De gebeurtenissen van vandaag zijn voor hem
al bijna geschiedenis. Hoe stellig hij ook beweert dat het in de
journalistiek om feiten gaat, zelf ziet Jan Blokker in alles een scenario
- of op z'n minst een column. Een portret.
Piet Hagen
Jan Andries Blokker wordt op 27 mei 1927 geboren
in de dan nog nette maar weinig inspirerende Admiralenbuurt in
Amsterdam-West. Zijn moeder, een Friezin, is een soort rots in de branding
voor het wat verlegen jongetje. Zijn vader is kantoorbediende op een
effectenkantoor en gaat iedere ochtend stipt op tijd met de tram naar z'n
werk. Het is weldra crisistijd, maar de geborgenheid van het gezin maakt
veel goed. Op zondagmiddag plakt vader plaatjes in de Verkade-albums van
Jac. P. Thijsse en gaat er op zitten om ze vast te drukken.
De ouders van Jan zijn een tikkeltje remonstrants, wat - in zijn
agnostische ogen - aanzienlijk minder erg is dan rooms.
Vrijzinnig-democraat ook, dat wil zeggen: liberaal van het tolerante
soort, en ook dat had erger gekund. Je zal in de jaren dertig maar in een
NSB-gezin opgroeien.
Een van Jans vroegste herinneringen is de melding op de radio dat Hitler
aan de macht is gekomen. Een kind van amper zes ziet de schrik in de ogen
van zijn ouders. Sindsdien is hij aan het nieuws verslaafd.
Vanaf zijn zevende gaat hij bijna wekelijks met zijn vader naar de Cineac:
eerst twintig minuten Polygoon nieuws, dan een documentaire over verre
landen, en als toetje twee tekenfilms. Zo krijgt Blokkers liefde voor het
nieuws een nieuwe dimensie in zijn passie voor de film.
Op de vijfjarige HBS aan de Keizersgracht, op steenworp afstand van het
Achterhuis van Anne Frank, kan Jan rustig zijn diploma halen. In de
hongerwinter - noodkachel, fietslamp, aardappel-in-de-schil - begint hij
op zijn zolderkamertje aan het staatsexamen gymnasium alfa.
Naar eigen zeggen is hij dan 'te jong om held te zijn' en 'te oud om ooit
nog te geloven in het moordvrije, voorwereldlijke leven'. De Blokkers
twijfelen er niet aan dat de joodse familie Kalman, die in hetzelfde
trappenhuis woont en op een slechte dag is verdwenen, niet levend zal
weerkeren.
Jan luistert naar Radio Oranje en houdt met speldjes het front bij. Als
hij na de oorlog gaat studeren en soms enkele oorlogsfilms per dag ziet,
heeft hij het gevoel dat hij de oorlog nog eens dunnetjes overdoet. Elke
film is 'een overwinning op die rotmoffen'.
De studie Nederlands en later geschiedenis leiden niet tot enig diploma,
maar Blokker houdt er wel een levenslange belangstelling voor literatuur
en vooral geschiedenis aan over. Op latere leeftijd is er toch enige
academische genoegdoening als hij zich kortstondig bijzonder hoogleraar
persgeschiedenis mag noemen.
Als student houdt Jan Blokker zich in leven met een groot aantal baantjes:
in een boekhandel, bij een liefdadigheidsinstelling, op een
administratiekantoor, als handelsreiziger voor een uitgeverij, bij een
antiquariaat en als bijlesgever.
In die laatste kwaliteit leert hij Anneke Haanappel kennen, die net is
gerepatrieerd uit Nederlands-Indië. 'Daar ben ik toen mee getrouwd omdat
het moest', constateert Blokker later. Na Jan junior worden nog drie
kinderen geboren. De jongste, Bas, zal in de voetsporen van zijn vader
treden - met dit verschil dat hij zijn studie geschiedenis wel af maakt en
dan in dienst treedt van NRC Handelsblad, een krant die volgens Blokker
senior beter is dan de Volkskrant, maar toch 'te weinig naar krant
stinkt'.
Tussen de vele boeken die hem in zijn huis aan de Amsterdamse Oudezijds
Voorburgwal omringen tikte hij tot voor kort zijn stukjes nog op een
ouderwetse schrijfmachine. Maar inmiddels bedient ook Blokker zich van de
moderne techniek. Hij mailt nog niet, maar heeft wel een PC. En in zijn
huisje in Frankrijk verschaft een schotelantenne hem zicht op Nederland.
