureau ontstane maatschap.

permalink

Gerard Legebeke (1954-2008)

donderdag 7 augustus 2008

Nederland telt niet meer dan een handjevol onderzoeksjournalisten met een smetteloze reputatie. Gerard Legebeke (54) was een van hen.

Hij zocht onvermoeibaar naar feiten. Maar nooit vanuit een vooringenomen stellingname. Hij heeft dan ook – een zeldzaamheid in zijn vak – bij mijn weten nooit hoeven rectificeren.

Zes jaar geleden ontmoette ik Gerard voor het eerst – ik kende hem al van reputatie. Een doorbijter!

Bij die eerste ontmoeting was ik sollicitant. Gerard zat in de aanstellingscommissie. Hij voldeed aan mijn ergste verwachtingen: een doordringende blik, de ogen een beetje toegeknepen, al mijn woorden wegend op zijn goudschaaltje. En steeds als ik dacht dat ik nu wel genoeg gewogen was, had hij toch nog een vraag.

Ik heb de wijze waarop Gerard mensen aan de tand voelde later vaak bewonderd. Vasthoudend, geduldig luisterend, maar altijd, hoe volledig de uitleg ook was geweest, kwam er weer een vraag. En die was altijd to the point. Vooral bij Hoog Geplaatsten hoorde je aan hun stem dat de woede toenam als zij, feilloos geleid door hun interviewer, een fuik inzwommen die zijzelf gevlochten hadden.

Toch maakte Gerard niet veel vijanden. Zelfs mensen wier carrière door zijn onthullingen geschaad werd, bleven hun deur voor hem openhouden. En van de redactie van Argos was hij het hart, de spil en de aanjager. Een aardige man – ik weet er geen betere typering voor.

Dat ik destijds werd aangenomen als eindredacteur van De Ochtenden beschouw ik nog steeds als het mooiste compliment dat Gerard mij had kunnen maken. Want het was zíjn programma, hij had, samen met collega’s van EO en VARA, het format uitgedacht en hij had er zelf leiding aan gegeven. Naast zijn andere werk. Toen dat andere werk, als onderzoeksjournalist en als eindredacteur van Argos, niet meer te combineren viel met die nieuwe verantwoordelijkheid, stopte hij als baas van De Ochtenden. Want Argos was zijn biotoop – daar wilde en kon hij geen afstand van doen.

Gerard was hopeloos verslaafd aan veel hooi op zijn vork. En hij zocht voortdurend grenzen op, ook zijn eigen fysieke grenzen. Hij hield van radio. En hij hield nog meer van de waarheid – iedere dag opnieuw moest onderzocht worden of de waarheden van de vorige dag nog klopten. Gerard was historicus en wist dat geschiedenis steeds opnieuw geschreven moet worden. Ook jaren nadat zaken uit de publiciteit waren verdwenen, verdiepte hij zich opnieuw in details en vond en onthulde hij nieuwe feiten. Zelf was hij vooral trots op de consequente aandacht die Argos aan Srebrenica bleef besteden, ook nadat anderen zich te makkelijk neerlegden bij de conclusies uit het lijvige rapport dat het NIOD daarover publiceerde. Gerard las iedere letter, onderzocht iedere conclusie – en was toen hij op vrijdag 1 augustus dood van zijn fiets viel daar nog altijd niet mee klaar.

Het is bittere ironie dat Gerard overleed aan de vooravond van een nieuwe, luchtiger programmering van Radio 1 die de zender weer op moet stoten in het Rijk der Luistercijfers. Vanaf eind augustus wordt Argos als gevolg daarvan niet meer op woensdag en op vrijdag uitgezonden, maar alleen nog op zaterdag. Gerard was verdrietig over die verhuizing – vooral op vrijdag had Argos in de loop der jaren een eigen publiek verworven, dat het programma hoog waardeerde. Nu moet er op een andere dag en in een andere context een nieuw journalistiek programma van dezelfde inhoudelijke kwaliteit opgebouwd worden. Ondanks zijn verzet tegen die verhuizing, zat Gerard al vol nieuwe ideeën voor dat nieuwe programma. Want zijn principes deden hem nooit de realiteit uit het oog verliezen. En hij had voldoende flexibiliteit om zich aan te passen, als het werkelijk niet anders kon. Hij kwam tenslotte uit een degelijk katholiek nest. Daar had hij wel geleerd dat je jezelf nooit voor één gat moet laten vangen.

Gerard Legebeke laat een partner en twee jonge kinderen achter.

Kees Schaepman
Hoofdredacteur VPRO Radio

Foto: Stefan Heijdendael

permalink

Ton Cuppen (1924-2008)

maandag 28 juli 2008

Na lang met zijn gezondheid te hebben getobd stierf dinsdag 22 juli, 83 jaar oud, maar in het volle bezit van al zijn geestkracht, de journalist Ton Cuppen.

Het langst is hij verbonden geweest aan het katholieke dagblad De Tijd, aanvankelijk als redacteur sociale economie, standplaats Den Haag, en tenslotte als (mede-)hoofdredacteur, van 1965 tot 1973. Dat hoofdredacteurschap heeft hem de meeste kopzorgen gegeven. Financieel ging het slecht met de krant en geregeld was er rumoer in de kudde abonnees rond problemen van kerk en samenleving. In verband daarmee deed zich het voor de krant fatale verschijnsel voor dat het vertrek van oude abonnees niet door een toestroom van nieuwe werd gecompenseerd.

Cuppen moest aanvankelijk samenwerken met de niet gemakkelijke Van der Kallen, die al geruime tijd als hoofdredacteur zetelde. Later werd hem het medehoofdredacteurschap van Joop Lücker door VNU (de moederonderneming) opgedrongen, omdat men in deze ras courantier een reddende engel zag die voor soortgelijke wonderen kon zorgen als hij eerder bij de Volkskrant had verricht. Over de onderlinge verhouding van de twee hoofdredacteuren heeft men geen van beiden ooit horen juichen. Dat de journalistieke kwaliteit van De Tijd bij dat alles op peil bleef, was behalve aan de ijver van de redactie vooral te danken aan de kwaliteit van Cuppen.

Onder zijn inspiratie kwam een plan tot stand om structuur en inhoud van de krant zodanig te veranderen dat achtergronden en meningsverscheidenheid meer aandacht zouden krijgen dan de feiten van de dag. Dat plan werd door vriend en vijand aanvaard. Niettemin leek het Cuppen beter zijn heil elders te zoeken. Hij werd hoofdredacteur van de Spectrum encyclopedie. Eind jaren ‘70 keerde hij terug naar de dagbladjournalistiek en wel als redacteur/commentator bij NRC Handelsblad.

Waardoor zal Cuppen het meest in de herinnering blijven? Door wat zijn grote talent was: scherpzinnig en geestig schrijven.

Herman van Run

permalink

Bert Klei (1924 – 2008)

maandag 28 juli 2008

Op mijn eerste dag bij Trouw, herken ik van achterin de menagerie vol nog slapende Atex-beeldschermbakbeesten het kabaal van een Adler. De hens aan de wagen, het belletje, de geur van de inkt: het is dezelfde typemachine als mijn vader heeft. Ik zie imponerende bakkebaarden, het overhemd half open en een bril met jampotglazen. ‘Bert Klei’, stelt hij zich voor, ‘en jij bent katholiek want de zoon van’ – en hij noemt de naam van mijn vader, journalist in catholica. Het is 1989 en natuurlijk ken ik Klei, maar dan met A.J. ervoor, zijn columnistennaam. Hij is op het hoogtepunt van zijn faam, of het dieptepunt, naargelang de lezers verdeeld zijn tussen realo’s en fundo’s in reformatieland. Daaromheen bevindt zich een kring van bewonderaars, agnosten die Klei’s schrijverij over ‘de dolende domineesdochter’ en ‘de vrijgemaakte vriendin’ zien als anekdotiek; naast liefhebbers die de taalvirtuoze Klei vergelijken met groten als Simon Carmiggelt. De tale Kanaäns, letterlijk en figuurlijk, beheerste Bert Klei tot in de tittels en jota’s. Op ironische wijze belichtte hij de turbulente ontwikkelingen in kerkelijk Nederland.

