| [an error occurred while processing this directive] |
De toekomst van de krant (4) De Journalist, nummer 5, 11 maart 2005 De krant als product Arjeh Kalmann Tot twaalf jaar geleden was de Amersfoortse Courant (AC) een zelfstandige krant met een eigen hoofdredacteur, een redactie voor het algemeen katern, een eigen abonnement op een persdienst (de Persunie) en met voldoende regiojournalisten om zes fijnmazige edities te maken. Na de fusie met het Utrechts Nieuwsblad (UN) hield Amersfoort in naam nog enige tijd een eigen hoofdredacteur, maar het kantoor aan de Stadsring is inmiddels een bijkantoor, waarin alleen nog maar regiojournalisten zetelen die nog twee edities maken. Er staat een nieuwe fusie voor de deur waarbij voor het UN een zelfde scenario in het verschiet ligt als voorheen voor de Amersfoortse collega’s gold. In drie van de vier grote steden in de Randstad, in Utrecht, Den Haag en Rotterdam, zijn straks misschien geen zelfstandige regiokranten meer. Bij de fusie twaalf jaar geleden besloten de redacties van UN en AC van de nood een deugd te maken, en gezamenlijk een geheel nieuwe krant te gaan maken. In die nieuwe krant zijn we bij onze nieuwskeuzes meer rekening gaan houden met de lezers en minder ‘institutioneel nieuws’ gaan brengen. We benoemden aandachtsgebieden (veiligheid, onderwijs, de portemonnee) als hulpmiddel om onderwerpen te selecteren. We hebben die koers nadien nog wat verfijnd, zijn veel mankracht gaan steken in wat we ‘producties van de dag’ noemden. We zijn, als eerste randstedelijke middagkrant, drie jaar geleden naar de ochtend gegaan. We hebben een aantal flinke saneringen achter de rug. We hebben twee kopbladen (Dagblad Rivierenland en Veluws Dagblad) aan andere Wegener-uitgeverijen overgedaan, om ons helemaal op de provincie Utrecht te kunnen concentreren. Al die inspanningen, waarbij de redactie steeds werd uitgedaagd om de routine los te laten en vernieuwingen te omarmen (waarbij overigens met steeds minder mensen het bestaande werk gedaan moest worden), hebben onvoldoende zoden aan de dijk gezet. We verliezen de laatste jaren opnieuw lezers, minder dan elders in de Randstad, maar meer dan in de rest van Nederland. Achteraf moet ik vaststellen dat onze pogingen (en die van veel andere kranten) om te vernieuwen, niet ver genoeg zijn gegaan. Onze journalistieke cultuur maakt het ook niet eenvoudig om drastische veranderingen door te voeren: redacties zijn doorgaans behoudend, redactiestatuten zijn in het leven geroepen om het bestaande te beschermen, de cao is geen stimulans tot vernieuwing. Maar het ligt ook aan het management: veel chefs en hoofdredacteuren zijn op basis van vakmanschap, en niet van leidinggevende capaciteiten, in de hiërarchie opgeklommen, beoordeling van journalisten aan de hand van prestatienormen is in onze branche geen gemeengoed. Allemaal factoren die doorbreken van bestaande patronen en het daadwerkelijk vernieuwen van het product krant moeilijk maken. De nood is inmiddels zo hoog, zeker in de Randstad, dat lapmiddelen niet meer helpen. We moeten nog veel radicaler dan we in het verleden al gedaan hebben, kiezen voor een krant die de lezer centraal stelt. Bij onze nieuwskeuzes, bij de presentatie van het nieuws, bij de segmentering van de krant moet de interesse van de lezer ons leiden. Daarmee pleit ik overigens niet voor een platte sensatiekrant, want ik weet wel zeker dat onze huidige en onze potentiële lezers daar niet op zitten te wachten. De krant kan niet betrouwbaar genoeg zijn. Een keiharde keuze voor functievernieuwing van de krant – eigenlijk het radicaal doortrekken van een lijn die we bij het UN in het begin van de jaren negentig hebben ingezet – moet niet de ‘cosmetische operatie’ zijn waarvan professor Schönbach in het eerste deel van deze serie gewag maakte. Als de operatie alleen maar cosmetisch is en niet fundamenteel anders, dan gaan we het niet redden met onze kranten. Daarmee zeg ik impliciet ook dat omwille van het pure overleven van de krant, een harde en consistente lijn nodig is en dat er een einde komt aan de relatief softe journalistieke cultuur die wij op onze redacties kennen en koesteren. Ik hoorde een paar jaar geleden een Amerikaanse hoofdredacteur van een regionale krant vertellen dat hij een redacteur op staande voet had ontslagen, omdat deze een telefoon die rinkelde, niet opnam. Ik ga niet zo ver als deze collega, maar ik deel wel zijn mening dat zelfs iets alledaags en relatief onbeduidends als het niet opnemen van een telefoon een vorm van minachting van de lezer is. Er zijn hoofdredacteuren die een woede-uitbarsting krijgen als iemand het waagt de krant een ‘product’ te noemen. Ik trotseer bij deze de woede van deze collega’s door te stellen dat de krant een product is dat, als het niet meer voldoende kopers weet te vinden, geen bestaansrecht meer heeft. De lezer is een klant, en ook in krantenland geldt dat de klant koning is. ‘Omwille van het pure overleven is het nodig dat er een einde komt aan de relatief softe journalistieke cultuur die wij op onze redacties kennen en koesteren’ |