Zo kan hij de val van het tweede kabinet-Kok beschrijven alsof hij zelf op
het Binnenhof is. Een kaaskop in de Bourgogne, die - net als Turkse
Nederlanders - het liefst afstemt op het thuisland.
Aanvankelijk wil Jan Blokker schrijver worden. Hij
debuteert met de novelle 'Séjour', waarvoor hij in 1951 de Reina Prinsen
Geerlingsprijs krijgt. Maar een jaar en een heuse roman later krijgt hij
van literair redacteur Hans Gomperts het verzoek de kunstredactie van het
linkse, maar niet-partijgebonden Parool te komen versterken. Al gauw
vraagt Simon Carmiggelt, die in die tijd nog film en theater doet, of hij
naar de 'betere' films wil. Carmiggelt zelf ziet liever cowboyfilms en
westerns. Blokker begint met een maandsalaris van slechts 144 gulden, maar
volgens hoofdredacteur P.J. Koets moet hij 'niet vergeten rekening te
houden met de factor arbeidsvreugde'.
In 1954 haalt kunstredacteur Ben Stroman Blokker naar het liberale
Algemeen Handelsblad. Vooral de buitenlandredactie onder leiding van Anton
Constandse is een kweekvijver van jong talent. Een van hen is Henk
Hofland, net als Blokker en - dritte im Bunde - Harry Mulisch geboren in
1927, volgens Hofland de meest ideale startpositie: jong in het
niemandsland van de oorlog en daarna de wereld opnieuw ontdekt.
Als filmredacteur valt Blokker op door zijn journalistieke kijk. In
november 1954 doet hij opgewonden verslag van de aankomst van filmster
Audrey Hepburn: 'Waarschijnlijk is Schiphol nimmer getuige geweest van
zulke opgewonden taferelen als zich deze ochtend afspeelden. Op het
platform, vlak voor de douanehal, vormden zeker tweehonderd journalisten,
vertegenwoordigers van filmmaatschappijen, radio en de Bond van
Nederlandse Oorlogsslachtoffers, een drukke, nerveuze vooruitgeschoven
post van de enorme massa fans op de achtergrond.'
Anders dan de 'heren' die op dat moment de dienst uitmaken in de wereld
van de filmkritiek is hij niet gebonden aan ideologische of esthetische
opvattingen. Zoals hij later zal zeggen: 'Mijn enige maatstaf is: Jan
Blokker'.
'De mens is een kijkdier', luidt een andere stelling van de jonge
filmredacteur en hij kijkt gretig. Hij gaat niet alleen naar 'deftige'
films, maar geniet ook van westerns, cowboyfilms en crimi's. In zijn
rubriek van 18 september 1954 bespreekt hij achtereenvolgens 'Een vrouw
zonder geweten', 'Gangsters zonder genade', 'De vrouw die gelyncht moest
worden', 'De wraak van Toriana' en 'Huwelijksloterij'. Voor 'veelvraat' en
'omnivoor' Blokker is het allemaal film die 'naar straat ruikt'.
Heeft hij dan geen eigen smaak? Natuurlijk wel. Hij dweept met de Zweedse
filmer Ingmar Bergman, prijst de Nouvelle-Vague van François Truffaut en
Jean-Luc Godard en bewondert neo-realisten als Antonioni en Fellini. De
laatste noemt hij een 'diabolisch knap regisseur', diens film 'La Strada'
'een meesterwerk van de eerste orde'.
Blokker bezoekt vele buitenlandse festivals: de Biennale in Berlijn, het
avant-garde festival in Brussel en natuurlijk het jaarlijkse festival in
Cannes. Hij bespreekt niet alleen de films, maar ook de onderlinge ruzies,
de commercie, de parade van sterren en sterretjes, de badpakken en hun
verleidelijke inhoud. En niet te vergeten de trouwplannen van prinses
Gracia van Monaco, 'dezelfde die zich het vorige jaar door haar
maatschappij liet uitzenden als publiciteit-behoevende vedette, toen zij
tijdens het bloemencorso het oog bezeerde aan een met ijzerdraad
versterkte anjelier, en vervolgens bij wijze van troost door een
ondernemende Parijse journalist werd geïntroduceerd bij prins Rainier III
die juist bezig was in zijn hoge burcht zijn panters te voederen.'