Zijn eigenzinnigheid stond ernstige journalistiek niet in de weg. In 1948 bij Trouw gekomen als leerling-gezel werd hij, op de Nieuwezijds en later aan de Wibautstraat, redacteur en nadien jarenlang chef kerkredactie. Hij plaveide het pad voor de professionele benadering heden ten dage door de redactie religie & filosofie, van hele of halve gelovigen (van katholiek tot ietsist, Klei raadde het blind): in een tijd van ontkerkelijking én groeiend fundamentalisme geen sinecure.

Zijn slechte ogen speelden hem parten in het oprukkende computertijdperk. Met de te vroeg ingetreden ouderdom verduisterde zijn adelaarsblik. Nu hij is overleden, woensdag 23 juli op zijn 84ste verjaardag, moeten we het doen met zijn columnbundels. Bij het pleidooi van Paul Arnoldussen in Het Parool voor een bloemlezing in dundruk, met voetnoten voor de heidenen onder ons, sluit ik mij van harte aan.


Joost Divendal

Foto: Werry Crone/Trouw

permalink

Roberto Palombit (1952-2008)

vrijdag 25 juli 2008

Op vrijdag 11 juli overleed voormalig OOR-redacteur Roberto Palombit, slechts 56 jaar oud. De in Italië geboren Palombit schreef vanaf 1975 voor OOR, waar hij al snel deel uitmaakte van de redactie. Daarin viel hij op door zijn nuchtere benadering en zijn liefde voor technisch verzorgde muziek. Roberto was de man voor artiesten als Steely Dan, Stevie Wonder en Frank Zappa. Ook de jazzrock van Stanley Clarke, Jaco Pastorius en Weather Report behoorde tot zijn specialismen.

Dankzij zijn grote repertoirekennis en inzicht in het functioneren van muziek wist hij gesprekken met lastig te interviewen muzikanten tot een goed einde te brengen. Het leverde Roberto veel respect op van de lezers, maar zeker ook de collega’s in de media en de muziekindustrie.

Achter de schermen was Roberto Palombit een beminnelijke man, die geanimeerd kon vertellen. Zijn voorliefde voor muzikaal vakmanschap was eenvoudig te verklaren uit zijn achtergrond als uitvoerend muzikant. Voordat hij bij OOR kwam werkte maakte hij met de rock ‘n’ roll groep Killer, een afsplitsing van Long Tall Ernie & The Shakers, diverse platen. Zijn voorkeur voor het ambacht maakte ook dat Palombit in de vroege jaren tachtig OOR verruilde voor het muzikantenvakblad Music Maker. Daar kwam zijn talent tot volle bloei. Met zijn vaak spraakmakende interviews met o.a. King Crimson, Prince, John Scofield en Tori Amos was hij medeverantwoordelijk voor de groei die het blad in de jaren tachtig en negentig doormaakte. Opmerkelijk is hoeveel van zijn verhalen uit die tijd nog integraal op internet te vinden zijn.

Toen de uitgever in 2000 met Music Maker een andere koers wilde gaan varen, trok Palombit zich terug. Samen zijn vrouw Zwanet van Kampen ging hij reizen. De laatste jaren liet zijn gezondheid hem steeds vaker in de steek, met op 11 juli het onvermijdelijke einde. We herinneren hem als een leuke man en een prettige collega en wensen Zwanet veel sterkte.
Jan van der Plas

permalink

Jacques Chapel (1946-2008)

vrijdag 18 juli 2008

Terwijl alle Tour de France-volgers hun papieren ophaalden, hun auto’s lieten keuren, hun startlijsten verzamelden en hun Tourradio’s lieten inbouwen, kwam in Brest het nieuws door dat NOS radioverslaggever Jacques Chapel in Hilversum was overleden. Tweeënzestig jaar oud.

Vanaf september 2007 wist de radioman dat hij tegen het onvermijdelijke moest strijden. Een lastige tijdrit, zoals hij een collega toevertrouwde.

De collega’s van de NOS verwerkten het nieuws in pijnlijke stilte. De radiomensen, althans een paar van hen, kenden Chapel en hadden met hem gewerkt. Ik probeerde terug te rekenen. Hoe lang hadden we samen in dit merkwaardige zomercircus gewerkt? Hadden we ooit samen gegeten? Vaak, bijna altijd, leefden de radio- en televisietak van de NOS ver uit elkaar. Zelden deelden we hotels, vrijwel nooit deelden we de tafel en dus ook nieuwtjes of verhalen uit La Grande Boucle.

Hoe lang had Chapel de ronde verslagen? We wisten het niet. Het bleek 28 jaar te zijn. Hij was al die tijd voor velen van ons een collega-op-afstand. Jarenlang was hij samen met producer Ferry de Groot. Ze kwamen, werkten en gingen. Vaak naar een hotel ver weg, naar een snelle tafel in de Buffalo Grill, hun toppunt van Franse kookkunst. Van lang wachten, groots gedekte tafels en een avond lang discussiëren moesten ze niets hebben. Chapel en De Groot werden een paar apart. Ze hadden hun eigen taal, hun nukken en hun sociale leven waar vrijwel niemand van de andere NOS-gangers in paste. Daarom heb ik Jacques nooit goed leren kennen. Hij kwam vaak rokend aan, installeerde zich, had als een der eersten zijn uitslagen en standen in een computer verwerkt, verwenste soms in kruidige taal zijn werkomgeving en na de etappe vertrok hij weer, na een strak ‘tot morgen’. In de auto, samen met meneer de Groot, zocht hij de stilte in een afgelegen tafel en bed.

Dan is zo’n bericht, zoals het in Brest tot ons kwam, er eentje waar je dubbel over gaat nadenken. Je schrikt van het absolute, maar direct en onomkeerbaar is de wetenschap dat je jarenlang collega bent geweest van een man die je eigenlijk niet kende.

Of hij dat anders wilde?

Ik denk eigenlijk van niet. Hij was een eenzame man in een dol circus en bleef dat. Pas ’s winters was het contact wat meer ‘close’. Bij het schaatsen, waar het wereldje kleiner was, ontmoette je hem meer en soms ook bij een kop koffie of aan de toog. Daar mopperde hij vaak in mooie monologen. Hij had een opvallend gekruide woordkeus, ik weet eigenlijk ook niet of ik zijn kijk op sportzaken deelde.

Ooit, in Hamar, liepen we samen een stukje op naar het schaatsstadion. Ik vroeg hem naar zijn liefde voor dit land en hij wees op de omgeving: verkilde stilte, wit en koud. ‘Mooi toch’, zei hij en we liepen beiden onze adem achterna.

Soms deed hij voor Langs de Lijn een verslag van een wielerwedstrijd. Het klonk voor de mensen in Nederland als ‘live’, maar de waarheid was dat hij vanuit zijn huis uit Noorwegen belde, terwijl hij naar Eurosport keek. Toen ik daar eens met hem over praatte, lachte hij gemeen: ‘Zo kan het toch ook, waarom zou ik helemaal naar Italië afreizen.’

