Opinie

Sander Thoeneslezing 2008

woensdag 24 september 2008

Pieter Waterdrinker hield op 22 september de negende Sander Thoeneslezing, ter nagedachtenis van Sander Thoenis die in 1999 bij de uitoefening van zijn werk als journalist in Oost-Timor werd gedood. Waterdrinker spreekt over de persvrijheid in Rusland. Hij betoogt dat het achterhalen van feiten wellicht lastig, zo niet onmogelijk is, maar dat vent en vorm daarvoor het alternatief vormen. Je hebt geen statistieken nodig om te constateren dat er in een oorlog slachtoffers vallen.

Lezing Pieter Waterdrinker, uitgesproken bij gelegenheid van de 9e Sander Thoeneslezing, d.d. 22-09-2008

‘Het beroep van oorlogscorrespondent beschrijven, wat is een
oorlogscorrespondent? (…) Gisteren waren hier de kozakken van ritmeester
Jakovlev. Een pogrom. Het hele gezin David Zis, in de huizen, een naakte,
ternauwernood ademende oude man, een profeet, een neergesabelde oude vrouw,
een kind met afgehakte vingers, velen ademen nog, de stank van bloed, alles
overhoop gehaald, chaos, een moeder bovenop haar neergesabelde zoon, een
oude ineengerolde vrouw, 4 mensen in één hut, vuil, bloed, onder een zwarte
baard, zo liggen ze in hun eigen bloed. (.) Een vrije dag, het
correspondentschap is iets moois, als je het tenminste niet laat slabakken.’
Uit ‘Dagboek’, 1920, Isaak Babel

Afgelopen winter werd ik uitgenodigd door het televisieprogramma Sudite Sami
(’Oordeelt u zelf’) op het Russische eerste tv-kanaal. Ik belandde weer eens
in gezelschap waarin ik eigenlijk helemaal niet thuishoorde. Men had me
uitgenodigd als publicist en vooral als buitenlander, in de veronderstelling
dat ik voorstander was van de zojuist uitgeroepen en erkende
onafhankelijkheid van Kosovo.

Daar zat ik in een kamertje in de tv-studio in het noorden van Moskou thee
te drinken met drie Russische schrijvers - allen zapadniki, westers
georiënteerde intellectuelen. We spraken over koetjes en kalfjes en vraten
zowat alle koekjes op. Toen kwam het Balkanteam binnen - iemand van de
Servische ambassade in Moskou, een onderhandelaar, een hoge Russische
diplomaat, dat soort volk. Een brunette met amandelogen en een wespentaille
bracht ons op tikkende hoge hakken naar de schmink. Even later stonden we
als twee teams onder de hete studiolampen in een soort arena tegenover
elkaar: de voor- en de tegenstanders van een onafhankelijk Kosovo. Ik had
tegen een dame van de redactie nog in paniek gezegd dat ik in het verkeerde
team zat, dat ik mijn standpunt in de kwestie eigenlijk nog helemaal niet
had bepaald, waarop ze zei: ‘Dan zegt u toch dat toch? U kunt zeggen wat u
denkt.’ Waarop een van de schrijvers, een eminente Boelgakov-kenner, mij
bijviel: ‘Ja jongen, je moet gewoon zeggen wat je denkt. Dat moet je in het
leven altijd doen.’

Ik haal dit voorval aan omdat het plaatsvond bij een tv-programma in een
land waar de elektronische media - zoals u weet - van A tot Z onder de knoet
van het Kremlin zitten. Dat rechtstreeks op het belangrijkste kanaal werd
uitgezonden en door tientallen miljoenen zielen bekeken. En ik kon zeggen
wat ik wilde. Bijvoorbeeld: ‘Poetin is een pederast!’ Of: ‘Weg met alle
fascisten en democraten!’

Net als bij ons in Nederland. Hoewel: ik herinner me de keer dat ik was
uitgenodigd voor het programma Buitenhof, omdat ik vanwege een passage in
mijn debuutroman Danslessen voor de Hoge Raad was gesleept vanwege
antisemitisme. Anders dan bij de redactiedames van Sudite Sami werd er voor
de uitzending door een Amsterdamse heer met een modern brilletje voortdurend
op me ingepraat. Het leek wel alsof niets aan het toeval mocht worden
overgelaten, alsof ik werd gehersenspoeld. ‘Meneer Waterdrinker, we
verwachten van u vuurwerk! Valt u ze zo hard mogelijk aan! We moeten denken
aan de kijkcijfers!’ Ik werd helemaal opgenaaid en liet me ook opnaaien,
iets waarvan ik nu spijt heb. In Rusland ben ik toch tamelijk vaak op tv
geweest, maar zoiets bizars heb ik daar persoonlijk nog nooit meegemaakt.

