|
menu dagblad

Sectie
Lokale Media
Nieuwsoverzicht
Nieuwsarchief
Cao-overzicht
Thema
C2000
Werknemersflyer
WIA (pdf)
Jonge instroom
Over de sectie
Algemeen
Bestuur
Werkgroepen
Coördinatie-
punt cao HaH
Verslag 2004
Voorstellen 2004
Cao-overzicht
E-mail
lokalemedia@nvj.nl
|
|
Archief Sectie Lokale
Media
Indelingssystematiek
huis-aan-huisbladjournalisten
d.d. 14-6-2002
1. Inleiding
Bij de CAO-onderhandelingen voor de CAO 1998-1999 is door partijen
overeengekomen, dat een nieuwe indelingssystematiek (nieuw loongebouw)
wordt ingevoerd per 1 juli 1999.
Via o.a. arbitrage en evaluatiecommissie, en daaropvolgende CAO
besprekingen, zijn wijzigingen aangebracht in de originele tekst van
de1998/1999 indelingssystematiek, resulterend in onderstaande vanaf CAO
2002 geldige/geldende tekst.
Het basisprincipe van de indelingssystematiek is, dat wordt uitgegaan van
drie functiefamilies; dit zijn functiegroepen, waarbinnen alle
redactionele functies ondergebracht worden, waarna deze worden verdeeld
over zes beschikbare salarisschalen, te weten twee schalen per
functiefamilie.
Onderstaand wordt de opbouw van de gekozen systematiek uiteengezet:
a. de inhoud van de werkzaamheden (zijnde de functie) wordt door/namens de
werkgever in een functieomschrijving of functieprofiel vastgesteld;
b. deze moet overeenkomen met de feitelijke werkzaamheden;
c. op basis van de functieomschrijving wordt de functiefamilie
vastgesteld;
d. na overleg tussen werkgever en journalist wordt de matrix ingevuld op
basis van de persoonlijke functionele en eventueel extra functionele
kenmerken zoals in de systematiek verwoord;
e. op basis van de ingevulde matrix plaatst de werkgever de journalist in
een salarisschaal binnen de reeds vastgestelde functiefamilie;
f. op basis van een jaarlijks te houden functioneringsgesprek wordt
vastgesteld of de journalist immer nog tot dezelfde salarisschaal behoort,
dan wel dat hij door extra toegekende kruisjes in de matrix met (extra)
functionele kenmerken tot een hogere schaal van de betreffende
functiefamilie gaat behoren.
Dit resulteert erin dat individuele journalisten op grond van persoonlijke
groei in functionele kenmerken in hun eigen functie als volgt kunnen
doorgroeien:
- in functiefamilie I : van salarisschaal 1 naar salarisschaal 2;
- in functiefamilie II : van salarisschaal 3 naar salarisschaal 4;
- in functiefamilie III : van salarisschaal 5 naar salarisschaal 6.
Doorgroeien in functiefamilies, dus van I naar II en III, kan alleen als
de functie wijzigt.
De totale systematiek is, zoals bovenstaand vermeld onder f, gekoppeld aan
het houden van functioneringsgesprekken die jaarlijks, maar voor bestaand
personeel ook bij aanvang van indeling, gevoerd moeten worden. Deze
gesprekken worden gevoerd door de door de werkgever aangewezen
leidinggevende, veelal het hoofd van de redactie c.q. de chef-redacteur of
de direct hiërarchische leidinggevende zoals een redactiecoördinator.
2. Functiefamilies
Functiefamilie I
Betreft functies waarin de dagelijkse journalistieke werkzaamheden met een
regelmatig terugkerend karakter, zelfstandig worden uitgevoerd. Hierbij is
in de regel toezicht aanwezig en/of eenvoudig te raadplegen, dan wel is er
sprake van zodanig duidelijke richtlijnen, dat de werkzaamheden naar
behoren kunnen worden uitgevoerd.
Functiefamilie II
Betreft functies waarin alle voorkomende journalistieke werkzaamheden
volledig zelfstandig worden uitgeoefend. Daarbij is of kan sprake zijn van
verantwoordelijkheid voor één of meer edities en/of het geven van leiding,
aansturing of begeleiding van niet hiërarchisch ondergeschikten
(stagiaires, correspondenten, collega's, aansturing teamwerkzaamheden),
dan wel hiërarchisch aan maximaal 2 journalisten met arbeidsovereenkomst.