Een collega op afstand, een collega met afstand. Een man die de NOS trouw diende en die met zijn speciale manier van spreken (gehoekte, korte zinnen met soms een emotionele uithaal) bijna drie decennia de Nederlandse radioluisteraar diende.

Het was een merkwaardig leeg gevoel waarmee ­Chapel zijn collega’s in Brest liet staan. We verloren allen een collega die we nauwelijks kenden.

Tour de France 2008, namens alle NOS-collega’s,
Mart Smeets

permalink

Willem Bekius (1954-2008)

donderdag 26 juni 2008

Aan de lege plek tegenover mij in de docentenkamer was ik al een beetje gewend. Willem was al ruim een jaar niet meer op school geweest. Maar de wetenschap dat hij er nooit meer zal zijn, doet pijn. Hij was mijn maatje! Ik ontmoette Willem Bekius voor het eerst in de zomer van 1989. Even daarvoor had ik gehoord dat mijn nieuwe baan die van docent journalistiek aan de Hogeschool Windesheim in Zwolle zou zijn. In een etablissement aan de IJsselkade in Kampen ontmoette ik mijn nieuwe collega’s. Willem, markante kop-met-pijp, stelde mij gerust: ‘De overgang van redactie naar klaslokaal is groot, maar we slepen je er wel door.’

Willem hield woord. Vele jaren ‘deden’ we samen de tweedejaars, hij dagblad, ik tijdschrift. We overlegden, hoorden elkaars verhalen aan. Als ik even de draad kwijt was, relativeerde hij. Had ik het verschil tussen beschouwing en analyse even niet meer zo scherp, hij legde het uit. Willem was de man van de genres. Feilloos gaf hij de verschillen aan en hamerde er op om in het onderwijs daar aan vast te houden. Enerzijds zuiver in de leer, anderzijds in staat tot relativeren zoals sprak uit de titel van zijn reader: ‘Maak er maar een mooi stukje van.’ Toen hij die later in boekvorm mocht uitgeven sneuvelde de titel. ‘Te vrijblijvend’, vond de uitgever.

Willem had een uitgesproken mening over het journalistieke onderwijs en vond doorgaans gehoor bij zijn collega’s. Maar toen een visie van Willem eens niet werd overgenomen maakte hij zijn ongenoegen kenbaar door staande de vergadering zijn plan te verscheuren.

Bijna vijf jaar geleden vertelde hij dat hij waarschijnlijk een blindedarmontsteking had en geopereerd moest worden. Al snel bleek dat er van een onschuldige ontsteking geen sprake was. Het werd uiteindelijk een strijd waarin hij met een bewonderenswaardig optimisme eerder ons door teleurstellingen sleepte dan wij hem. Op bezoek bij Willem en Greetje bracht altijd ontspanning, ondanks het feit dat zijn gezondheid steeds zwakker werd. Willem was een eeuwige optimist, hoewel ‘eeuwig’ hier wel relatief is, want op 16 juni is Willem gestorven, 53 jaar oud.

Vrijdag 20 juni hebben we afscheid genomen. Indrukwekkend! In een lange rij schuifelend naar de ingang van het rustieke kerkje in IJhorst. Worstelend met gevoelens, met herinneringen. Maar alleen al de omgeving bracht rust. Links van het pad eeuwenoude grafzerken als symbolen van eindigheid; rechts het contrast: de weidsheid van het Reestdal. Het ooievaarsnest met daarin drie jongen als een priemende vinger omhoog: het leven gaat door!

De bijzondere zang van Greetje, de klanken van de kora, harmonium en piano, de gesproken woorden, de voettocht naar de begraafplaats, de witte ballonnen, ze vormden een harmonie waarin de levensreis van Willem tot uitdrukking kwam.

Ik prijs me gelukkig dat ik een flink aantal jaren samen met hem mocht reizen…

Hylke van der Zee

permalink

Kees Fens (1929-2008)

woensdag 18 juni 2008

Zou Kees Fens anders zijn gaan schrijven als hij in de jaren ’90 bij Trouw terechtgekomen was? Bij de Volkskrant voelde hij zich gejojood tussen krappe lengte en tweederangs plek. De transfer was bijna beklonken, toen gentleman-Trouw de concurrent verwittigde van de megadeal. Pieter Broertjes spoedde zich naar Fens, die op het ‘katholieke’ honk weer vrijuit zijn ‘maandagstukken’ kon maken.

Anno 2008 legde hij juist in het ‘protestantse’ Trouw ziel en zaligheid bloot in zijn laatste interview, in Arjan Vissers ‘Tien Geboden’. Fens’ beschouwingen over het Europese erfgoed waren langzamerhand ook minder katholiek geïnspireerd dan wel christelijk-humanistisch, in de zone tussen zuilrelieken. Wel mooi natuurlijk dat de Volkskrant hem in dat tussengebied altijd trouw zijn speelruimte bood.

‘Tussentijds’ heet zijn recensiebundel uit 1972. Maar de Nederlandse literatuur werd hem te benauwd. Zijn column in de Volkskrant (en jongste boek uit 2007) heet ‘In het voorbijgaan’: hij was liever dribbelaar langs de zijlijn dan grensrechter. Naar speler en doelpunt ging zijn hart evenzeer uit als naar makers van timpanen en sonnetten. Over zijn grote liefde Petrarca (en diens grote liefde Laura) gaat zijn laatste verhaal, in Volkskrants Cicero van 20 juni; even voor zijn dood van 14 juni af. Net als Petrarca stierf Fens aan de schrijftafel.

Hij kreeg het ‘beschrijven’ lief dankzij monniken op de schoolplaat en het jongensboek ‘Fulco de minstreel’ van C. Joh. Kieviet. Een documentaire van Hans Keller, pal na Fens’ overlijden in première, gaat over zijn Bourgondische hang naar klooster én wereld. Over dat ‘beschrijven’, zijn vak, is hij er lyrisch aan het woord.

Zijn start was armzalig, als administrateur bij De Linie; maar in 1954 kon hij daar publiceren. In 1960 werd hij naast leraar Nederlands, recensent voor De Tijd (later nog als ‘A.L. Boom’). Hij stond aan de wieg van het literaire tijdschrift Merlyn dat brak met gewichtig recenseren. En sinds 1969 was hij dus de lyricus van de Volkskrant – als journalist: ‘Dat ben ik eigenlijk ook’, zei hij. ‘Iedereen kan één keer in de drie maanden een goed stuk schrijven. Maar bijna niemand kan iedere week een goed of een gemiddeld goed stuk schrijven. Pas als je dat kunt, heb je journalistieke aanleg.’

Joost Divendal

Foto: Joost van den Broek

permalink

Ben Asscher (1925-2008) en Willem van Manen (1934-2008)

donderdag 12 juni 2008

Kort achtereen zijn twee juristen gestorven die een eminente rol hebben gespeeld in de vormgeving van het mediarecht in Nederland. Ze verkeerden aan weerszijden van de balie, en ze waren niet slechts in dat opzicht complementair.

Ben Asscher was als president van de rechtbank in Amsterdam (van 1983 tot 1993) onmiskenbaar ‘de persrechter’ van Nederland aan wie met grote regelmaat in kort geding de vraag werd voorgelegd of een publicatie rechtmatig was, dan wel een niet te tolereren inbreuk op de privé-levenssfeer vormde. Willem van Manen was bij herhaling zijn tegenspeler als nestor van de media-advocaten in Nederland. Hoewel: tegenspeler? ‘Asscher en ik hebben heel wat jurisprudentie ontwikkeld’, was een stelling van Van Manen, die bijna een kwart eeuw de ‘huisadvocaat’ was van Het Parool en de Volkskrant.