Zonder opsmuk

Veel, oneindig veel meer dan in Nederland lopen goed en kwaad in Rusland
door elkaar heen. Dat is misschien wel de voornaamste reden waarom ik het er
nu al meer dan twaalf jaar lang uithoud - de menselijke conditie is er
zoveel dieper en aanschouwelijker, zoveel eerlijker en zonder opsmuk, zoveel
vuiger en hypocrieter, zoveel kleurrijker en grijzer, zoveel menselijker en
onmenselijker.

Ik heb mijn woonomgeving zien veranderen van de anarchistische chaos onder
Boris Jeltsin - waarin stelen van elkaar en van de staat, met de zegen van
dezelfde staat, werd verheven tot nastrevenswaardig ethisch gedrag - tot de
autoritaire kleptocratie van Vladimir Poetin en de boven hem gestelde
paladijn Dmitri Medvedev.

Het land is verre van een democratie, maar het is tevens een staat met
misschien wel het grootste pr-probleem op aarde. De vrienden die mij voor
het eerst bezoeken, ondergaan hetzelfde als destijds veel voormalige
Sovjetburgers, wier hersenen waren gebalsemd door de communistische
propaganda, bij hun eerste bezoek aan het kapitalistische Westen: die van de
totale cultuurshock. Ze beginnen te wankelen, zo niet in letterlijke zin op
hun benen, dan zeker in de geest. Want dit is toch het land waar kritische
journalisten als Anna Polit kovs kaja, die de militaire smerigheden van het
regime in Tsjetsjenië aan de kaak stelde, in portieken straffeloos worden
omgebracht? Van de ten hemel schreiende corruptie? Van de maffia? De
schandalige kloof tussen arm en rijk? De massale schendingen der
mensenrechten?

Ze kunnen het niet rijmen met de beelden van tieners, flirtend en flanerend
bij spuitende zomerfonteinen; van zielsgelukkige vaders en moeders die hun
kinderen op 1 september - met bloemen en strikken in het haar - naar school
brengen; van de verlichte wegen, barstensvol nieuwe auto’s; van de
hypermoderne winkelcentra; van de trendy restaurants en wildgroei aan
theaters. Ik zeg dan altijd dat Rusland een tijdmachine is; dat er diverse
werkelijkheden simultaan naast elkaar staan. Ze hoeven maar een
boemeltreintje te nemen, en hup, vijftig kilometer verderop staan ze in de
negentiende eeuw. Mijn gasten keren zonder uitzondering met volstrekt andere
beelden en opvattingen over Rusland terug dan ze aanvankelijk hadden.
Kennelijk schort er iets in de berichtgeving - alsook in de perceptie
daarvan.

Deze constatering is natuurlijk niet nieuw. Het geldt wellicht voor de
meeste landen. Toch zou ik dit fenomeen hier van wat bescheiden voetnoten
willen voorzien.

Hoe ga ik in de autocratie Rusland te werk? En in hoeverre bepaalt het
thuisfront het beeld over een ander land? Welke gevaren dreigen hier? Twee
jaar geleden werd op deze plaats door Jo ris Luy en dijk geopperd dat de
methode van kwaliteitsjournalistiek - die van hoor en wederhoor; het niet
mengen van feiten en meningen - in een dictatuur eigenlijk onmogelijk goed
is te bedrijven. Maar is die methode wel cruciaal voor waarheidsvinding?
Volgens mij komt ook veel neer op de vent door wiens ogen we meekijken. En
niet te vergeten: op de vorm.