Functiefamilie III
Betreft functies waarin alle voorkomende journalistieke werkzaamheden
volledig zelfstandig worden uitgeoefend. Daarbij bestaat uitgebreide
verantwoordelijkheid voor meerdere edities en is er sprake van
hiërarchisch leiderschap over 3 of meer journalisten met een
arbeidsovereenkomst.
Voor functiefamilie I zijn de schalen 1 en 2 van toepassing, voor
functiefamilie II de schalen 3 en 4 en voor functiefamilie III de schalen
5 en 6.
De plaatsing in een bepaalde salarisschaal, behorende bij de
functiefamilie, is afhankelijk van de score in de matrix.
3. Functionele Kenmerken
De matrix kent 5 functionele kenmerken:
- kennis
- ervaring
- verantwoordelijkheid
- contacten
- creativiteit
De mate, waarin de functionele kenmerken aanwezig zijn, wordt bepaald door
4 wegingsfactoren, aangeduid middels kruisjes: x, xx, xxx, xxxx. Dit wordt
onder het hoofdje score nader toegelicht.
4. Extrafunctionele kenmerken
Naast de 5 functionele kenmerken bestaan er ook drie extrafunctionele
kenmerken:
- flexibiliteit
- informeel leidinggeven
- onregelmatigheid
De mate, waarin een extrafunctioneel kenmerk aanwezig is, wordt per
kenmerk bepaald middels de daarbij behorende omschrijving, zie aldaar. Per
extrafunctioneel kenmerk kan maar één score c.q. één kruisje worden
behaald. Ze kunnen ingezet worden op elk regulier functioneel kenmerk met
dien verstande dat per functioneel kenmerk slechts één extrafunctioneel
kenmerk (dus kruisje) mag worden ingezet.
5. Schematische weergave
|
De Matrix: |
Functiefamilies |
|
|
I |
II |
III |
| Schaal: |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
| Kennis: |
x |
xx |
xxx |
xxx |
xxxx |
xxxx |
| Ervaring: |
- |
x |
xx |
xxx |
xxx |
xxxx |
| Verantwoordelijkheid: |
x |
xx |
xx |
xx |
xxx |
xxxx |
| Contacten: |
x |
x |
xx |
xxx |
xxxx |
xxxx |
| Creativiteit: |
- |
x |
xx |
xxx |
xxxx |
xxxx |
De wegingsfactoren c.q. de aangegeven
kruisjes zijn absolute waarden, dat wil zeggen dat indeling in een
salarisschaal alleen dan plaatsvindt als aan alle wegingsfactoren in de
vereiste mate wordt voldaan c.q. voor elke wegingsfactor het vereiste
aantal kruisjes wordt gescoord.
Als uitzondering daarop mogen de extrafunctionele kenmerken
(flexibiliteit, informeel leidinggeven en onregelmatigheid) worden
gebruikt (als wegingsfactor) ter aanvulling op een tekort aan kruisjes om
in een naast hogere salarisschaal (van de betreffende functiefamilie)
terecht te komen.
Ze kunnen worden ingezet op elk matrixkenmerk met dien verstande dat per
kenmerk slechts één extrafunctioneel kenmerk (dus kruisje) mag worden
ingezet.
6. Beschrijving Functionele Kenmerken
Kennis
A. Omschrijving
Bij de vaststelling van de mate van kennis die de journalist nodig heeft
om de journalistieke functie volgens de functieomschrijving te kunnen
uitoefenen gaat het enerzijds om vaststelling van de kennisbreedte, de
vereiste vooropleiding op het niveau van Middelbaar Onderwijs (HAVO/VWO),
dan wel HBO-niveau; anderzijds de diepte in de richting van specialisatie
door opleiding of vakgerichte cursussen.
Voor de goede functie-uitoefening heeft de journalist minimaal een
opleiding gevolgd op MO-niveau alsmede een applicatiecursus/vakopleiding
die een adequate functie-uitoefening op MBO-niveau garanderen, dan wel
kennis en ervaring in de praktijk hebben opgedaan die hieraan tenminste
gelijkwaardig is.