Die jurisprudentie had zo zijn gevolgen. Kort na zijn afscheid bij de rechtbank constateerde Asscher: ‘De laatste jaren is het aantal mediazaken niet meer zo groot. Dat komt, denk ik, omdat er een zekere voorspelbaarheid was ontstaan. Ik heb geprobeerd om mezelf zo min mogelijk ontrouw te worden. Maar je zit altijd in de periferie: het is net wel of net niet.’

Hij had mediazaken bepaald ook niet ervaren als een vervelende bijkomstigheid van zijn vak. ‘Het is een leuke periode geweest, zonder meer.’

Datzelfde gold in hoge mate voor Van Manen. ‘Het werken met journalisten heb ik altijd erg fascinerend gevonden. Veel gelachen ook.’

Beiden vonden elkaar in hun opvatting dat de vrijheid van meningsuiting, en daaruit voortvloeiend de persvrijheid, een absoluut grondrecht is. En wat daarbinnen kan of niet kan, zo meende Asscher, ‘is niet bepaald door rechters, of door de wetgever, dat is cultureel bepaald. In zijn opvatting vielen de begrippen journalistiek ethisch en juridisch rechtmatig goeddeels samen. ‘Bijna alles wat journalistiek onethisch is, is ook onrechtmatig. (…) Maar er zijn zaken die journalistiek heel behoorlijk zijn, althans niet onbehoorlijk, maar die onrechtmatig zijn.’ Het gebruikmaken van ‘lekken’ bijvoorbeeld, door hem gekwalificeerd als ‘nieuwsheling’ – waar hij overigens niet op tegen was.

Asscher beoordeelde nooit journalistiek-ethische kwesties: ‘Daarvoor moet men maar naar de Raad voor de Journalistiek gaan.’

Dat was niet de opvatting van Van Manen, voor wie ‘de beste raad géén Raad’ was. Hij had er ‘een enorme aversie’ tegen opgevat. ‘De voorzitters zijn vaak vrij hoge rechters, maar de rest is leek. En die gaan zo op een vrije achternamiddag nog eens even beslissen hoe het zit met de vrijheid van meningsuiting…’ Hij achtte de Raad ‘niet geëquipeerd om feitelijk ingewikkelde zaken uit te zoeken’.
Van Manen is vrijwel in het harnas gestorven. Hij nam in december 2006 weliswaar formeel afscheid van de advocatuur, maar tot begin van dit jaar kwam hij nog met grote regelmaat op kantoor.

Lambiek Berends,
Het Parool

permalink

H.J. (Chris) Scheffer (1919-2008)

maandag 2 juni 2008

Kritisch, eigenzinnig en toegewijd, dat was journalist en pershistoricus Chris Scheffer een leven lang. Neem nou zijn naam. Hij werd als Hendrik Jan geboren, maar na 1945 bleef hij de naam gebruiken die hij in het gewapend verzet in Rotterdam had gebruikt. Rooie Chris of Chris Voorhoef werd hij daar genoemd en wie hem na de oorlog nog met Henk aansprak kon steevast rekenen op de vraag waar je die curieuze gewoonte vandaan had. Hij droeg zijn geuzennaam met ere, maar zijn artikelen en boeken ondertekende hij wel met H.J. Scheffer.

En dat waren er nogal wat, want Scheffer was een productief man. Hoewel hij als econoom was opgeleid belandde hij in oktober 1945 in de journalistiek. Eerst was hij reizend correspondent van de NRC maar zijn reportages over de politionele acties van het Nederlandse leger in Indonesië waren zo onafhankelijk en kritisch geschreven dat hoofdredacteur Maarten Rooij hem in 1947 dwong ontslag te nemen. Typerend voor zijn karakter was dat hij kritisch over dat onderwerp bleef schrijven, maar dan voor The Times.

Terug in Nederland werkte hij voor tal van bladen, waarvan het Rotterdams Nieuwsblad de belangrijkste was. Bij die krant zou hij uiteindelijk in de hoofdredactie belanden. Het was ook de krant die zijn voorliefde voor de persgeschiedenis deed ontwaken. Hij schreef er als ‘t 46ste lid’ het commentaar bij de gemeenteraadsvergaderingen en toen hij merkte dat dit pseudoniem al sinds 1896 werd gebruikt, was hij verkocht. In 1960 promoveerde hij op ‘In Vorm Gegoten. Rotterdams Nieuwsblad in de negentiende eeuw’. Het is nog steeds een juweeltje in de Nederlandse persgeschiedenis, geschreven vol liefde voor het vak, maar ook met een ongekende drift om alles te willen weten. Naast zijn latere werk voor de Haagsche Courant, Sijthoff Pers en de Koninklijke Academie van Wetenschappen, waar hij zijn carrière in 1979 afsloot, schreef hij nog drie andere boeken over persgeschiedenis. Met ongetwijfeld als hoogtepunt de biografie van het merkwaardige heerschap Henri Tindal, in 1893 de oprichter van De Telegraaf.

Chris Scheffer overleed jongstleden 21 mei in Rotterdam, vrij anoniem. Geen krant maakte er melding van, ook niet de kranten waarvoor hij ooit werkte of over schreef. Het is een beetje wrang bij een man die alles heeft gedaan om het historisch bewustzijn in de journalistiek te vergroten. Maar zijn roep om de boeiende geschiedenis van het vak vooral niet te vergeten, klinkt voor eeuwig door in een prachtige pershistorische productie. En dat is een hele troost.

Huub Wijfjes

Foto: Rien Zilvold

permalink

Willem van Manen (1934-2008)

donderdag 29 mei 2008

De media-advocaat Willem van Manen is op 24 mei overleden aan de gevolgen van kanker. Van Manen was een van de bekendste media-advocaten. Hij was de advocaat van PCM en in het bijzonder van Het Parool, voor wie hij vele processen voerde, onder andere tegen criminelen die bezwaar maakten tegen de wijze waarop Het Parool over hen berichtte. Daarnaast was hij oprichter en voorzitter van de stichting Advocaten voor Advocaten. Hij was ook cartoonist en de auteur van de in de juridische wereld beroemde Pinguïn-figuur. Lees In Memoriam in Het Parool

permalink

Kitti Manning

dinsdag 27 mei 2008

Op 24 mei is Kitti Manning overleden. Als docente aan de School voor Journalistiek in Utrecht heeft ze ruim twintig jaar het cultuuronderwijs verzorgd.

permalink

Herman van den Akker (1924-2008)

donderdag 22 mei 2008

Op 20 mei is op 83-jarige leeftijd overleden Herman van den Akker, oud-redacteur buitenland, oud-chef binnenland en chef feature coördinator van het oude (echte) Algemeen Dagblad.

Herman sukkelde al jaren met zijn gezondheid, maar hij droeg zijn leed manhaftig. Ben Levie, lange tijd zijn rechterhand, noemde de op Sumatra geboren Van den Akker ‘de stille kracht’ van het AD. Herman werkte het liefst in overhemd met een baaltje zware shag naast zich. Als hij aan zijn werk aan de central desk begon gooide hij alle kopij in willekeurige volgorde op één stapel om daarna, met de vingers in de oren, alles te lezen en dan te verdelen. Haagse redacteuren kregen nogal eens van hem te horen: ‘Aardig stukkie hoor, maar zou je nog niet even…’.

