'Ten aanval', ter wille van een beter journaal:
zelfreflectie bij het NOS-journaal
De hoofdredactie van het NOS-journaal presenteerde op 14 oktober 2002 een
uitgebreid rapport onder de titel 'Ten aanval'. Hierin stond een evaluatie
van het NOS-journaal en vele kritiekpunten en aanbevelingen. Een vorm van
interne kwaliteitsbewaking zou je kunnen zeggen. Is dit een geschikt
instrument om de kwaliteit te bewaken of zou een extern onderzoek meer
waarde hebben?
Barbara Schilthuis
Het rapport is gebaseerd op gesprekken die de
hoofdredactie met de verschillende deelredacties heeft gevoerd. Als
redenen voor het onderzoek worden genoemd het feit dat er een nieuwe
hoofdredactie was en de vele veranderingen in binnen- en buitenland.
Hiermee wordt geduid op 11 september en de gebeurtenissen rond Pim Fortuyn.
In die hectische periodes werkte het NOS-journaal op volle toeren. "De
adrenaline stroomde door de redactie en we werkten op de toppen van ons
kunnen."
Als belangrijke taak van het NOS-journaal ziet de hoofdredactie dat de
kijkers iets meer te weten komen van hoe het land ervoor staat en de
wereld draait. "Voorzien van achtergrond en context zodat de kijkers beter
functionerende staatburgers zijn, in staat om hun eigen lot te bezien en
te beïnvloeden."
De journalistiek heeft veel kritiek gekregen op haar berichtgeving rond de
dood van Pim Fortuyn. Ze zou te veel bij de elite horen en te weinig 'van
de mensen' zijn. De hoofdredactie neemt die kritiek serieus en wil met een
aantal maatregelen realiseren dat het NOS-journaal beter kan inspelen op
wat er leeft. Zo zullen er correspondenten in de grote steden benoemd
worden. Rotterdam wordt nauwgezet gevolgd door een nieuwe
regiocorrespondent. Er moet meer kennis komen over de Islam, ook onder de
journalisten. Er komen divers samengestelde groepen die het werk van het
NOS-journaal kritisch volgen. Dit laatste is wellicht te zien als een vorm
van externe evaluatie.
Ook op het gebied van de buitenland-journalistiek valt er volgens de
hoofdredactie veel te verbeteren. Gezien de wereldwijde invloed van de
aanslag op 11 september wil het journaal meer kennis vergaren op het
gebied van buitenlandse verhoudingen. Er wordt gestreefd naar een
correspondent in de Islamistische wereld en in Oost-Europa. Er moet meer
kennis komen op het gebied van globalisering.
De hoofdredactie is behoorlijk kritisch in het rapport. Ze vindt dat er
meer discipline moet zijn en dat er minder fouten gemaakt moeten worden.
Er volgt een rijtje punten waarbij de journalistieke discipline te wensen
overlaat. Hierbij valt op dat de hoofdredactie zware kritiek niet schuwt.
Zo vindt ze dat het NOS-journaal soms wederhoor verwaarloost - een
journalistieke doodzonde.
Het journaal legt ook te weinig uit, heeft te weinig primeurs, volgt
teveel de autoriteit en is niet alert genoeg. "Wat we eigenlijk willen is
werken op een niveau dat een stapje hoger ligt dan wat we nu doen, en voor
onszelf nader definiëren wat journalistiek is. Niet omdat we slecht zijn
maar omdat we de ambitie moeten hebben een stuk beter te zijn."
Het rapport is zeer uitgebreid en gaat op vele aspecten van het bedrijf
in. Zo wordt er per deelredactie gekeken naar wat er moet veranderen. De
nieuwsdienst wordt gezien als de kern, en deze zou veel vaker moeten
overleggen met de Haagse redactie. Voor alle deelredacties geeft het
rapport kritiekpunten en aanbevelingen. Vervolgens wordt gekeken naar de
regie, de productie, de videocoördinatie, de documentatie-afdeling en het
jeugdjournaal. Alle afdelingen worden grondig doorgelicht.
Tot slot kijkt de hoofdredactie naar zichzelf. Als
eigen taak ziet ze het om een visie op het NOS-journaal te ontwikkelen en
vervolgens te komen tot concrete stappen en afspraken. Natuurlijk moet de
leiding zorgen voor een goed personeelsbeleid, een werkbare begroting, een
heldere organisatie. Zij moet het journaal verdedigen naar buiten toe en
leiding geven op de werkvloer. De hoofdredactie moet 'betrokken,
beschikbaar en aanwezig' zijn. Het rapport sluit af met de woorden: "We
hopen dat er een enthousiasmerende werking van deze notitie zal uitgaan.
We zullen snel zorgen voor een follow-up."
Al met al geeft het rapport een compleet en biedt het voor het
NOS-journaal zelf veel aanknopingspunten om het eigen programma te
verbeteren. Wat echter opvalt is dat het hoofdstuk over de eigen rol van
de hoofdredactie erg kort en nogal algemeen is. Blijkbaar is het moeilijk
om kritisch te kijken naar de eigen rol. Ook het formuleren van
uitgangspunten van het NOS-journaal gebeurt niet helder.
Wat in dit rapport ontbreekt, is een duidelijk kader waaraan het journaal
getoetst kan worden. Wat zijn de uitgangspunten en in hoeverre wordt
hieraan voldaan? Bij dit rapport rijst de vraag of het wel mogelijk is de
eigen blinde vlekken te zien. Een combinatie met een extern onderzoek zou
een completer beeld opleveren. Redactiemedewerkers zijn wel bij het
rapport betrokken maar zij hebben een gezagsverhouding met de
hoofdredactie. Zeker voor zo'n belangrijke nieuwsbron als het NOS-journaal
is het van belang zich regelmatig aan kritiek bloot te stellen.