B. Score
x De journalist heeft een afgeronde middelbare schoolopleiding op HAVO/VWO-niveau
alsmede een applicatiecursus/vakopleiding die het functioneren op
MBO-niveau garanderen. Een uitstekende beheersing van de Nederlandse taal
en aanleg voor journalistiek en/of vormgeving.
xx De journalist heeft een afgeronde HBO-opleiding, dan wel kennis en
ervaring in de praktijk opgedaan op een ten minste gelijkwaardig niveau.
xxx De journalist heeft een afgeronde HBO-opleiding gericht op
journalistieke functies dan wel een HBO-opleiding, gericht op het
vakgebied met betrekking waartoe binnen de functie wordt gewerkt,
aangevuld met een applicatiecursus op redactioneel en/ of management
terrein, dan wel kennis en ervaring in de praktijk opgedaan op een
aantoonbaar gelijkwaardig niveau.
xxxx De journalist heeft een afgeronde HBO-opleiding journalistiek
aangevuld met aantoonbaar niveauverhogende applicatie-opleidingen, dan wel
een afgeronde academische opleiding, gericht op redactionele en/of
journalistieke functies aangevuld met aantoonbaar niveau verhogende
applicatiecursussen op redactioneel en/of management terrein, dan wel
gericht op het vakgebied met betrekking waartoe binnen de functie wordt
gewerkt, dan wel kennis en ervaring in de praktijk opgedaan op een
aantoonbaar gelijkwaardig niveau.
Ervaring
A. Omschrijving
Direct in het verlengde van kennis ligt ervaring, de door de praktijk
ontwikkelde vaardigheden in theoretisch- en/of praktisch opzicht
gerelateerd aan de functionele kenmerken. Een adequate uitoefening van de
journalistieke functies eist een door ervaring gerijpte kennis en kunde.
Alleen een theoretische opleiding volstaat derhalve niet. De mate waarin
de journalist ervaring in zowel algemene zin als in specifieke
vaardigheden inbrengt, bepaalt mede de mate waarin een journalist volledig
zelfstandig kan functioneren op basis van de aan de functie gestelde
eisen.
B. Score
x De journalist heeft minimaal één jaar werkervaring binnen de
journalistiek, op basis waarvan de betreffende functie naar behoren moet
kunnen worden uitgeoefend. Deze ervaring kan zijn opgedaan bij een ander
type medium.
xx De journalist heeft minimaal drie jaar werkervaring binnen de
journalistiek, op basis waarvan de journalist de betreffende functie naar
behoren moet kunnen uitoefenen. Deze ervaring kan zijn opgedaan bij een
ander type medium of werkterrein, dan het te waarderen medium, waarvan één
jaar adequate ervaring binnen de eigen specialisatie/werkterrein/type
medium.
xxx De journalist heeft minimaal vijf jaar werkervaring binnen de
journalistiek, op basis waarvan de journalist de betreffende functie naar
behoren moet kunnen uitoefenen. Deze ervaring kan zijn opgedaan bij een
ander type medium of werkterrein, dan het te waarderen medium, waarvan
twee jaar adequate ervaring binnen het eigen
werkterrein/specialisatie/type medium.
xxxx De journalist heeft een algemene werkervaring binnen de journalistiek
van minimaal vijf jaar, op basis waarvan de journalist de betreffende
functie naar behoren moet kunnen uitoefenen. Deze ervaring kan zijn
opgedaan bij een ander type medium of werkterrein dan het te waarderen
medium. Daarnaast een adequate ervaring van minimaal twee jaar op het
gebied van management, die beheersing van de volledige werkbreedte van het
vakgebied omvatten en de functie-uitoefening volledig en goed mogelijk
moet maken.
Verantwoordelijkheid
A. Omschrijving
Het gaat hierbij om de mogelijkheden die de journalist functioneel heeft
om zelfstandig te handelen. De mate waarin een journalist verantwoordelijk
wordt gesteld voor kwaliteit en omvang van de door hem/haar te verrichten
werkzaamheden, hangt enerzijds af van de mate waarin hij/zij geacht wordt
zelfstandig te kunnen functioneren, en anderzijds van de kans dat hij/zij
door inadequaat functioneren afbreuk doet aan het imago van het
huis-aan-huisblad.