Later werd Herman gepromoveerd tot chef van het feature coördinator met uitgebreide bevoegdheden. Hij alleen was acceptabel voor de afdelingschefs die een stuk autonomie verloren. In die nieuwe functie stond hij vaak voor dag en dauw op om te gaan redigeren en herschrijven. Dan was er niemand om hem af te leiden. Onder de naam van de verslaggever maakte hij van al die, nooit vlekkeloos, aangeleverde kopij, ware sieraden voor de krant.

Maar Herman was meer dan een bureauchef. Hij was de vertrouwensman van de hele AD-redactie. Een paar functies: voorzitter redactiecommissie, voorzitter redactieraad, lid OR en COR. Als vakbondsman genoot hij het volste vertrouwen van de hoofdredactie, zeker waar het ging om de soms met het mes op tafel gevoerde onderhandelingen over het redactiestatuut en de ‘bandbreedte’ van de krant. Van den Akker was de grote vraagbaak als het over de cao ging. Hij leidde ook altijd de vergaderingen die daarover gingen. Dan sprak hij op zijn bekende rustige, maar niettemin dwingende toon zonder vreemde woorden over de mogelijkheden en onmogelijkheden van eventuele werkonderbrekingen.

Ook op journalistiek terrein stond hij zijn mannetje. Zo had Herman de wereldprimeur van de verbintenis van Margriet en Pieter. Eén keer kwam hij in de knoei. 10 maart 1966. Acht verslaggevers van uiteenlopende snit hadden onder leiding van Van den Akker in Amsterdam eenstemmig verslagen gemaakt van de trouwdag van Beatrix en Claus, vanzelfsprekend met uitvoerige vermelding van de rookbommen die toen de stad beheersten. De hoofdredactie in Rotterdam, die nauwelijks weet had van de rellen, vond het verslag afbreuk doen aan de glorie van de dag en herschreef het ’s avonds tot een ‘Oranje-Bovenverhaal’. Van den Akker later: ‘Het was de enige keer dat ik het bij het AD echt moeilijk heb gehad.’

Herman gold als een expert op het gebied van de Gordel van Smaragd. Hij had in Jakarta bij Aneta gewerkt en was kind aan huis bij Soekarno. Op dat gebied had hij zoveel autoriteit dat hij het zich veroorloven kon een stuk van hoofdredacteur Huib Appel over Indonesië ergens, zwaar ingekort, op pagina zeven te plaatsen met het commentaar ‘Oud nieuws, die twintig regels waren eigenlijk al te veel’, maar, zei hij tegen Huib, ‘ik vond het toch wel leuk voor jou om iets in de krant te zetten’.

Een rustige, maar altijd alerte houding demonstreerde Herman van den Akker ook als voorzitter van de NVJ. Een bescheiden man, maar die er als voorzitter altijd stond als de omstandigheden dat vereisten of als de nood aan de man was. Oud-secretaris Hans Verploeg: ‘Dan was het op z’n Rotterdams: niet lullen, maar poetsen’.

Wij wensen zijn vrouw Joke, hun kinderen en verdere verwanten alle sterkte toe bij dit gevoelige verlies.

Piet Bouwmeester

Foto: Taco Anema

permalink

Peter Michielsen (1946 - 2008)

vrijdag 25 april 2008

In het zicht van zijn pensionering is op 13 april Peter Michielsen gestorven. Hij werkte sinds 1981 voor NRC Handelsblad en was een baken voor de krant. Na een korte periode over het Midden-Oosten te hebben geschreven, stortte hij zich op een onderwerp dat in die jaren verre van populair was: Oost-Europa en de Sovjet-Unie.

Michielsens kracht lag in een encyclopedische kennis, een grote historische belangstelling, een fenomenaal geheugen en een vaste, bij vlagen poëtische pen. Het zal zeker met zijn wat hypochondrische levensinstelling te maken hebben gehad, dat hij gefascineerd was door de communistische dictaturen van Oost-Europa. De mens was volgens Michielsen geneigd tot alle kwaad. In combinatie met een inhumaan systeem was diezelfde mens voor hem voer voor duizenden reportages, interviews en analyses. Zijn sympathie lag daarbij steevast bij het individu. Wie wordt een meeloper, wie een dissident, wie gaat door de knieën, wie houdt de rug recht, wie grijpt een historische kans, wie blijft aan de zijlijn staan? Maar vooral: hoe ontstaat het kwaad en hoe valt het te verklaren? En natuurlijk zag hij het, als elke goede journalist, als zijn taak cliché’s over Oost-Europa te bestrijden en lezers op het verkeerde been te zetten.

Als student, vertelde hij nog onlangs, had hij zo’n 200 pen friends in Oost-Europa. Dat leverde zoveel vragen op dat de stap naar de journalistiek de enige logische leek. Michielsen was een journalist van de degelijke, ouderwetse soort. Eerst álles lezen, en dan pas oordelen. Dankzij zijn historische kennis kon hij steeds weer wijzen op de continuïteit van de geschiedenis. Zo schreef hij kort na de val van de Muur, dat het verleden de jonge democratieën nog vele malen parten zou spelen. De oorlogen op de Balkan kwamen voor hem dus bepaald niet als een verrassing. Keer op keer legde hij geduldig uit hoe het kwam dat de katholieke Kroaten, de islamitische Bosniërs en de orthodoxe Serviërs elkaar op dat kleine bergachtige territorium al eeuwenlang de tent uit vochten. Tegelijkertijd vond hij het de plicht van West-Europa de arme broertjes, zij het onder stricte voorwaarden, in de armen te sluiten.

De kracht van Michielsen was zijn ijzeren uithoudingsvermogen. Waar de meeste journalisten elke paar jaar een ander onderwerp kiezen, bleef Michielsen zijn gebied trouw: zo zorgde hij ervoor dat ook vergeten uithoeken als Albanië of Moldavië regelmatig de krant haalden. Want ook de kruimels van de geschiedenis hebben waarde.

Daarnaast was Michielsen ook de perfecte bureau¬redacteur: een kleine vijftien correspondenten in het (voormalige) oostblok hebben de afgelopen jaren op hem blind kunnen varen. Hij steunde hen, corrigeerde ongemerkt hun fouten en vocht voor snelle plaatsing van hun verhalen. Hij was de ideale collega, een voorbeeldige journalist.

Laura Starink

permalink

Marianne Boissevain (1946 - 2008)

vrijdag 25 april 2008

Mijn loopmaatje – oud-collega, vriendin vooral – is er niet meer. Eigenlijk had ze al een tijdje niet hardgelopen: eerst was het een blessure die haar ervan weerhield; toen bleek haar conditie in snel tempo af te nemen. Binnen de kortste keren lag Marianne in het OLVG, met de diagnose darmkanker. Eerst leek het nog beheersbaar; opgewekt zei ze: ‘Volgend jaar doe ik weer mee.’ Maar bij een volgend bezoek, vertelde ze, met die ongelooflijke nuchterheid van haar: ‘Ik word niet meer beter.’ Daarvoor waren de uitzaaiingen te groot, te talrijk. De chemotherapie had slechts als doel de pijn te verlichten en de tijd te rekken.

De herinneringen gaan ver terug. We hadden een gedeelde liefde: Azië. Voor mij een (werk)vakantieliefde, maar Marianne ging er echt wonen. Na tien jaar op de buitenlandredactie van de Volkskrant, nam ze – in 1979 – ontslag, om eens aan de andere kant van de ‘barrière’ te staan. Ze trad in dienst bij UNDP, standplaats Bangkok, van waaruit ze heel Zuid-Azië ‘coverde’. En ook dat deed ze gedreven, enthousiast, zorgvuldig. Ze leerde Thais en hoewel ze er vanaf zag om ook het schrift onder de knie te krijgen, was haar gesproken Thais in elk geval goed genoeg voor het dagelijks leven. Met ontzag hoorde ik haar onderhandelen met een taxichauffeur; het scheelde mij vele dollars. Welke expat doet dat haar na?

