![]() |
|||||||
| |
|
|
|
|
|
||
| |
|||||||
|
De Journalist / Genootschap /FreelancersAdvies / Mediadebat / de Fotojournalist.nl / Zoek Een Freelancer / Perskaarten |
|||||||
|
Rapport Commissie
Inleiding |
Conclusies m.b.t. de knelpunten Mede naar aanleiding van bovenstaande kan een aantal conclusies worden getrokken met betrekking tot de knelpunten in de regelgeving op het gebied van de journalistieke uitingsvrijheid. 1. De uitingsvrijheid in beperkte zin (directe uitingsvrijheid) is in Nederland aanmerkelijk beter beschermd dan de vrijheid van informatievergaring. Overigens blijft waakzaamheid geboden wat betreft het voornemen van de minister van Justitie om, naar aanleiding van de publicatie van gelekte strafdossiers in de Dover-zaak, de mogelijkheden van een algemeen publicatieverbod van vertrouwelijk materiaal te onderzoeken. Ook zijn uitlating naar aanleiding van de zaak-Vaatstra dat de media in lopende strafzaken een publicatieverbod zou moeten worden opgelegd, zou tot een ongewenste inbreuk op de directe uitingsvrijheid kunnen leiden. 2. Wat de informatievergaring betreft, laat de huidige Leidraad over de positie van de pers bij politieoptreden veel discretionaire ruimte toe zonder dat er duidelijke regels zijn. Zodra het belang van de strafvordering in het vizier komt, lijkt het uitgangspunt bij bronbescherming "ja, tenzij…" weer in "nee, tenzij…" te verkeren, terwijl inbeslagneming van journalistiek materiaal dat tot bewijs zou kunnen dienen, alras is toegestaan. In tegenstelling tot de "echte" verschoningsgerechtigden (arts, advocaat, notaris, geestelijke) zijn er geen wettelijke regels die de journalist ? en het journalistieke materiaal ? extra bescherming bieden bij huiszoeking en inbeslagneming. Aan een bevel tot uitlevering van materiaal dat kan dienen om de waarheid aan het licht te brengen, moet de journalist eenvoudig voldoen. De omstandigheden waaronder het Amsterdamse gerechtshof tot gijzeling van Voskuil overging, en de vertraging in de opheffing daarvan laten zien dat rechters verschillend denken over de ruimte die artikel 10 EVRM biedt. Anders liep het bijvoorbeeld met journaliste Stella Braam, die na haar weigering haar aangifte wegens bedreiging als getuige in de strafzaak nader toe te lichten, niet werd gegijzeld omdat de rechtbank Amsterdam dat zinloos vond. Het gevolg was ook dat de verdachte werd vrijgesproken, omdat het bewijs van de bedreiging niet voorhanden was. Verschillen zijn eveneens zichtbaar in de Cameo/SBS-zaak, waarin de Hoge Raad de subsidiariteitsargumenten duidelijk anders beoordeelde dan de rechtbank. Een beroep op de wettelijke rechtvaardigingsgrond noodtoestand lijkt weinig kans van slagen te hebben. Een "journalistieke exceptie" die door wet of jurisprudentie duidelijkheid zou kunnen verschaffen over waar de grenzen liggen, bestaat in Nederland niet. 3. Het is de vraag of de nieuwe Aanwijzing dwangmiddelen tegen journalisten van het College van procureurs-generaal - die de Leidraad zal vervangen - verbetering zal brengen, in weerwil van de principeverklaring van het Openbaar Ministerie dat het de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel voert, terughoudend zal zijn met dwangmiddelen tegen journalisten en zuinig zal omgaan met vorderingen tot gijzeling. De Aanwijzing is een bevestiging - en bestendiging - van de bestaande situatie. Zij is opmerkelijk vaag over telecommunicatieonderzoek, die - in welke vorm ook - uitdrukkelijk niet wordt uitgesloten. 4. De Aanwijzing is weliswaar tot overheidsfunctionarissen gericht, maar kan in principe in rechte worden ingeroepen ter bescherming van de journalistieke uitingsvrijheid. Toch laat zij de politie nog altijd veel discretionaire ruimte en een eenmaal ten onrechte toegepast dwangmiddel als verwijdering is niet meer ongedaan te maken. In professionele termen weegt het achteraf in orde bevinden van de perskaart (al dan niet met verontschuldigingen) of zelfs schadevergoeding niet op tegen het feit dat de journalist zijn werk niet heeft kunnen doen. 5. Bovendien vloeien uit de ruime discretionaire bevoegdheden die het Nederlandse strafrecht kent, twee belangrijker, samenhangende, principiële problemen voort. Ruim gebruik van het opportuniteitsbeginsel betekent dat het Openbaar Ministerie niet snel tot vervolging van journalisten zal overgaan en eerder zal seponeren of proberen door onderhandeling de zaak te regelen. Dat levert op zichzelf een tolerant klimaat op wat betreft de beroepsvrijheid van de journalist en is bovendien meestal prettig voor de betrokkene en diens hoofdredacteur. Het betekent echter wel dat de officier van justitie en niet de rechter in eerste instantie de grenzen van de journalistieke beroepsuitoefening bepaalt. Nu het Openbaar Ministerie een niet-onpartijdig en belanghebbend overheidslichaam is, moet dat als een onwenselijke situatie worden beschouwd. 