'De lastige lezer': relevantie voor het publiek
In het boek 'De lastige lezer' onder redactie van Joost Divendal staan
enkele hoofdstukken over speciale deelpublieken. Hoe kan een medium daar
rekening mee houden? Hier een korte samenvatting van twee hoofdstukken,
over respectievelijk vrouwelijke lezers en over allochtonen.
Edwin Schoon
1) De vrouwelijke lezers (Henriët Salm)
Ten opzichte van enkele decennia geleden is het percentage vrouwelijke
lezers enorm gestegen, het nadert nu de 50 procent. "Hebben de kranten
zich hier wel aan aangepast?", vraagt Henriët Salm van Trouw zich af.
Ze beschrijft een experiment van het Belgische De Morgen om met twee
kranten uit te komen, één voor mannen, en één voor vrouwen. De Morgen had
uit lezersonderzoek begrepen dat vrouwen andere onderwerpen en een andere
weergave van het nieuws prefereren dan mannen. Vrouwen lezen liever over
kunst, zorg, onderwijs en religie en minder graag over sport, politiek,
buitenland en financiën. Conclusie van het onderzoek: "de vrouw leest de
krant achterstevoren".
Volgens het onderzoek van De Morgen spreekt vrouwen een persoonlijke
benadering in de berichtgeving aan. Liever een persoonlijk citaat als
begin, dan een zakelijk intro. Ook interviews die wat van de persoonlijke
achtergrond van de geïnterviewde vertellen, vinden vrouwen aantrekkelijker
dan zakelijke interviews of achtergrondartikelen.
Salm beschouwt de uitkomsten als positief voor het maken van kranten. Ze
waarschuwt echter voor doorschieten, zeker als het een krant om het
objectief brengen van nieuws gaat. Salm: "We moeten oppassen voor het
geforceerd zoeken naar een persoonlijke invalshoek of persé met een citaat
willen beginnen, terwijl het beter in eigen woorden kan." Wel is het
volgens haar een goede zaak als de samenstelling van redacties in de buurt
komt van de samenstelling van de lezerspopulatie. In Nederland komt Trouw,
waar Salm zelf werkt, daar het dichtste in de buurt, met 60 procent mannen
en 40 procent vrouwen.
2) De allochtoon (Bas Mesters)
"Wat autochtonen van allochtonen vinden is grotendeels ingegeven door de
kranten" schrijft Bart Mesters (de Volkskrant) halverwege zijn bijdrage.
Daar ligt een grote verantwoordelijkheid volgens hem, vooral in deze
spannende tijd. Opvallend genoeg is het artikel geschreven pal voor de
opkomst van Pim Fortuyn, en niet gekleurd door die gebeurtenissen.
Mesters krijgt van zijn 'allochtone bronnen' veel klachten over de
berichtgeving in kranten. Het negatieve zou worden uitvergroot, het
positieve genegeerd. Verder ontbreekt de ruimte voor de broodnodige
nuance, en is de drang de achterliggende waarheid te achterhalen, volgens
de bronnen van Mesters, te gering.
Het gevolg bij deze groep is een enorme achterdocht bij het lezen van de
krant. Zeer kritisch en uiterst gevoelig wordt de krant gelezen. Bijna
onbewust checkt men de krant op een keuze voor betrokkenheid bij de
situatie van allochtonen, dan wel het uitsluiten van deze groep.
Volgens Mesters voelt de allochtoon zich vaak tekortgedaan. Hij schetst
dit aan de hand van het feit dat de allochtoon zich de laatste jaren
zichtbaarder heeft gemanifesteerd in Nederland. Terwijl ondertussen juist
de angst voor moslim fundamentalisme groeide in Nederland.
Maar Mesters vervolgt met de vaststelling dat nieuwswaardigheid van
berichten soms meer bepaald wordt door het afwijkende, en dat criteria als
objectiviteit en onafhankelijkheid dan soms minder dominant werken. Hij
denkt dat dit journalisten niet te verwijten valt.
Voorbeeld 1. Artikel over Turkse scholier in Veghel die op medeleerlingen
schoot uit eerwraak. Mesters plaatste bij het artikel het oordeel van een
Turkse criminoloog om de discussie hierover op gang te brengen, met het
risico dat mensen zouden gaan denken: die Turken zijn achterlijk en niet
te vertrouwen.
Voorbeeld 2. Reportage uit asielzoekerscentrum in Crailo. Beschrijving van
moeilijke omstandigheden, maar ook getuigenissen van mensen die het niet
meer aankunnen en aan de harddrugs gaan of in de criminele handel
terechtkomen. Een jaar later bij Kollum riepen sommigen dat het
plaatselijke AZC weg moest, want het was een broeinest van drugs en
criminelen.
Conclusie: de lezer gaat er zo vandoor met je verhaal, negatieve
beeldvorming is dan een feit, maar dit is niet de intentie van de
journalist. Dan maar niet het verhaal schrijven? Nee, zegt Mesters, want
het is de werkelijkheid en nieuwswaardig, goed gedocumenteerd. En
belangrijker: de journalist is niet verantwoordelijk voor wat de lezer met
het artikel gaat doen na vandaag. Morgen is alles weer anders.
Moet de journalist zich dan geen rekenschap geven het effect van zijn
artikelen? Toch wel, vindt Mesters. Want het gaat wel om de toon van de
berichtgeving en de intentie die je laat weerklinken in je stukken. En de
journalist is ook geen profeet die de waarheid in handen heeft en de
maatschappij een bepaalde richting uit kan duwen.
Conclusie
Geef je rekenschap van specifieke lezersgroepen. Houdt rekening met de
zaken die in die groepen leven, en voer hierover een open discussie. Maar
laat je werkwijze hier niet drastisch door bepalen. Nieuwswaardigheid,
objectiviteit en onafhankelijkheid blijven het belangrijkst. Het kan wel
nodig zijn om op de redactie mensen te hebben die goed thuis zijn in de
vraagstukken die leven onder deze groepen.