Volkomen vrij

Ik werd voor deze lezing gevraagd op 8 augustus, toen ik zojuist was
teruggekeerd van een bezoekje aan het voormalige buitenhuis van Thomas Mann
aan de Litouwse kust. Ineens ging mijn Nokia. ‘Maar ik ben helemaal geen
oorlogsjournalist,’ riep ik nog. En dat is ook zo. Bij de oorlogen in
Tsje tsje nië en Afghanistan ben ik altijd laf om het geweld heen gecirkeld.
Daarom was het ook zo’n cynisch en gruwelijk toeval dat ik een paar dagen
later in het mortuarium van de Geor gi sche hoofdstad Tbilisi stond naast
het lijk van Stan Stori mans, net als Sander Thoenes - wiens gewelddadige
dood op Oost-Timor in 1999 we hier gedenken - gesneuveld tijdens zijn werk
in het veld, nabij het standbeeld van Stalin in de stad Gori. Ter
nagedachtenis wil ik aan hem deze woorden opdragen, alsook aan Jeroen
Akker mans, een goed en getalenteerd mens.
Het hierboven aangehaalde voorbeeld van mijn optreden in Sudite Sami
illustreert eens te meer dat alles in het leven relatief is. Zeker, de
elektronische media in Rusland staan al acht jaar lang vrijwel volledig
onder het gezag van het Krem lin. Wie dagelijks de anti-westerse en
demagogische commentaren van Michail Leon tiev op het Rus sische eerste
tv-kanaal tijdens het negenuurjournaal aanhoort, kan niet anders dan
weglopen, een vinger naar zijn huig brengen, of een wijnfles tegen het
beeldscherm gooien. De intelligentsia, of dat wat ervan over is, walgt in
stilte; het gros vindt het prachtig. De onverschilligheid over de moorden op
journalisten - waarvan we er onlangs in Rusland weer een paar konden
bijschrijven - is ontstellend.

Maar tegelijkertijd is het land nog dezelfde anarchistische samenleving als
voorheen en bezitten de Russische burgers een vrijheid die even opmerkelijk
als in sommige opzichten grenzeloos is. De Moskouse metro toont een
wildgroei aan kranten, tijdschriften, pamfletten en schotschriften. Het
varieert van serieuze politiek tot de meest gore erotica; van publicaties
van sjamanen en heksen tot die van vegetariërs en imkers. Op weg naar het
zwembad kom ik twee keer per week bij metrohalte Kiev een man tegen,
fanatiek een antisemitisch blaadje uitventend. ‘Zijn de joden nog steeds aan
alle ellende schuldig?’ vraag ik hem weleens. ‘Nou, en of! Het Kremlin zit
er vol mee!’

Het klinkt misschien vreemd, maar ik voel me als schrijver en als
verslaggever in Rusland volkomen vrij. Een belangrijk voordeel is dat
politieke correctheid onder de bevolking vrijwel volledig ontbreekt. Je ziet
de mens zoals hij is, de mens zonder schil, zonder dat je ingewikkelde
inkijkoperaties hoeft uit te voeren, zoals het voorbeeld van mijn
blaadjesman illustreert. Hij is - in al zijn gekte en openheid -
emblematisch voor miljoenen. Zo sprak ik in Sint Peters burg eens een kerel,
echtgenoot en huisvader, die een uitvoerige handleiding had geschreven hoe
de inwoners van vreemde bloede van zijn stad zo effectief mogelijk konden
worden vernietigd. Hij sprak over de schoonheid van de kogel, de messteek in
de rug, de ontploffende bom. Hij sprak over mensen als over kakkerlakken,
terwijl hij zich bij de serveerster in het tentje waar we zaten charmant
verontschuldigde voor wat gemorste thee. Ik denk altijd: laat de ratten maar
uit hun riolen komen, laat ze maar braden in het zonlicht. Je hoeft alleen
maar te luisteren om een beeld te krijgen van een individuele of de
collectieve psyche.

Achterklap en feiten

Een ander voordeel van werken in Rusland is dat officieel niets mogelijk is,
maar tegelijkertijd alles mogelijk is. Zeg maar het omgekeerde van hier in
Amsterdam. Fabriekshallen, vakbondskantoren, ziekenhuizen,
krankzinnigengestichten, privévliegtuigen, mijnschachten, diep in het geheim
verborgen bedrijfsbordelen, klapperende tenten van rendiervolkjes boven de
poolcirkel, de kantoren van gouverneurs - lokale potentaten die het land van
Kaliningrad tot achter in Siberië bestieren - ben ik op de bonnefooi
binnengelopen en hebben me de mooiste verhalen opgeleverd. Men staat even
vreemd te kijken, je wordt besnuffeld en beroken, maar voor je het weet, zit
je aan een rijkelijk gevulde dis, vloeit de drank, lijkt Moskou ineens heel
ver weg en verneem je uit welwillende monden aan roddel, achterklap en
feiten meer dan een jaar lang Kremlinwatchen of het afleggen van officiële
interviews opleveren.