Maar de journalistiek bleef trekken. Bij de Volkskrant heerste destijds de traditie dat wie wegging, niet terug mocht komen, of slechts na een lange periode van vagevuur. Na het UNDP-uitstapje bracht ze zo’n acht jaar door in ballingschap bij het Haarlems Dagblad. Daarna kon Marianne haar oude plek weer innemen op de buitenlandredactie van de Volkskrant en daarvan is ze nooit meer weggegaan. Ze vond het leuk om mee te werken aan de website en daarvoor nieuwe technieken te leren – al protesteerde ze als ‘dagchef web’ wel hoofdschuddend toen Bokito overal voorpaginanieuws werd. Alsof er geen belangrijker dingen in de wereld waren… Ook mopperde ze wel eens op collega’s, omdat zij – als alleenstaande zonder kinderen – geacht werd altijd maar dienst te kunnen doen tijdens schoolvakanties en andere familiefeestelijkheden. Ook wanneer ze eigenlijk iets anders gepland had. Maar ze deed het wél. We hebben eens een Dijkenloop gedaan – 10 kilometer langs de Waal in de hitte van een nazomermiddag – terwijl Marianne diezelfde avond naar de krant moest. Na de finish dus meteen doorrennen naar de bushalte – en dan maar giechelend omkleden in het bushokje. Thuisgekomen moest Marianne gauw-gauw douchen en dan snel op de fiets naar de Wibautstraat… ’k Zou het haar niet na doen.

Collega’s hebben al herhaaldelijk gewezen op haar bekwaamheid. Marianne hield van haar werk, voor haar geen vervroegd pensioen, integendeel, ze had absoluut tot haar 65ste willen doorwerken, liefst nog langer. Ze genoot er ook van dat ze het vak tot in de toppen van haar vingers beheerste. ‘Het is zo fijn dat je zoveel kunt, als je al zolang in ’t vak zit’, zei ze wel eens. Ze genoot van veel dingen. Van haar reizen, van haar volkstuintje ook – dat eindelijk, eindelijk ‘af’ was, precies zoals zij het wilde. Dat was een paar weken voordat haar ziekte werd ontdekt. Ze had zo gehoopt, nog een keer naar Florence te kunnen. Dat was haar niet meer gegund.

Jacqueline Wesselius

permalink

Hanny van den Horst (1924-2008)

vrijdag 11 april 2008

Ze was een rode draad door mijn leven. Bij diverse gelegenheden, waarbij ik me voorstelde als hoofdredactrice van Margriet, kreeg ik de vraag: ‘Hoe is het toch met die geweldige oud-hoofdredactrice, Hanny van den Horst?’ En dan kon ik zeggen: ‘Het gaat heel goed met Hanny.’ Tot uitgeefdirecteur Auke Visser me een paar weken geleden belde met de boodschap dat er bij Hanny darmkanker in een vergevorderd stadium was gediagnosticeerd. We spraken af dat hij weer contact zou opnemen zodra ik Hanny kon bezoeken. Want ze wilde misschien nog een mooi interview in Margriet, zei Auke. Een afscheidsinterview. En dat wilden wij ook. Het zou het 70-jarig-jubileumnummer worden. Begin oktober.

Hanny heeft dat niet gehaald.

We hadden nog graag afscheid genomen van de meest spraakmakende hoofdredacteur van Margriet. Van 1972 tot 1981 zwaaide ze de redactiescepter en daarna was ze altijd met hart en ziel geïnteresseerd.

Ik herinner me nog dat ik vlak na mijn benoeming bij haar op bezoek ging en dat ze me de edities uit haar jaren liet zien. Zeer geïnspireerd en trots verliet ik haar appartement. Ik wilde haar gedachtegoed graag voortzetten.

Een tijdje later schreef ze me een brief met lieve complimenten. Dat ze Margriet zo interessant en inhoudelijk vond en dat ik de maatschappelijkheid zo goed terugbracht in de kolommen. En toen Margriet een paar jaar geleden de Mercur d’Or won, was het vanzelfsprekend dat Hanny daarbij aanwezig was. Ook vorig jaar zat ze fier vooraan in de zaal. Een prachtig rood mantelpak aan. Het was een persbijeenkomst naar aanleiding van een gezamenlijk Margriet/Opzij-onderzoek over de tevredenheid van de vrouw in Nederland. Misschien wel het onderwerp waarmee Hanny zich het allermeest verbonden voelde. En Hanny stelde vragen en was aanwezig. Zoals ze altijd op een bijzondere manier haar stem liet horen en aanwezig was.
Hanny is 83 jaar geworden. We zullen haar missen. Maar haar missie zullen we in Margriet voortzetten.

Anneliese Bergman,
hoofdredacteur Margriet

De tekst is een verkorte versie van het afscheid van Hanny van den Horst uit Margriet (nr.16, 11 april 2008).

permalink

Jan Prins (1944-2008)

vrijdag 14 maart 2008

Journalistiek is vakwerk, maar soms moet je ook een beetje geluk hebben met een wereldprimeur. Zoals in 1976, toen Jan Prins dankzij zijn achternaam een vinger kreeg achter de geruchten over betrokkenheid van Prins Bernhard bij de Lockheed-affaire. Prins probeerde de hoogste baas van de vliegtuigbouwer aan de telefoon te krijgen. President-directeur Kotchian was er niet, maar zijn secretaresse legde een briefje voor hem neer. Prince, The Hague kwam daar waarschijnlijk op te staan, want niet veel later belde Kotchian hoogstpersoonlijk terug en begon zich te verontschuldigen: ‘Sorry, I couldn’t keep you out of this affair’. Kotchian beëindigde abrupt het gesprek toen hij hoorde dat hij niet de Prins der Nederlanden aan de lijn had, maar de Nederlandse journalist Prins.

De anekdote is tijdens zijn ruim veertigjarige loopbaan als journalist en hoofdredacteur nog vaak aangehaald door Jan Prins, die vrijdag 7 maart op 63-jarige leeftijd overleed. Les 1 in de journalistiek volgens Prins: ‘Je moet altijd dingen proberen.’ Zelf was hij een man van wilde plannen – een denker en een doener. Met geniale ingevingen kon hij komen. Twijfel bij de redactie sloeg steevast om in geestdrift als bleek dat zijn intuïtie goed was en de lezers konden worden verrast met spraakmakend nieuws.

Prins geloofde in traditioneel journalistiek vakwerk maar was vooral een groot vernieuwer. Als een van de eerste hoofdredacteuren liet hij consequent lezersonderzoek doen. Ook stak hij veel energie in vooruitstrevende vormgeving die de krant gemakkelijk leesbaar maakte. Kans op echte vernieuwing kreeg hij gek genoeg toen ‘zijn’ Rotterdams Nieuwsblad in 1991 ophield te bestaan om met Het Vrije Volk samen te smelten tot Rotterdams Dagblad. Velen geloofden niet dat het zou lukken Rotterdam te winnen voor die (vermeende) mengelmoes van links en liberaal.Rotterdams Dagblad werd een sensatie in de Nederlandse dagbladwereld. Onder eendrachtige leiding van Prins en Leo Pronk werd het een krant met lef – in de vormgeving en in de verslaggeving. De oplage groeide, er werd winst gemaakt.
Voor Prins was commercieel succes belangrijk , maar wat hem vooral plezierde was de belangrijke rol die de krant kon spelen in de lokale samenleving. Prins had niets met kranten en journalisten die meenden zelf te weten wat goed was voor hun lezers.