In het door Citroën Nederland uitgegeven boekje 'Een avondjurk op de
achterbank - naar het filmfestival in Cannes met de 2cv van Jan Blokker'
vertelt de schrijver over de jaren waarin Brigitte Bardot en Sophia Loren
de aandacht trokken. 'Het bezwaar van Cannes in festivaltijd heb ik altijd
gevonden dat er teveel mooie vrouwen zijn. Dit klinkt hypocriet, maar het
is niettemin een reële overweging.'
Als 'jonge snotaap' polemiseert Blokker tegen de
oude garde. Op zijn beurt geeft de oude Janus van Domburg van De Tijd hem
'billekoek' in Filmforum. Terwijl B.J. Bertina in de Volkskrant een verbod
bepleit van Viridiana van Buñuel, prijst Blokker de Spaanse cineast, die
ook tekent voor 'Het Laatste Avondmaal', de hemel in. 'Het was ook een
strijd tegen rooms', zegt hij later, 'van vooruitstrevend tegen behoudend
en wat mij betreft ook tegen zedenprekerij'.
Althans achteraf, in zijn autobiografie uit 1981, heeft Bertina waardering
voor zijn jongere collega. Hij benijdt hem om zijn 'libertijnse geest' en
erkent dat Blokker zich inzet voor de vernieuwing van de Nederlandse film:
hij moedigt 'de filmdrift van academiestudenten' aan en maakt zijn
filmrubriek tot 'een podium waaromheen de opkomende cinefielen zich
verzamelen'.
Blokker staat inderdaad positief tegenover jonge filmers als Wim
Verstappen en Pim de la Parra. Maar zonodig heeft hij ook kritiek. Zo
vindt hij 'Het wonderlijke leven van Willem Parel' uit 1955 'te veel voor
het oor, te weinig voor het oog'. In 1958 betreurt hij het ontbrekende
'vakmanschap dat gestaald is door ervaring' in 'Jenny', de eerste
Nederlandse speelfilm in kleur.
Jan Blokker schrijft ook zelf scenario's. Dat
begint in 1958 met Bert Haanstra's succesvolle film Fanfare; daarna
schrijft hij het scenario voor 'Makkers staakt uw wild geraas' van Fons
Rademakers. Er zal nog een dozijn films volgen, onder anderen van Frans
Weisz en Harry Kümel. Daarnaast maakt hij in de loop der jaren heel wat
scenario's voor tv-drama's, toneelstukken en toneelbewerkingen, en een
libretto voor een opera.
Als scenarioschrijver vergrijpt Blokker zich aan alles wat los en vast
zit: de literatuur (Couperus, Ter Braak, Bordewijk, Vestdijk, Mulisch), de
geschiedenis van Nederland en zijn overzeese gebiedsdelen (Thorbecke,
Soekarno, Heren van de thee, de Tweede Wereldoorlog) en zelfs de toekomst
(Nederland in het jaar 2010).
Blokkers engagement met de Nederlandse film brengt
hem wel op gespannen voet met zijn eigen stelregel: 'Gij zult nieuwsgaren,
gij zult daarbij afzijdig blijven, gij zult u in de werktijd niet met
concurrenten verenigen, gij zult u nimmer door uw bronnen laten fêteren.'
Woorden uitgesproken bij het honderdjarig bestaan van de Nederlandse
Vereniging van Journalisten, een club waarvan hij het lidmaatschap
zorgvuldig vermijdt.
Afzijdig dus. Maar als Bert Haanstra, de 'begaafde cineast' met wie hij
zelf 'Fanfare' heeft gemaakt, terugkeert van een reis naar Venezuela
schrijft Blokker een lofzang op de Hollandse School waarvan Haanstra de
voornaamste exponent is.
Gedreven door liefde voor de film aanvaardt Blokker ook adviserende
functies in het subsidiecircuit van de overheid. Eerst is hij lid van de
afdeling film van de Raad voor de Kunst, maar in 1969 verlaat hij die met
een boze brief aan minister Klompé over 'de machteloosheid waarin de
Nederlandse film zich bevindt.'
Van 1983 tot 1993 is Blokker voorzitter van het Productiefonds voor de
Nederlandse Film. Hij is niet bang voor belangenverstrengeling: 'Als eens
in de zoveel tijd een producent namens mij een beroep zou doen op die
Productiefondspot, dan zou ik onmiddellijk opstappen.' Later geeft het
fonds wel geld voor 'Eline Vere', naar een scenario van Blokker. Maar dat
scenario lag er al toen hij voorzitter werd en de subsidie ging niet naar
hem, maar naar de producent.