Vaak wordt door de thuisbasis gewaarschuwd voor het fenomeen going native,
in mijn geval: dat je te veel Rus wordt met de Russen. Het gevaar zou
bestaan van onacceptabele vereenzelviging en het verliezen van
objectiviteit. Afgezien van de even onzinnige als saaie vraag of volledige
objectiviteit bestaat: ik vind going native helemaal niet erg - ja, in een
land als Rusland misschien wel noodzakelijk. Een correspondent dient van een
land een beeld te geven en dient dat zo goed mogelijk te doen. Maar wat als
persconferenties en andere bijeenkomsten een aanfluiting zijn? Statistieken
erger dan leugens? Het checken van feiten doorgaans onbegonnen werk?
Laat ik een voorbeeld geven uit de praktijk. Ik wilde er eens achter komen
hoe erg het in Rus land was gesteld met de corruptie. Dat het bestond, was
me wel duidelijk: een kijkje achter mijn huis, waar ambtenaren in zwarte
limousines met hun in bontjas gehulde piepjonge liefjes af en aan reden bij
het fameuze restaurant Por to fino, was voldoende. Ik ging aan het werk.
Maar niemand kon het mij vertellen, want niemand die het precies wist. Een
instelling die het fenomeen objectief onderzocht, was er niet.

Op een avond zat ik met mijn kennis Dima, een voormalige bokskampioen uit
Minsk die met diverse bizznisjes opereert in het zogeheten ’schemergebied’,
in het badhuis Sandoeni nabij de Sme den brug koud tapbier te drinken en
warme garnalen te pellen, toen er een dikke vent op ons af kwam - als een
Romeinse senator, een klam laken om zijn lichaam. Hij was een vriend van
Dima, een hoge brandweercommandant van het Moskouse district. Toen we even
later weer in het stoomhok zaten en de natte berkentakken over ons ruggen
gingen, begon de dikke Rus, in de veronderstelling verkerend dat ik behoorde
tot Dima’s dubieuze coterie, te vertellen. Ik vernam tot in de finesses hoe
het spel met omkoopgelden werd gespeeld. Hoe de brandweertop voor stempels
die restaurants, hotels, fabrieken veilig moesten verklaren tonnen, soms
zelfs miljoenen dollars vroeg. Hoe bij allerhande overheidsdeals - er vielen
interessante namen - eerst de fameuze ‘tien procenten’ aan commissie op
buitenlandse bankrekeningen moesten worden veilig gesteld.

De volgende dag kon ik met een gerust hart beweren: de corruptie in Rusland
is groot, zo niet endemisch. Checken kon ik het niet - maar ik schreef het
wel op. Dat kan de lezer dan geloven, of niet. Ik zou dit voorbeeld kunnen
aanvullen met duizend andere.

Over de thuisbasis gesproken: ook ik heb de afgelopen jaren vanuit Moskou
gezien hoe de macht van het bureau tot absurde proporties is gegroeid, ten
detrimente van - wat dan heet - ‘de man of de vrouw in het veld.’ De terreur
van het format rukt ook bij de buitenlandberichtgeving op. Ik heb dikwijls
de indruk dat veel van tevoren wordt bekokstoofd; dat vooral tv-uitzendingen
als het ware worden gedesigned.