Voortdurend zocht hij naar manieren om meer lezers te bereiken. Hij ontwikkelde een nieuwssite op internet. Prins voorzag de grote rol die dit medium zou krijgen en lanceerde in 1994 RD.nl. Niet alleen de nieuwssite was uniek, ook het feit dat hij meteen de hele redactie (tevens) internet­redacteur maakte.

Recent werd Prins voor zijn journalistieke betrokkenheid onderscheiden door het stadsbestuur van Rotterdam. Hij ontving de Wolfert van Borselenpenning, met als inscriptie: ‘Krantenman met hart voor de stad’.

Melancholiek was Prins toen hij in 2003 werd gevraagd directeur/uitgever te worden van de Algemene Media Groep (AD, Rotterdams Dagblad, De Dordtenaar, Rijn en Gouwe). ‘Ik doe het, maar ik wil als journalist met pensioen gaan.’ Het is wrang, maar de pensioengerechtigde leeftijd heeft Jan Prins niet meer mogen halen. Een slopende ziekte maakte onverhoeds een einde aan een rijk journalistiek leven.

Bart Verkade,
AD Rotterdams Dagblad

permalink

Max Nord (1916-2008)

donderdag 6 maart 2008

Bij Het Parool is sprake van de ‘Parool –adel’. Het zijn de ijzersterke figuren die vanaf de oorlog, of kort daarop, betrokken zijn bij de krant, die elkaar nog regelmatig zien, die elkaars kinderen zagen opgroeien, elkaars kleinkinderen, elkaars achterkleinkinderen, en die er niet de minste behoefte aan hebben er een punt achter te zetten. Daar hebben ze ook alle redenen voor, over het algemeen hebben ze weinig fiducie in een hiernamaals en ze zijn de overtuiging toegedaan dat het de bedoeling is je aangenaam en weldenkend door het leven heen te slaan. De groep slinkt, ondanks al onze bezwaren daartegen, en zo moesten we horen dat donderdag de 28ste februari Max Nord, 91 jaar oud, is gestorven.

Nord vertegenwoordigde alles waar wij bij Het Parool veel prijs op stellen: nieuwsgierigheid, speelsheid, gevoel voor humor, argwaan en ruggengraat. En een gezond wantrouwen tegen de boven je gestelden, ook de leidinggevenden bij Het Parool zelf.

Nord groeide op in een weldenkend, liberaal gezin. Max wilde de journalistiek in. En hoewel zijn vader het directeurschap de enige zinnige functie bij een krant vond, bemiddelde hij toch bij een baan – als voluntair uiteraard – bij het Leeuwarder Nieuwsblad. Hij had geen idee wat je als verslaggever nou moest melden of niet, maar hij had al gauw door: al de ervaren collega’s iets begonnen te noteren bij een bijeenkomst doe je er goed aan dat ook te noteren. Zo leerde hij het vak. Dat hij later, in Frakrijk, Italië en Engeland ging studeren had niets te maken met dédain voor het handwerk, maar met belangstelling. Hoe zat het nou met die internationale politiek, met die economie? Geen studie maakte hij af, als hij het gevoel had de zaken wel zo’n beetje in die smiezen te hebben hield hij het voor gezien. En zo was hij in 1939 weer in Nederland, als verslaggever van Het Vaderland. Een collega van hem was Menno ter Braak en samen met hem verzorgde hij de vertaling van Rauschnings bekende boek ‘Hitlers eigen woorden.’

Het boek werd verboden en vlak voor de oorlog werden Nord en Ter Braak ervoor aangeklaagd wegens belediging van een bevriend staatshoofd. Op de dag dat de zaak voor zou komen was Nederland al bezet en had Ter Braak zelfmoord gepleegd.

Naar de krant ging hij na de capitulatie niet terug, onder de bezetting van fatsoenlijke journalistiek niet mogelijk, vond hij. Hij schnabbelde onder schuilnaam. Hij raakte betrokken bij Het Parool, hij genoot het volste vertrouwen van die krant: hij distribueerde de krant, hij zamelde geld in, hij ging behoren tot de groep die de krant droeg.

En natuurlijk ging hij aan de slag bij het legaal geworden Parool. Nord, die in literaire tijdschriften publiceerde, die dichtte, werd kunstredacteur. Het bestuur van de stichting Het Parool polste hem voor het hoofdredacteurschap, maar daar voelde hij helemaal niet voor, hij wilde correspondent worden in Parijs en dat werd hij. Een verkeersongeval waarbij zijn vrouw omkwam dwong hem met zijn beide kinderen terug te keren naar Amsterdam.

Nord schreef reportages, interviews, recensies en nieuwsberichten. Maar verslaggeving was niet zijn ambitie in het vak. Hij had meningen die hij graag ventileerde. En hij ging vooral zijn eigen gang. Hij was actief in de Vereniging van Letterkundigen, in het bestuur van De Kring. Hoofdredacteuren hebben het wel moeilijk met zo’n man. Met Herman Sandberg kreeg hij bonje, maar dat wilde niet zeggen dat hij afscheid nam van de krant. Het was zíín krant, dus bleef hij ervoor schrijven en dat was vanzelfsprekend.

Nord was een onafhankelijke, autonome geest. De meeste collega’s bij de krant kennen hem nu nog hooguit bij naam. Maar zijn esprit is, voor wie er oog voor heeft, nog in de krant te herkennen.

Paul Arnoldussen,
Het Parool

permalink

Jan Eijkelboom (1926-2008)

donderdag 6 maart 2008

Op 1 maart 1972, zijn 46e verjaardag, ging Jan Eijkelboom aan de slag bij De Dordtenaar. Zijn staat van dienst was er vanuit Dordts perspectief een met mythische proporties: Propria Cures, Vrij Nederland (waar hij adjunct-hoofdredacteur was), Het Vrije Volk.
De Dordtenaar was een kopblad van het Algemeen Dagblad met een warm kloppend hart voor de plaatselijke middenstandsbelangen: wat moest een man van zijn journalistieke postuur bij deze krant?

Om van zijn politieke signatuur maar te zwijgen.

Dordrecht was dan wel van oudsher een rode stad, het was voor het eerst dat de grootste krant ter plaatse (oplage 30.000) werd geleid door iemand die er geen geheim van maakte dat zijn politieke sympathie uitging naar de PvdA. Maar heette zijn column in Het Vrije Volk nog Linkerhoek, in De Dordtenaar schreef hij drie keer in de week een rubriek onder het voor zijn vrienden wellicht provocerende kopje Rechterhoek. Niet dat zijn opvattingen dezelfde switch maakten.

Op de andere dagen van de week stond op die plek mijn column Dagdromen. We waren op dezelfde dag begonnen bij De Dordtenaar, hij als hoofdredacteur, ik als leerlingjournalist. Eijkelboom ontpopte zich tot de gedroomde leermeester. Geen plek in de krant was voor mij taboe. Vond hij iets wat ik had geschreven niet zo goed, dan was het omdat hij vond dat ik beter kon. En dan deed ik beter.