Toch betekent adviseren ook dat je je compromitteert. 'Ik voel me mede
schuldig voor een aantal filmflops', zegt Blokker als hij aan de tand
wordt gevoeld over zijn rol. 'Ik heb die flops ervaren met onmiskenbare
gêne, al gaat die niet zo ver dat ik me niet meer op straat zou durven
vertonen.'
Na tien jaar legt Blokker zijn functie neer, nu met een boze brief aan
minister d'Ancona, die hem geschoffeerd zou hebben bij de oprichting van
het nieuwe Filmproductiefonds. 'Knoeilapperij', zo schetst hij de
procedure van het ministerie dat achter zijn rug om een alternatief advies
vroeg.
De boze brieven aan de dienaressen van de Kroon verhinderen niet dat
Blokker later een ridderorde ontvangt voor zijn inzet voor de Nederlandse
film. Hij weigert de onderscheiding niet - dat is ouderwets, vindt hij -
maar zet de versierselen dankbaar bij in de prijzenkast, waarin behalve de
Reina Prinsen Geerlingsprijs ook de Prijs voor het beste kinderboek uit
1961 (voor 'Op zoek naar een oom'), de Graadt van Roggenprijs voor
filmkritiek, het Gouden Kalf (vanwege zijn verdienste voor de Nederlandse
film) en de Nipkowschijf (voor zijn tv-werk) prijken.
De meest opzienbarende protestdaad van Jan Blokker
is zijn ontslagname bij het Algemeen Handelsblad in 1968 vanwege de
voorgenomen technische samenwerking tussen NDU (uitgeefster van het
Handelsblad) en De Telegraaf. Al gauw blijkt 'Unitel' een flop en Blokker
geeft achteraf toe dat zijn reactie overtrokken was.
Zijn ferme besluit schaadt zijn carrière allerminst. Hij krijgt eerst een
jaarcontract bij de VPRO-televisie en vervolgens wordt hij hoofd
informatieve programma's. Hij is dan al vertrouwd met het medium. Al in
zijn Handelsblad-tijd maakt hij de tv-rubriek Filmvenster voor de Vara,
daarna Cinema voor de VPRO.
In 1964 maakt hij samen met Dimitri Frenkel Frank, Rinus Ferdinandusse en
Joop van Tijn het satirische Vara-programma 'Zo is het toevallig ook nog
eens een keer'. Het land is in rep en roer als op 4 januari 1964 de
tv-verslaving op de korrel wordt genomen in een 'eredienst', waarin Peter
Lohr optreedt als predikant. Vooral de variatie op het Onze Vader schiet
miljoenen kijkers in het verkeerde keelgat.
Als organisator en inspirator heeft Blokker vanaf 1968 een belangrijk
aandeel in de nieuwe koers die de VPRO-tv eind jaren zestig inslaat. Maar
in 1979 is het genoeg. De VPRO-aanpak dreigt gemeengoed te worden in
Hilversum en bij de VPRO is 'een nieuwe omslag' nodig. 'Ik denk dat er een
hele duidelijke verzadiging is opgetreden in de dingen die de VPRO heeft
ontwikkeld en dat er überhaupt bij de VPRO langzamerhand een situatie is
ontstaan met functionarissen. Dat zijn de vijftigers met iets van: tja,
het zal mijn tijd wel duren', aldus Blokker tegen Skoop.
Toch zal hij later - zelf de zestig gepasseerd - opnieuw een bijdrage
leveren aan de vernieuwing van de VPRO, dan als eindredacteur van
tv-rubrieken als Diogenes en Winter aan Zee, waarin actuele gebeurtenissen
worden geplaatst tegen het achtergronddecor van de geschiedenis. Blokker
tekent voor de verbindende tekst.
Tussen die twee VPRO-periodes door is Blokker
adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant. Frank van Vree, die de recente
geschiedenis van de Volkskrant heeft beschreven, meent dat de verkiezing
van Blokker een cruciaal punt is in de ontwikkeling van het
gedeconfessionaliseerde, maar in maatschappijkritisch vaarwater geraakte
ochtendblad. Blokker keert zich tegen het 'zelfgebreide denken' en de
doorgeschoten democratisering. Zijn doelstelling is simpel: in vijf jaar
wil hij de coherentie tussen de uit elkaar gegroeide deelredacties
vergroten, de kwaliteit verhogen en de zelfgenoegzaamheid wegnemen.