Zo werd bij de Doemaverkiezingen afgelopen december mij een paar keer
gevraagd of ik wilde meewerken aan programma’s waarvan de inhoud al grondig
was uitgedokterd. ‘We willen twee items maken: één over een arme Rus, een
ander over een superrijke, want dat is nu eenmaal het belangrijkste verhaal
op dit moment in Rusland.’ Men vroeg mij voor niet meer dan een
invuloefening. Maar hoe kan iemand in Hil ver sum in vredesnaam weten hoe de
werkelijkheid in Rusland, niet minder complex dan elders op de aardbol, in
elkaar zit? Als ik na twaalf jaar wonen, werken, drinken, eten en slapen met
Rus sen het land eigenlijk steeds beter niet begin te begrijpen? ‘Denkt u
soms dat wij hier geen kranten lezen? Wij lezen de NRC, de Volks krant,
Spits, de New York Times en Die Zeit. Bovendien hebben we internet!’
Aha, dort ist der Hund begraben! Ook de verslaggever in den vreemde moet het
in toenemende mate opnemen tegen het internet; en omdat internet niks kost,
mag de correspondent in dezelfde toenemende mate ook niks kosten. Websites
en archieven worden met watervallen aan inkt uitgeprint; men pakt de gele
markeerstift erbij en de werkelijkheid - die de lezer, luisteraar of kijker
uiteindelijk krijgt voorgeschoteld - wordt aan de burelen grotendeels
gereconstrueerd. Over het gehele spectrum van de berichtgeving is men
bovendien verzot op pseudokennis en clichés; het beeld van een land wordt
daarnaast bepaald door de vigerende ethische, culturele en andere
opvattingen in het receptieland. Men is voortdurend op zoek naar
bevestiging, of zelfbevestiging. De geschiedenis met Politkovskaja is
misschien illustratief.

Hoe gruwelijk de moord op haar ook, de liquidatie van de hoofdredacteur van
het blad Forbes, Paul Chlebnikov, die bijna twee jaar eerder in Moskou door
negen kogels uit een langzaam voorbijrijdende auto werd gedood, was niet
minder gruwelijk. Ook hij was een moedige journalist die onder andere de
dubieuze zakelijke praktijken van de in Londense ballingschap verkerende
oligarch Berezovksi aan de kaak stelde. Maar waarom werd aan zijn dood
nauwelijks aandacht besteed? Het heeft te maken met timing. Maar
vermoedelijk ook met het feit dat Politkovskaja meer past in het beeld dat
wij van Rusland hebben, of willen hebben: dat van de eeuwige onderdrukker
met een krioelend groepje dissidenten. Zoals ook het moedige eenmansgevecht
van de schaakgrootmeester en Kremlin-opposant Garry Kasparov daarin naadloos
past, hoewel hij - zelfs al was Rusland een democratie - naar ik vrees maar
bijzonder weinig politieke aanhang zou hebben. En zo’n man van Forbes? Was
dat niet meer een Russische Jort Kelder? Die zal wel in het foute circuit
hebben gezeten, met macht en geld.

Ongepolijste domheid

De jongste ontwikkelingen bij een persbureau als de GPD en veel kranten zijn
intussen even veelzeggend als alarmerend. Weekbladen willen voor stukken nog
wel betalen, maar voor het vergoeden van onkosten is meestal niet langer een
budget. Er is een rechtstreeks verband tussen de megasalarissen die sommige
mediamanagers en mediasterren opstrijken en het toenemende uitknijpen van
hen die met de poten rondwaren in het zogeheten bluswater. Vooral
freelancers zijn de klos. Nog steeds staan voor tientallen miljoen euro’s
bedrijfsauto’s op de balans voor de managers van grote kranten- en andere
mediaconcerns. Maar bij de recente oorlog in de Kaukasus ging het gros van
het vaderlandse journaille in negen jaar oude Ladaatjes naar het front. Een
molestverzekering? Meneer, waar praat u over? Wij verkeren in diepe crisis!
Terwijl ik zelf in een gammel Ladaatje op weg was naar Gori, met krimpende
maag luisterend naar het doffe mortiergerommel in de verte, werd ik op mijn
mobieltje gebeld uit Hilversum. Of ik die avond even wat op tv via de
straalverbinding wilde vertellen. O ja, en de vergoeding bedroeg tweehonderd
euro. Wat? Tweehonderd euro. Ik vertelde dat de hoeren beneden in mijn hotel
tweehonderd euro kostten. En drukte boos weg.

Men heeft er op veel redacties amper weet van hoe het de man of vrouw in het
veld vergaat. Er is veelal sprake van onderhuidse jaloezie: hij of zij
verblijft immers op kosten van de zaak of de gemeenschap lekker in het
buitenland, terwijl wij thuis moeten blijven. In nettere sectoren van de
maatschappij, zoals de diplomatie, bestaat het begrip R & R: Rest and
Recovery. Iemand op een stressvolle en gevaarlijke post - Irak, Afghanistan
- mag om de zoveel weken extra op verlof. In de journalistiek bestaat zoiets
niet alleen niet, maar het idee op zich al wordt door collega’s ronduit
belachelijk gevonden. ‘Wat, verlof? En je bent net betaald op vakantie
geweest!’