Deze zelfstandigheid wordt bepaald door onder meer controle vanuit de
leiding en bedrijfsregels c.q. afspraken.
B. Score
x De journalist verricht werkzaamheden onder direct toezicht en/of er
wordt gewerkt aan de hand van duidelijke richtlijnen.
xx Er is sprake van regelmatig toezicht tijdens het werk, waarbij de
journalist een redelijke functionele zelfstandigheid heeft. Bij de
uitvoering van de werkzaamheden vereist deze zelfstandigheid het bieden
van alternatieve oplossingen die verschillend van aard zijn, maar wel
binnen vastgestelde kaders liggen, zodat deze een mate van toetsing
inhouden.
xxx Er is bij de journalist sprake van het in hoge mate zelfstandig
verrichten van de werkzaam-heden. De journalist geeft aan of en wanneer de
leiding tussentijds moet worden geraadpleegd. Alleen voor taken, die
buiten de vastgestelde kaders liggen vindt de toetsing van de
werkzaamheden of de resultaten plaats. De kans dat door inadequaat
functioneren schade wordt toegebracht aan het medium is aanwezig.
xxxx Er is bij de journalist sprake van het in zeer hoge mate zelfstandig
functioneren waarbij de beoordeling van de resultaten in de praktijk
alleen achteraf plaatsvindt. De werkzaamheden vereisen over het algemeen
oplossingen waarbij de leiding niet geraadpleegd hoeft te worden en
waardoor hij/zij bij inadequaat functioneren aanzienlijke schade aan het
medium kan toebrengen.
Contacten
A. Omschrijving
Het leggen en onderhouden van niet hiërarchische contacten buiten de
redactionele omgeving is inherent aan de journalistiek. De mate waarin dit
functionele kenmerk het niveau van het functioneren van de journalist
bepaalt hangt af van de complexiteit van de onderwerpen, het niveau van de
gesprekspartners, het perspectief waarbinnen een onderwerp/thema wordt
beschreven/behandeld, de persoonlijke autonome opstelling van de
journalist zoals deze tot uitdrukking komt ten opzichte van het onderwerp
en gesprekspartners.
B. Score
x De journalist onderhoudt slechts die contacten, die uit de normale
functie-uitoefening voortkomen en waaraan geen bijzondere eisen gesteld
worden.
xx De journalist legt en onderhoudt contacten die een essentieel onderdeel
uitmaken van de dagelijkse functie-uitoefening. Dit betekent dagelijkse
contacten buiten de eigen redactie.
xxx De journalist legt en onderhoudt zelf rechtstreeks contacten met voor
de krant belangrijke groeperingen of instellingen die een structurele
invloed kunnen hebben op de krant en waardoor bij inadequaat functioneren
schade aan het medium wordt toegebracht.
xxxx De journalist verzorgt zelfstandig het onderhouden en het uitbreiden
van een structureel netwerk aan contacten zodat bijvoorbeeld buiten de
officiële kanalen om, toegang wordt verkregen tot vertrouwelijke stukken
e.d. alsmede het onderhouden van contacten die een structurele invloed
kunnen hebben op de krant waardoor bij inadequaat functioneren
aanzienlijke schade aan het medium kan worden toegebracht
Creativiteit
A. Omschrijving
Het gaat hier om de mate, waarin de journalist, in zijn/haar werkzaamheden
de mogelijkheid creëert tot het zelfstandig ontwikkelen van initiatieven
van een zuiver wisselend karakter, rekening houdend met de eigen
verantwoordelijkheid en passend in het belang van het medium. Daar waar
vanuit welke inspiratiebron dan ook nieuwe combinaties van denken en doen
ontstaan, is herkenbaar sprake van creativiteit. Tevens de mate waarin
functionele creativiteit vereist is om te komen tot een kwalitatief
lezenswaardig product, waarbij de journalist zelfstandig tot adequate en
creatieve oplossingen komt, zoals een originele aanpak van rubrieken en
artikelen/onderwerpen en het ontsluiten van (moeilijk toegankelijke)
informatie. In het bijzonder valt dan te denken aan:
- verbeeldingskracht: de mate waarin de journalist aanspraak doet op het
vermogen zich los te maken van de actuele gang van zaken om vervolgens
alternatieven te creëren;
- analytisch vermogen: de mate waarin de journalist een beroep doet op het
vermogen om gecompliceerde vraagstukken te ontleden en van hieruit te
komen tot creatieve oplossingen.