'Ik wilde die rare linksigheid, die modieusheid eruit hebben, vooral in de
politieke en de softe hoek, een ook een beetje in de kunst', zegt Blokker
tegen Van Vree. 'Er stond zoveel onzin in de krant, zoveel incrowd
journalistiek, zoveel dor hout. Dat roomse, dat verzuilde was eigenlijk
nooit helemaal verdwenen, de krant was nog steeds sektarisch. We moesten
terug naar het middenveld, terug naar de journalistieke normen.'
Op een kladje dat bewaard is in het Blokker-archief in het Filmmuseum
staan aantekeningen over de vernieuwing die hij voor ogen heeft: goede
opiniepagina, recensies inperken, een echte leesrubriek, bestsellers van
weleer, een actievere Dag-in-Dag-uit-rubriek, 'meer er op uit', een
'star'-interviewer, literaire stukken, voorpublicaties en vooral: Great
Reporting.
Blokker stimuleert door 'hardop denken'. Hij verbiedt niets, maar begint
met nieuwe dingen. Hij zit de godganse dag te praten, naast redacteuren op
de prullenbak. Geleidelijk wordt de sfeer opener. Er is kritiek mogelijk
op te subjectieve verslagen uit Den Haag, maar ook uit het buitenland.
Toch zijn er tegenslagen. Het grootste debacle is de berichtgeving over de
rellen op de dag van de troonswisseling op 30 april 1980. Als kippen
zonder kop rennen de verslaggevers door de stad en de volgende dag roept
de Volkskrant zo'n beetje de republiek uit. Ook de journalistieke adjunct
heeft geen overzicht. Meer dan duizend abonnees zeggen de krant op.
Blokker kijkt 'er met enige spijt op terug'. Het is een les. Na die
rampzalige koninginnedag doen de 'realo's' onder leiding van Blokker zich
sterker gelden.
Na vijf jaar acht Blokker zijn taak volbracht. De oplage van de krant
groeit gestaag en hoewel er nog restanten zijn van bevlogen journalistiek,
is de eerbied voor feiten toegenomen. Dus kan Blokker zich geheel storten
op columns, recensies van historische boeken (zie kader), scenario's en
andere creatieve bezigheden. Ook na zijn 65ste werkt hij vrolijk door aan
zijn oeuvre.
Hoeveel genres hij ook beoefent, voor velen is hij
in de eerste plaats columnist. Al in 1954 schrijft hij dagelijks
cursiefjes voor de Amsterdamse pagina van het Handelsblad. Ze zijn
geschreven in de trant van zijn leermeester bij Het Parool, Simon
Carmiggelt - vol belevenissen van alledag.
Maar een veelschrijver heeft niet genoeg aan één medium en dus duiken
Blokkers hoekstukjes in de loop der jaren ook op in de Varagids en later
in de VPRO-gids. En een schnabbel in Schipholland, het PR-blad waarmee de
nationale luchthaven de aandacht afleidt van milieuproblemen, dat kan er
ook nog wel bij. Misschien niet helemaal in overeenstemming met de
ethische regels die Blokker in interviews en op congressen verkondigt,
maar het betaalt goed.
Sinds 1964 verschijnen de columns van Blokker enkele malen per week in de
Volkskrant. Hij hoopt zijn gouden jubileum nog mee te maken: in 2004 is
hij vijftig jaar columnist, waarvan veertig jaar in de Volkskrant.
'Wat is een columnist?' vraagt Blokker zich in 1980 af. 'In Nederland is
een columnist iemand die regelrecht van de MULO naar de media is
gepromoveerd - de paar goeden niet te na gesproken natuurlijk. (...) Een
colummist, bedoel ik, hoeft niks te weten, hij hoeft alleen maar een
mening te hebben. (...) In een land dat stijf staat van de opinie, kan de
journalistiek niet anders dan wanhopig gecolumniseerd zijn.'
Laten we aannemen dat Blokker in eigen ogen bij die 'paar goeden' hoort.
Zijn columns bevatten doorgaans geen meningen. Het zijn meer ironisch
geschreven schetsjes waarin de werkelijkheid een slag wordt gedraaid. Hij
steekt de draak met de spelers in het nieuwstheater, onverschillig of zij
nu links of rechts zijn.
Zijn bekendste stokpaardje is de overbodigheid van de sociale wetenschap.
Onder de veelzeggende kop 'X=X' schrijft hij op 7 maart 1974: 'Als er iets
gemakkelijk te voorspellen is, dan wel dit: de terreur van de z.g. sociale
wetenschappen zal in de komende decennia nog schrikbarende vormen
aannemen. (...) De dictatuur van de kletskoek'.