Mijn vriend Alexander Münninghoff vertelde me eens hoe hij -
gedurende de oorlog in El Salvador, begin jaren tachtig - in een bar door
een stomdronken Indiaan een zilveren pistool tegen zijn hoofd gedrukt kreeg.
‘Ik ga je vermoorden, gringo!’ Toen hij, terug in Den Haag, op de redactie
zijn hart uitstortte, werd er om zijn verhaal gelachen. Waar ze om lachten,
was hun eigen onwetendheid; misschien lachten ze wel hun heimelijke wrok,
hun lafheid, of gewoon hun ongepolijste domheid weg.

Ik citeer hier de zin die Münninghoff over dit voorval uitsprak voor de
VPRO-radio, omdat deze niet alleen zo mooi geformuleerd, maar inhoudelijk
ook zo waar is: ‘Pas als het schot inderdaad gelost is, de dood
onomstotelijk is ingetreden, ontwaakt men thuis uit de droom van de virtuele
onkwetsbaarheid van de journalist. Dan wordt opeens beseft hoe erg alles was
en is en zal zijn. Maar wie het er, al dan niet voor de zoveelste keer,
levend vanaf brengt, staat per definitie op één lijn met Kuifje, wiens
avonturen immers ook altijd goed aflopen, zodat je gerechtigd bent er vooral
de amusementswaarde van tot je te nemen’.

De tragedies met Stan Storimans, Sander Thoenes en zij die hen voorgingen,
tonen ook het volgende aan: dat werkelijke waardering veelal pas komt als
het te laat is, een waardering die ze misschien liever hadden gehad toen ze
nog in leven waren. Hoofdredacties moeten zich te midden van de wervelstorm
van bezuinigingen bewust blijven van hun morele verantwoordelijkheid: het
uitblijven van botte pech in je leven kun je bij geen enkel filiaal op aarde
verkrijgen - maar verzekeringen, kogelvrije vesten en fatsoenlijke
honoreringen wel.

Sturende romp

Ik besloot mijn voorbeeldje over het badhuis met de volgende zin: dat kan de
lezer dan geloven, of niet. Hier komen we bij een interessant punt: dat van
de geloofwaardigheid. Van de ene mens zijn we geneigd meer aan te nemen dan
van de andere; bij de diverse media ligt het al niet veel anders. Zaken als
bewezen betrouwbaarheid, levenswandel, nestgeur, politieke gezindheid en
vooringenomenheid spelen hierbij natuurlijk een rol.
De nadruk die Joris Luyendijk, sprekend over zijn ervaringen als
verslaggever in het Midden-Oosten, legde op het feit dat
kwaliteitsjournalistiek in een dictatuur in wezen onmogelijk is omdat we de
feiten amper kunnen achterhalen en controleren, zou de indruk kunnen wekken
dat aan deze methode in Nederland veel waarde wordt gehecht. Maar is dit wel
zo? Als we de huidige Nederlandse journalistiek bekijken dan zijn het juist
degenen die zich niet met het verzamelen en checken van feiten bezig houden,
maar vooral meningen geven, die de canon aanvoeren. Eigenlijk, zou je kunnen
zeggen, staat de methode van het verzamelen en controleren van feiten in het
Nederlandse journalistieke bedrijf helemaal niet in zo’n hoog aanzien.
Als een correspondent, zoals in het geval van de democratische autocratie
Rusland, eigenlijk niet of nauwelijks kan worden afgerekend op het
verstrekken van juiste feiten, wat blijft er dan over? Ik denk één heel
belangrijk ding: de primaire waarneming, waarbij vent en vorm hand in hand
gaan.