6. Eén probleem strekt zich uit over alle vormen van beperking van de journalistieke uitingsvrijheid. De journalist heeft weliswaar meer ruimte dan de gewone burger, maar dan, zo valt af te leiden uit de jurisprudentie inclusief die van het EHRM, moet het wel om "serieuze" journalistiek gaan. De uitingsvrijheid brengt echter mee dat slechts de journalistiek zelf, niet de overheid, zelfs niet de onafhankelijke rechter, bepaalt wat kwalitatief goede journalistiek is. De inhoudelijke normen van het beroep, bijvoorbeeld met betrekking tot het natrekken van bronnen, hoor en wederhoor en criteria op basis waarvan publicatie in het algemeen belang al dan niet achterwege blijft, worden binnen de beroepsgroep zelf ontwikkeld. Het EHRM zei hierover: "It is not for this Court, nor for the national courts for that matter, to substitute their own views for those of the press as to what technique of reporting should be adopted by journalists". (EHRM, Jersild v. Denemarken). Bemoeienis van overheidswege met die normen of het uitvoering geven daaraan doet de onafhankelijkheid van de media teniet. Maar de vrijheid van vorm betekent evenzeer dat geen waardeschaal mag worden aangelegd ten aanzien van het soort journalistiek. Om voor bescherming in aanmerking te komen moet niet alleen de zogenaamde serieuze pers, maar ook "infotainment" aan kwalitatieve journalistieke eisen voldoen, niet alleen het redactielid van een krant of actualiteitenrubriek, maar ook de freelance fotograaf, en niet alleen het NVJ-lid, maar ook de vrijbuiter. Zelfs het EHRM lijkt zich niet te houden aan deze consequentie: in de Jersild-zaak speelde bij het hof een belangrijke rol dat het gewraakte programma een serieuze actualiteitenrubriek was, expliciet gericht op een bijdrage aan het publieke debat, en gericht op een geïnformeerd publiek. 7. Alleen achteraf kan de rechter beoordelen of de journalist binnen de wettelijke kaders is gebleven. Daarbij moet bovendien acht worden geslagen op het algemeen belang bij behoud van een vrije pers en de taak van de pers soms juist die wettelijke kaders ter discussie te stellen. Dat wil niet zeggen dat binnen de beroepsgroep niet kan en moet worden nagedacht over de grenzen van de journalistieke beroepsuitoefening, wel dat de aard van het beroep meebrengt dat daarbinnen evenmin sprake kan zijn van afdwingbare regels. Wee de democratie waar consensus onder journalisten bestaat, laat staan wordt afgedwongen, over wat het algemeen belang is en waar de grenzen van hun vak liggen. In het licht hiervan, en van het onder 5 gestelde, is het ook de vraag of de NVJ, volgens het in Nederland gebruikelijke poldermodel, met het Openbaar Ministerie in overleg zou moeten treden over de inhoud van de nieuwe Aanwijzing. 8. Voor de gevallen waarin de journalist zijn informatie geheim wenst te houden, terwijl die nodig is in verband met de waarheidsvinding (ten voor- of ten nadele van de verdachte), geldt dat uit de vrijheid van meningsuiting voortvloeit dat de media in principe niet mogen worden gebruikt als de lange arm van justitie. Er moet vanuit worden gegaan dat van een journalist slechts in uitzonderlijke situaties mag worden verlangd dat hij dergelijke informatie ter beschikking van de overheid stelt. Uiteraard speelt hier het proportionaliteitsbeginsel een grote rol, maar nog belangrijker is wellicht het subsidiariteitsbeginsel. Wat inbeslagneming betreft, journalistieke gegevens worden niet verzameld om als bewijs in strafzaken te dienen en mogen niet als zodanig worden behandeld, zonder dat vaststaat dat justitie de waarheid niet op een andere manier boven tafel kan krijgen en dat ook geprobeerd heeft. Dit impliceert bijvoorbeeld dat, waar ordeverstoringen te verwachten zijn, de politie zelf camera's moet inzetten. Ook wat de bronbescherming betreft zijn proportionaliteit en subsidiariteit van belang, waarbij er nog een verschil is of het om belangen van de verdediging dan wel van het Openbaar Ministerie gaat. Het gebrek aan eigen onderzoeksbevoegdheden stelt de verdediging veel minder in staat onderzoek te doen naar wat een geheime bron heeft beweerd. Het instituut van gijzeling heeft voor de journalist weinig zin en kweekt tegenwoordig zelfs martelaren. De journalist die weigert zijn spreekplicht na te komen, ook na gedegen onderzoek door de rechter naar de reden daarvan, kan worden vervolgd en moet ook bereid zijn dat risico te aanvaarden.
|
|
|||||||||||||||||||||||||||
Home |
Links |
Prikbord |
Vacatures |
Forum |
Over ons |
NVJ |
Disclaimer
Reageren:
redactie@villamedia.nl
Telefoon NVJ: 020 -67 66 77 1