Nog erger is de sociale academie: 'Wie te dom is voor de sociale
wetenschap kan in Nederland altijd nog terecht op de sociale academie waar
het leuterkonten exclusief wordt aangeleerd. (...) Geen vierkante meter
Hollandse bodem of er staat een vormingscentrum, een jeugdhonk, een
cultuurhuis dan wel een opvangherberg met een staf onder leiding van
iemand die Dirk-Jan of Arnold heet, een baard draagt, en de hele dag over
communicatiepatronen en tolerantiegrenzen praat.'
Nadat hij even gedegradeerd is geweest van pagina zeven (rechts) naar twee
(links), is hij vorig jaar - op aandrang van trouwe lezers - bevorderd
naar pagina drie (rechts). Het lijkt of die overwinning hem nieuwe
inspiratie heeft gegeven. Vroegen Blokker-watchers zich enkele jaren
geleden af of de oude zuurpruim niet eens moest stoppen, nu hoor je dat
Blokker weer op dreef is.
Nog altijd overheerst milde satire, maar soms schiet hij echt uit zijn
slof. Bijvoorbeeld in zijn vergelijking van Pim Fortuyn en Mussolini. 'Ze
hebben wel wat van elkaar weg, die twee', waarna een systematisch
opgebouwde reeks argumenten volgt om zijn stelling te onderbouwen. Blokker
is er na lezing van Fortuyns geschriften van overtuigd dat hij 'wel
degelijk de Jean-Marie Le Pen, de Filip Dewinter, de Jörg Haider en de
nieuwe Hans Janmaat van Nederland mag heten'.
Meestal is de nestor der columnisten minder grimmig. Dan associeert hij
gezellig over de vaderlandse eigenaardigheden, vaak naar aanleiding van
een krantenbericht of het Journaal van de vorige dag. Pijnlijk soms voor
de betrokkenen (je zal maar 'gratekut' worden genoemd, zoals Sonja
Barend), maar niet dodelijk: dat zou het pas zijn als Blokker ze niet meer
op de hak nam.
In de gewone omgang is Blokker een vriendelijk man, die graag aardig
gevonden wil worden, een beetje verlegen, als hij zich thuis voelt ook wel
een family man. Maar eenmaal achter zijn schrijftafel worden 'alle
sentimenten die in mijn gemoed huizen altijd overheerst door mijn
achterdocht'. Wantrouwen als burgerplicht.
Jan Blokker is op zijn 75ste nog altijd een van de
boegbeelden van de Nederlandse journalistiek. Toch heeft hij een
ambivalente houding tegenover dat vak. 'Aan de ene kant vind ik
journalistiek fantastisch en het leukste wat er is, zegt hij in 1989. 'Aan
de andere kant is het een heel ordinair vak, dat heel ordinair wordt
beoefend. Niet vakmatig, slonzig, ouwe-jongens-krentebroodachtig.'
En hoezeer hij ook de verslaggeving als de kern van het vak aanprijst,
liefst in de vorm van Great Reporting, heeft hij zelf relatief weinig
verslagen en reportages geschreven. En als hij zich er aan waagde (bij
voorbeeld in zijn reportages over Israël waarin hij parallellen trok met
de Duitsers in de jaren dertig), kon hij het niet nalaten zijn indrukken
vergezeld te doen gaan van interpretaties.
Niet helemaal volgens zijn eigen adagium, maar wel in de geest van de door
hem bewonderde aartsvader van de journalistiek: 'Ik ben heel tevreden als
ik word nagewezen als een hedendaagse Herodotus die (...) bij herhaling de
plank missloeg en die het niet altijd even nauw nam met zijn bronnen, maar
die er wel frank en vrij op uittrok en met de camera zo nu en dan naar
links of rechts zwenkte, om zo het uitzicht te openen op wat we over
honderd jaar nader als Geschiedenis zullen leren kennen.'
Bronnen: Artikelen van Jan Blokker in met
name Het Parool, het Algemeen Handelsblad, de Volkskrant, de Varagids en
de VPRO-gids; het Blokker-archief in het Nederlands Filmmuseum; gebundelde
columns en andere publicaties in boekvorm; vele tientallen interviews met
en artikelen over Jan Blokker in diverse kranten en tijdschriften;
fragmenten in boeken als 'Omroep in Nederland' (1994) van Huub Wijfjes en
'De metamorfose van een dagblad' (1996) van Frank van Vree.