Vorige maand reed ik op een nacht met mijn vriend en collega Michel
Krielaars in een taxi door Tbilisi. We hadden zojuist een bezoek gebracht
aan een bordeel, om te bekijken hoe de spanningen van het front in
Zuid-Ossetië in kamertjes aan een naar chloor stinkende lange gang werden
verwerkt. De man achter het stuur was een Georgiër zonder benen. Hij was een
sturende romp. Via een ingenieuze constructie kon hij gas geven, remmen en
schakelen met de hand. Toen ging mijn mobieltje. De kapsalon van de
homoseksuele broer van een vriendin van mij uit Moskou was die ochtend door
de fiscus overvallen. Men vroeg tienduizend dollar afkoopgeld. Wat moest hij
doen? Toen ik zei dat ik in Georgië zat, viel hij uit: ‘Mooi, eindelijk
krijgen die smerige zwartkonten op hun flikker van het Kremlin!’ Het systeem
dat hem probeerde af te persen, verdedigde hij nu te vuur en te zwaard. De
invalide chauffeur begon even later te vertellen hoe hij bij het ruimen van
mijnen uit de eerste oorlog in Abchazië - begin jaren negentig - zijn benen
was verloren. Maar als het moest zou hij opnieuw tegen de Russen vechten.
Zwijnen waren het!

Ik keek even naar de maan, die soeverein boven de warme heuvels stond, en
dacht voor een moment dat ik alles begreep; dat het conflict tussen Georgië
en Rusland door de zwoegende stakker achter het stuur en het weer zwijgende
mobieltje op mijn schoot werd verzinnebeeld. Het was natuurlijk een illusie.
Maar voor dergelijke illusies en desillusies moet men wel op pad gaan, met
de trein, het vliegtuig, de auto of de boot - men treft ze niet aan op het
internet, noch in het allerbest bijgehouden archief.

Fraai saluut

Ik begon met een citaat van Isaak Babel, die behalve een fenomenaal
schrijver een fenomenaal journalist was. Ik had ook Vasili Grossman kunnen
aanhalen, in beide hoedanigheden niet minder fenomenaal. Ze deden hun werk
bovendien in een dictatuur, waar - wat de mogelijkheid tot het controleren
van feiten betreft - ook toen al schraalhans keukenmeester was. Maar willen
we een verpletterend beeld krijgen van de verschrikkingen van de
burgeroorlog vlak na de Russische Revolutie of van de Tweede Wereldoorlog in
de Sovjet-Unie, dan kunnen we het beste hun boeken ter hand nemen, zoals we
in het geval van de Napoleontische veldtocht in Rusland het beste te rade
kunnen gaan bij Tolstoj - een schrijver van fictie, zoals u weet.
Naast de geloofwaardigheid van de vent, waarmee ik natuurlijk ook vrouwen
bedoel, komt misschien wel het meeste neer op de vorm: het vermogen van de
verslaggever om in de chaos van feiten niet alleen de achterliggende
verbanden, maar tevens het eeuwige menselijke drama te zien van de zwakke,
moedige, wrede of liefdevolle enkeling, zowel onder de daders als onder de
slachtoffers, zowel in oorlog als in vrede. En die visie op het mensdom is
per definitie gestileerd.

Het feit dat auteurs als Arnon Grunberg en Abelkader Benali zich niet te
beroerd hebben getoond om zich naar de oorlog te begeven, althans te blijven
op de plek waar die uitbreekt, is een fraai saluut aan de telkens weer als
moerasgas opkomende discussie over het ontbreken van straatrumoer in de
Nederlandse letteren. Laat de studenten op de journalistenopleidingen
intussen - naast alle aandacht voor multimedia - vooral boeken als Rode
ruiterij van Babel en Een schrijver in oorlog van Grossman lezen, zodat ze
kunnen zien hoe het eenvoudige en nederige ambacht van de verslaggever kan
bloeien in de hand van de meester.

Pieter Waterdrinker (Haarlem, 1961) studeerde Frans, Russisch en rechten aan
de Universiteit van Amsterdam. Hij woont sinds 1996 in Rusland, afwisselend
in Moskou en Sint Petersburg, schrijft freelance voor diverse
kranten en tijdschriften en is een regelmatige gast op de Russische televisie. Zijn
romans zijn vertaald in het Engels, Duits en Russisch.

Auteur: Pieter Waterdrinker

Reacties kunnen worden doorgeplaatst in het tijdschrift. Die reacties moeten dan wel voorzien zijn van volledige naam en e-mailadres.

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Log hieronder in of meld je aan als je geen logingegevens hebt.



Home | Nieuwsarchief | Opinie | Vacatures | Magazine | Prikbord | Agenda | Personalia | Adverteren | Villamedia portal | Nieuwskaart | Opleidingenkaart | Dossiers | Feeds | Nieuwsbrieven | Video | Contact | Persberichten