| [an error occurred while processing this directive] |
De toekomst van de krant (9) De Journalist, nummer 10, 3 juni 2005 Het nieuws ligt op straat Marc De Koninck De kranten doen het slecht is een eufemisme. Wij journalisten doen het slecht. De krant verkeert in een crisis omdat er geen behoefte meer is aan wat wij schrijven. In de neergang van de dagbladen zien we het einde van de (dagblad)journalistiek. Vlijtig werken wij aan de afbraak van ons medium en ons metier zolang wij ons werk baseren op twee noodlottige misverstanden. - Wij denken dat de trage krant zich bezig moet houden met hetzelfde nieuws (inclusief achtergronden, etc.) als waarmee de snelle media zich bezighouden. - Mèt alle media blijven wij vals (geagendeerd, institutioneel) nieuws aanzien voor echt. Gevolg is dat de krant elke dag vol staat met oud nieuws dat er niet toe doet. Voor regionale kranten is er een schamele troost: zij hebben meer nieuw nieuws dat er niet toe doet. Nu lezers talrijke eigen kanalen hebben om wel relevant nieuws te vinden, doen 200.000(!) abonnees per jaar hun dagblad weg. Onze tragiek is dat we wel weten waar de bron ligt van een ware nieuwskrant. We belijden het zelf: het nieuws ligt op straat. Waarom blijven we dan toch hangen boven en turen in die smoglaag van overheden en instituten die ons alle zicht op het ware leven beneemt? Omdat we niet definiëren wat de straat journalistiek betekent en wat nieuws voor een papieren krant is. De straat is een metafoor: de straat is alles wat en iedereen die in het volle leven deel uitmaakt van een nieuwe ontwikkeling. Een dagbladjournalist met toekomst registreert altijd overal – thuis, in een wijk, op een feestje, in het ziekenhuis, op zijn werk, kortom: op straat – wat er anders is dan voorheen. Hij nieuwsanalyseert de geluiden en de beelden van de straat. Die vullen zijn journalistieke agenda. Eén geluid is toeval. Twee soortgelijke geluiden vormen een vermoeden. Elk nieuwsverhaal begint met een vermoeden. Gewone burgers zijn de enige gezaghebbende bronnen. Met hun informatie kunnen we de ónbetrouwbare bronnen confronteren: de altijd een institutioneel belang dienende instellingen. Elk waarachtig journalistiek verhaal heeft die volgorde: het vertrekt ‘op straat’. Zolang we niet zo werken blijven we langdurig alle grote en kleine verschijnselen missen die onze lezers beroeren. Van de verkleuring van Nederland – een verandering van bijbelse proportie die al dertig jaar gaande was en die in ons gezicht moest exploderen vooraleer wij de bijbehorende problemen bij de naam gingen noemen – tot aan pakweg het recente ‘nieuwtje’ dat jongeren in bouwketen gaan drinken om de dure horeca te ontlopen. Ook dat laatste wisten wij en onze lezers al lang, maar we hebben weer eens – zoals we met alles doen - gewacht tot een instituut dicteerde dat het in de krant moet. Het kan echt anders. In de Washington Post nadert het dagelijkse aantal op straat geoogste verhalen 80 procent van de inhoud. Het resultaat is een genot: een intelligente, hyperactuele krant die zich niets aantrekt van het tv-journaal van gisteravond en wier lezers je geregeld hoort zeggen: “Did you read that story in the Post this morning?” Die krant heeft gewone mensen relevant gemaakt. Die redactie is haar agenda de baas. De traagheid van het papier is omgezet in de weelde van de tijd: de verhalen zijn altijd exclusief en de krant is dus ver vooruit te plannen. Het onderscheid tussen regionale en landelijke journalistiek is verdwenen. Elk (lokaal) voorval staat immers voor een breder verschijnsel: een uitdagend principe voor wie landelijke en regionale kranten in elkaar moet schuiven! De straat zal de krant pas weer lezen als de krant de straat leest. Wie een levensvatbaar dagblad wil maken moet daarom de volgende drastische maatregelen nemen: -afschaffing van de institutionele agenda en de gedeelde actualiteit als aangevers van onze journalistieke activiteit; de straat is onze enige bron; alleen op vertoon van een voorstel voor een waarachtig nieuwsverhaal van de straat krijgt een redacteur toegang tot de redactie. -afschaffing van alle gespecialiseerde portefeuilles, inclusief parlementaire en gemeenteraadsverslaggeving; we bezien per op-straat-vertrokken verhaal of we daarvoor een instituut (b.v. commentaar van politici, data van de overheid) nodig hebben. -halvering van het aantal nieuwspagina’s; één echt nieuwsverhaal is meer waard dan tien valse. -opdeling van de redactie in dure journalisten en goedkope serviceredacteuren; de eersten doen het echte journalistieke straatwerk, de laatsten voegen praktisch nut toe en maken die paar traditionele eendimensionale berichten die we onverhoopt niet uit de krant durven houden. -herscholing van de redactie. Zo rigoureus zal het moeten. Het is de enige manier om te keren wat we razendsnel zien naderen: het einde van de papieren krant, dat verrukkelijk fysieke medium, en van het vak dat zoveel boeiender is dan wij het beoefenen: de dagbladjournalistiek. |