Hoewel Eijkelboom ook in zijn latere leven trouw is gebleven aan Dordrecht, bleek De Dordtenaar te klein, te benauwd. Ik kwam hem weer tegen op de redactie van Het Vrije Volk in Rotterdam. Hier was hij chef van de kunstredactie, later van buitenland, maar wie daar oog voor had, zag hem gestaag afdrijven in de richting van de poëzie die hem landelijke faam, literaire onderscheidingen en het ereburgerschap van Dordrecht zou bezorgen.

Frank van Dijl

permalink

Paul Kouwenberg (1941-2008)

vrijdag 29 februari 2008

Opvallend bij de begrafenis van Paul Kouwenberg waren – naast zijn oud-collega’s van de Volkskrant – de medewerkers van het technisch bedrijf. Niet onlogisch, want behalve journalist was Kouwenberg in zijn laatste vijftien jaar bij de krant vooral de grote regelaar, met contacten tot diep in de rest van het bedrijf.

Hij kwam in 1965 bij de krant als redacteur binnenland, na vijf jaar al klom hij op naar de plek van chef nachtredactie, waar bij het selecteren van het nieuws vooral een beroep werd gedaan op zijn journalistieke kwaliteiten. Een plichtsgetrouwe, integere, perfectionist die het zichzelf nooit makkelijk maakte. Maar ook onder de druk van de sluitingstijd bleef hij de aimabele collega, aan wie van de buitenkant nauwelijks te merken was, welke stormen binnenin hem woedden.

Zijn organisatorische kwaliteiten spitsten zich toe in zijn functie van redactiechef, waarin hij zich met alle mogelijke aspecten van het krantenbedrijf bemoeide. Hij dacht mee over de bouw van de nieuwe drukkerij van PCM, had de hand in de samenstelling van de vele nieuwe katernen die bij de Volkskrant ontstonden, had het toezicht op allerlei speciale uitgaven, maar ook op de aanschaf van nieuw meubilair. Van de vele kwalificaties die hem werden toebedacht, was ‘geheim kamerheer van hoofdredacteur Harry Lockefeer’ er een. Vele keren per week zat hij op diens kamer voor het doornemen van allerlei standen van zaken. In die tijd ligt ook de oorsprong van zijn vele contacten met de andere afdelingen in het bedrijf, van huishoudelijke dienst tot en met het advertentiebedrijf.

De laatste jaren had Paul het niet makkelijk. Ongetwijfeld is het ongeluk waarbij zijn zoon grotendeels verlamd raakte, daar een oorzaak van geweest. Maar ook de inhoud van de krant strookte niet meer met zijn opvattingen, te populistisch vond hij. Met enige opluchting moet hij met vut zijn gegaan, in 2001. Maar zijn pensioen was hem nauwelijks gegund: hij overleed op 20 februari aan kanker, 66 jaar jong.

permalink

Dirk van Egmond (1953-2008)

vrijdag 18 januari 2008

Op de eerste dag van het nieuwe jaar won een streptokok het na een kort maar hevig gevecht van Dirk van Egmond, mijn eindredacteur bij het KRO-radio-1-­programma DingenDieGebeuren.

Zelden had ik een collega die zo vreselijk zichzelf was. Onaantastbaar voor modegrillen, hypes, paniek om luister- of kijkcijfers. Dirk was Dirk. Was wie hij was. Vond wat hij vond. Vanachter zijn bril, die steevast afgleed tot de neusvleugels, bezag hij de wereld en de kippendrift om hem heen met een zekere ironie.

Getergd was hij alleen als de stem des volks – niet gehinderd door enige kennis van zaken – zijn ongenoegen weer eens vrijelijk mocht spuien. Want Dirk had een uitgesproken hekel aan populisme. Juist omdat hij wel kennis van zaken had.
Dirk wist veel. Van de Tweede Wereldoorlog, van de omroep, maar vooral van alles dat rijdt, vaart en vliegt. Expert op het gebied van gevechtsvliegtuigen. Typenummers en wapensystemen voor in het hoofd. Dat was het nooit gestorven jongetje in hem. Het doorgeven van die kennis, het in perspectief zetten van het nieuws, dat was zijn leidmotief. Dirk was een milde chef die anderen de vrijheid gaf om te stralen. Daar genoot hij van, in stilte.

Correspondent in Zuid-Afrika, de Tros, de Avro, RTL-nieuws, omroep Flevoland en de snelle jongens van Veronica Nieuwsradio. De rebellenclub, met Dirk – om oud-collega Jeroen Wielaert bij de begrafenis te citeren – als ‘Supersjors’. De regelneef, die alles voor elkaar kreeg. En die later zichtbaar moeite had met de verzakelijking van het vak. Voor hem was het en bleef het een manier van leven. De laatste jaren profiteerden wij bij de KRO van al zijn kennis, humor en ervaring. ‘Eigenlijk zouden ze Dirk opnieuw moeten uitvinden’, zei Reporter-collega Marc Josten daags na zijn overlijden. Al was het maar omdat Dirk een zeldzaam fijn mens was.

Sven Kockelmann

permalink

Johan Olde Kalter (1944-2008)

vrijdag 18 januari 2008

Volkomen onverwacht is zondag 13 januari thuis in Bergen op 63-jarige leeftijd mr. Johan Olde Kalter overleden. Olde Kalter nam in 2006 bij het bereiken van de vut-gerechtigde leeftijd afscheid als hoofd­redacteur van De Telegraaf en lid van de concern­directie. Bij dat afscheid werden hem de versierselen opgespeld behorend bij het officierschap in de Orde van Oranje Nassau.

Ruim een maand na het overlijden van adjunct-hoofdredacteur en politiek commentator drs. Kees Lunshof, kwam ook deze dramatische mededeling keihard aan op de redactie van De Telegraaf.

Natuurlijk gingen de gedachten onmiddellijk uit naar Annemiek, onze lieve collega die in 2006 kort na diens afscheid met Johan in het huwelijk trad. En niet te vergeten zijn kinderen, zijn familie en zijn vrienden. Zijn ontelbare vrienden. Olde Kalter kende louter vrienden. Allereerst natuurlijk op de redactie en bij de vele andere bedrijven van het Telegraafconcern. Maar wat te denken van de buitenwereld… Relaties werden vrienden. Geen betere illustratie dan zijn afscheids­bijeenkomst op in april 2006 in een bomvol Carré met als eregast prof. mr. Pieter van Vollenhoven.

Een fantastische ambiance voor een fantastische collega. De uiterst aimabele man, met wie ik zelf het voorrecht heb gehad jarenlang onze redactie te hebben mogen leiden. De man, die ik destijds in Carré uitriep tot de sympathiekste hoofdredacteur van Nederland. Vrolijk, positief, warm, no nonsense, en bovenal een echte levensgenieter. Zijn karakter, in al zijn uitingen, was terug te vinden in de krant waarvan hij zo zielsveel van hield, waar hij zo trots op was en die was uitgegroeid tot een van de grootste van het Europese vasteland.
De tijd van de polarisatie was voorbij. Olde Kalter was een van de mensen die bij uitstek het talent had van ‘vijanden’ vrienden te maken en mede leiding te geven aan een inmiddels alom bewonderde brede, gezaghebbende krant met belangwekkende, vaak schokkende publicaties. Maar ook een krant met oog voor de leuke kanten van het leven, een krant die een groot publiek aanspreekt, een krant die bovenal dicht bij de lezer staat.

Eef Bos,
namens hoofdredactie en redactie De Telegraaf

permalink

Home | Nieuwsarchief | Opinie | Vacatures | Magazine | Prikbord | Agenda | Personalia | Adverteren | Villamedia portal | Nieuwskaart | Opleidingenkaart | Dossiers | Feeds | Nieuwsbrieven | Video | Contact | Persberichten