B. Score
x De journalist opereert binnen regelmatig ongeveer gelijke
omstandigheden, waarbinnen keuzes moeten worden gemaakt uit een aantal min
of meer vooraf bekende mogelijkheden. Daarbij is feitelijk slechts sprake
van een beperkte keuzemogelijkheid, waarbij standaardkeuzes zelf worden
gemaakt en bij ingewikkelder keuzes de leiding vooraf zal worden
geraadpleegd.
xx De journalist opereert binnen regelmatig relevante wisselende
omstandigheden die om een praktische keuze vragen, waarbij op basis van
kennis en ervaring wordt beslist.
Daarbij is sprake van nieuwe oplossingen waartoe het mogelijk is om te
kiezen binnen het veronderstelde kennis- en ervaringsgebied.
xxx De journalist opereert binnen regelmatig van wezenlijk belang zijnde
wisselende omstandigheden, die een oplossing vragen door analytisch,
toetsend en verklarend denken. Daarbij is sprake van nieuwe oplossingen.
xxxx De journalist opereert in een situatie die een accumulatie van
bovenstaande criteria is en aldus met grote regelmaat vraagstukken
oplevert, waarbij een beroep wordt gedaan op de mogelijkheid hiervoor
nieuwe structurele oplossingen aan te bieden, die van invloed zijn of
kunnen zijn op het beleid.
7. Beschrijving Extrafunctionele Kenmerken
Voor het overige wordt het volgende als aanvulling op het voorafgaande
gegeven.
Een aantal kenmerken is niet rechtstreeks onder te brengen in de
functionele kenmerken die zijn beschreven. Deze kenmerken zijn echter wel
van belang voor de specifieke invulling van de functie.
Eén en ander heeft betrekking op de volgende kenmerken:
- Flexibiliteit, het gaat hierbij om de inzetbaarheid van de journalist
voor meerdere typen media. Dit vereist van de journalist de vaardigheid om
diverse typen media, met daaraan gekoppeld het specialisme qua vorm,
inhoud en uitdaging van de boodschap te begrijpen en bedienen door het
leveren van informatie. De journalist verricht dus daadwerkelijk
werkzaamheden t.b.v. meerdere typen media.
- Informeel leidinggeven, projectleiderschap en/of vakleiderschap waarbij
te denken valt aan het mentoren, begeleiden of aansturen van stagiaires,
correspondenten of andere redactionele medewerkers of waarbij "het
voortouw of initiatief" wordt genomen in een team van minimaal 2
collega's. Dit geldt niet voor journalisten ingedeeld in functiefamilie
III.
- Onregelmatigheid, journalisten die regelmatig en/of voortdurend per
periode van 4 weken gemiddeld meer dan 2 zaterdagen of zondagen geacht
worden te werken of journalisten die gemiddeld meer dan 8 avonden per
periode van 4 weken werkzaamheden geacht worden te verrichten. Dit geldt
niet voor journalisten ingedeeld in functiefamilie III.
Voor bovenstaande kenmerken geldt dat per kenmerk slechts één kruisje (x)
gescoord kan worden. Tijdens de indelings- of functioneringsgesprekken
kunnen deze extrafunctionele kruisjes toegevoegd worden aan de normale
matrix, met dien verstande dat per matrixcriterium slechts één
extrafunctioneel kruisje kan worden ingezet. Dit betekent dat bij
plaatsing in een schaal, bij het ontbreken van voldoende kruisjes, het
bezitten van bovenstaande extrafunctionele kenmerken de doorslag tot
plaatsing kan geven.
|
|
rechts
dit is kolom 1
|
Aanbevelingen:

-----------

-----------

-----------

-----------

Deskundigen, contact-
personen, organisaties
Login
NVJ'ers
Info
-----------

-----------
-----------
-----------
-----------
-----------

|
|