| [an error occurred while processing this directive] |
Tempo Dulu na vijf jaar Reformasi Jan Lepeltak In mei 2004 hoorde ik dat ik stage kon gaan lopen bij het Indonesische tijdschrift Tempo. Een paar weken eerder was het kantoor van het blad in Jakarta bestormd door een woedende menigte van straatboeven. Later werden hoofdredacteur Bambang Harymurti en redacteuren Taufik en Kharaniya ook nog op het politiebureau gemolesteerd. De reden: Tempo had geschreven dat de machtige zakenman Tomy Winata mogelijk betrokken was geweest bij een enorme brand in een overdekte markt in Jakarta. Winata bleek een lange arm te hebben. Een jaar later werd Tempo in elf verschillende zaken voor de rechter gesleept. Harymurti en twee van zijn redacteuren hing een celstraf van vijf jaar wegens smaad boven het hoofd. Bij veel buitenlandse correspondenten en politieke analisten rees de vraag of dit weer het zoveelste voorbeeld vormde van de enorme obstakels die de werkelijke democratisering en persvrijheid in Indonesië in de weg staan. Door het autoritaire en corrupte systeem dat Soeharto tijdens zijn 32-jarige regeerperiode zorgvuldig heeft opgebouwd, is de journalistiek een gevaarlijk, slecht betaald en weinig prestigieus vak geworden en dat geldt tot op de dag vandaag. Toch werd juist Tempo een symbool voor de democratisering in Indonesië. De journalisten die het blad oprichtten, steunden aanvankelijk Soeharto, toen hij in 1965 de macht naar zich toe trok na een schijnbare couppoging van links gezinde legerofficieren, gevolgd door de bloedige vernietiging van de Indonesische communistische partij. Het pragmatische economische beleid en Soeharto’s straf opgelegde stabiliteit, stonden toen in schril contrast met de woelige en onzekere laatste jaren van de international bewonderde President Soekarno, die zich tot slot ontpopte tot een autoritaire machtswellusteling. Dankzij de indrukwekkende resultaten op het gebied van economische groei, onderwijs en armoedebestrijding kon de tweede Indonesische president in het begin van zijn regeringsperiode rekenen op steun van zowel intellectuelen en studenten als van zakenlieden, academici en journalisten. Echter, het Soeharto-regime ontwikkelde zich steeds meer tot een nepotistische kluwen van familieleden en oude legermaten van de president. Toch bracht dit Orde Baru-regime ook belangrijke culturele ontwikkelingen voort. De Indonesische staat propageerde met succes de vorming van een sterke nationale Indonesische identiteit en cultuur die de plaats moesten innemen van regionale en lokale culturen en het debat over politieke ideologie overbodig moesten maken. Door de politieke instabiliteit van Soekarno’s laatste jaren als president kregen veel Indonesiërs een diepgewortelde afkeer van politieke ideologieën en partijpolitiek, waar ook openlijk partijdige kranten en tijdschriften zich schuldig aan maakten. Een nieuw, nationaal besef gericht op nationale ontwikkeling beheerste voortaan het politieke denken. Tempo vormde daar met zijn apolitieke en zakelijke schrijfstijl een goed voorbeeld van. Het blad toonde zich aanvankelijk een voorstander van een semi-autoritair en bureaucratisch geregeerd Indonesië dat zich met vereende krachten zou ontwikkelen tot een moderne eenheidsstaat. Het blad schroomde echter niet om kritiek uit te oefenen op regeringsfunctionarissen die met hun wanpraktijken deze ontwikkeling in de weg stonden. Ondertussen groeide Tempo’s lezerspubliek snel, aangezien Soeharto’s liberale economische beleid vooral de hogere middenklasse in de steden steeds meer welvaart bood. Desondanks begon het Soeharto-regime vanaf 1974 steeds meer zijn tanden te laten zien en sloeg pogingen tot oppositie bloedig de kop in. Ook voor Tempo brak een moeilijke tijd aan. Tempo-oprichter en hoofdredacteur Gunawan Mohammad beschreef de redactievergaderingen als een ‘achtbaan’ waarbij je nooit wist waar en hoe je uiteindelijk terecht zou komen. Het was de tijd van woedende regeringsfunctionarissen en kettingrokende generaals die razend over de telefoon hun beklag deden en intimidaties niet schuwden. In 1982 voerde het ministerie van informatie de daad bij het woord en werd Tempo’s publicatievergunning tijdelijk ingetrokken. De goede connecties van het blad met invloedrijke personen uit het regime bracht het echter weer snel in de schappen. De uitstekende, informele banden van Tempo met mensen in de hoogste kringen rond het paleis leidden tot exclusieve reportages en interviews, maar ook tot kritiek vanuit de grotendeels ondergrondse activistenwereld die Soeharto’s repressieve apparaat fel verwierpen. Zo werd Tempo soms een ‘collaborateur’ van het regime genoemd. Dit hield in 1994 abrupt op, toen minister van Informatie Harmoko Tempo definitief verbood. Geruchten deden de ronde dat Tempo’s onthulling over Soeharto’s beoogde politieke opvolger, Habibie die een grotendeels verroeste vloot Oost-Duitse schepen had aangekocht, Soeharto tot grote woede had gedreven. De president vergat echter dat het weekblad Tempo wel de spreekbuis was voor de intellectuele middenklasse in grote steden als Jakarta, Bandung en Surabaya. En met de brute sluiting van hun weekblad was voor veel goed opgeleide mensen, onder wie veel voormalige sympathisanten van Soeharto, de maat vol. Ook zagen hooggeplaatste figuren in Soeharto’s autoritaire systeem steeds meer reden om zich te distantiëren van ‘Pak Harto’ en zijn zelfverrijkende familie. Veel journalisten van Tempo besloten hun werk ondergronds voort te zetten en leverden zo een belangrijke bijdrage aan de democratiseringsbeweging die de omverwerping van Soeharto’s regime mede bewerkstelligde. Veel Indonesiërs die deze periode actief meemaakten, zagen het monddood maken van Tempo als een teken aan de wand. Soeharto’s laatste uur was geslagen. Hoewel sinds 1998 eindelijk een democratische fase lijkt te zijn aangebroken in Indonesië, bewijst het huidige conflict tussen Tempo Tomy Winata, dat politieke elites en het leger nog steeds de dienst uitmaken in het land. Gedurende mijn stage besefte ik soms niet genoeg met wat voor gevaren en stress Tempo-journalisten nog steeds dagelijks moeten leven. Terwijl ze over gevoelige zaken als corruptie in het leger of politieke intriges schrijven, moeten ze met hun kleine salaris ook hun gezin onderhouden. Bedreigingen en intimidaties liggen altijd op de loer. In de beginperiode van een onafhankelijk Indonesië heeft Nederland jammer genoeg niet veel bijgedragen aan de ontwikkeling van sterke instituties die een democratie of onderdelen daarvan, zoals vrije media, versterken of waarborgen. Daarom is het zo belangrijk om de ontwikkelingen op het gebied van persvrijheid en vrije media in Indonesië te blijven volgen, in de hoop dat de speciale band tussen Indonesië en Nederland ook in een nieuwe generatie van schrijvers en journalisten blijft voortleven. Zo kan het land dat misschien wel de beste Nederlandse roman heeft voortgebracht, ook zijn eigen burgers de vrijheid garanderen om te schrijven en te lezen wat ze willen. Het dankwoord van Jan Lepeltak dat is uitgesproken bij de uitreiking van de Scriptieprijs De Journalist staat op www.dejournalist.nl. Ook zijn daar alle samenvattingen van de inzendingen te lezen. |