| [an error occurred while processing this directive] |
|
Dossier Kwaliteit
Terug naar inhoudsopgave
Kwaliteitsdossier
Mooi verhaal, alleen klopten de feiten niet;
Amerikaanse media willen
weer 'fact checkers'
In de Verenigde Staten zitten een paar reporters onvrijwillig thuis. Ze
zijn op staande voet ontslagen omdat ze feiten onvoldoende hadden
gecheckt. Wat is er mis met de eens zo roemruchte Amerikaanse traditie van
fact checking?
Charles Groenhuijsen
Bij CNN was de klap het hardste: Producers April
Oliver en Jack Smith stonden ineens op straat toen bleek dat een met veel
tamtam aangekondigde reportage over het gebruik van gifgas door de
Amerikanen tijdens de Vietnamoorlog niet waar bleek te zijn.
Sterverslaggever Peter Arnett mocht blijven maar kreeg wel een standje van
de CNN-bazen.
Bij The Cincinnatti Inquirer zijn ze ineens een collega en tien miljoen
dollar armer. Verslaggever Mark Gallagher wist tweeduizend voicemails van
banenen-gigant Chiquita te onderscheppen en meende daar systematisch
wangedrag - cocainevervoer op banenenboten bijvoorbeeld - uit te mogen
afleiden. Ook niet waar dus. Schadevergoeding en ontslag.
Bij The Boston Globe was Patricia Smith de eerste zwarte vrouw die de high
profile baan van vaste columnist wist te bemachtigen. Dat ging goed - ze
was als zwarte activiste vooral onder de etnische minderheden van Boston
populair - totdat bleek dat ze allerlei mensen en situaties in haar
columns had verzonnen. Ze kon vertrekken. Een onderscheiding die ze eerder
dit jaar kreeg - de Distinguished Writing Award - is ze ook kwijt.
De meest kleurrijke werkloze verslaggever is zonder twijfel de 25-jarige
Stephen Glass die tientallen artikelen geheel of gedeeltelijk verzon. Ook
de manier waarop zijn bedrog uitkwam is origineel. De hoofdredactie van
het serieuze maandblad The New Republic kreeg argwaan toen in een verhaal
over computer-hackers een website van een bedrijf voorkwam dat helemaal
niet bestond. Glass had in de van hem bekende kleurrijke stijl een
zondagse bijeenkomst in Washington beschreven van de groep computerhackers.
Waar was die vergadering dan wel, wilde de hoofdredacteur weten. Vol bluf
reed Glass zijn baas naar een gebouw waar de dienstdoende portier echter
zeker wist dat het gebouw op zondag altijd hermetisch op slot was. Glass
sloeg door: ja, hij had het allemaal uit de duim gezogen.
De Amerikaanse journalistiek vraagt zich vertwijfeld af: zijn dit
incidenten of is er echt iets mis? Worden kranten, tijdschriften en
TV-stations zo door de commercie en de jacht op abonnees en kijkers
voortgedreven dat elementaire journalistieke regels aan de kant worden
geschoven? Veel journalisten zijn met name geschrokken omdat in de VS
kranten, TV-stations en vooral tijdschriften traditioneel veel tijd en
geld besteden aan het controleren van feiten voordat ze worden
gepubliceerd. Maar juist daarop is de laatste jaren sterk bezuinigd.
Kathleen Valley, docent aan de Harvard Business School wijst er op dat
journalisten vroeger als leidraad hadden dat ze publiceerden wat de kijker
of lezer naar hun oordeel moest weten. Nu is uitgangspunt wat de consument
graag wil lezen of zien. En dat opent de deur voor een stortvloed aan
fluffy nieuwsshows en opgepoetste artikelen. De verleiding is groot om een
sensationeel verhaal niet door de saaie waarheid te laten bederven. De
vorm is belangrijker dan de inhoud, aldus Kathleen Valley in The Columbia
Journalism Review.
Uit Amerikaanse onderzoeken blijkt dat kranten en televisie steeds meer
aandacht besteden aan misdaad, entertainment en sensationele onderwerpen.
Time en Newsweek hebben nu veel meer crowd-pleasing covers dan twintig
jaar geleden. Journalisten moeten scoren. Daarop worden ze afgerekend.
Stephen Glass is hier weer het mooiste voorbeeld. Hij begon zijn
succesvolle loopbaan zelf ooit als fact-checker bij The New Republic. Toen
hij later als free-lance verslaggever met de meest fantastische verhalen
aankwam, wist hij de collega's van dit fact-checking department ervan te
overtuigen dat ze zijn bronnen beter maar niet konden bellen. Het zou de
informanten wel eens kunnen afschrikken. Hij leverde wel zijn
aantekeningen en faxberichten in - veelal fake bleek later. Van de 41
artikelen die hij voor het blad schreef waren er 27 geheel of gedeeltelijk
verzonnen. Sommige artikelen konden niet meer gecheckt worden. Glass
schreef bijvoorbeel beeldend over zijn belevenissen als 'telefoon-psycholoog'.
Of de anonieme bellers echt waren of ook aan de fantasie van Glass waren
ontleend, is niet meer na te gaan.
Zeker is wel dat bij elkaar gefantaseerde artikelen verschenen over een
mal religieus gezelschap dat dacht dat George Bush een nakomeling was van
Jezus (ze aten geen broccoli omdat Bush dat vies vond) en over een beurs
met Monica Lewinsky-souvenirs (Moni-condoms speciaal voor orale sex en
pratende poppen die zeiden: Ik ben een goede stagiaire). Voor het
maandblad George schreef Glass een artikel over Vernon Jordan, advocaat en
Clinton-vertrouweling. De anonieme bronnen die Glass vertelden dat Jordan
en Clinton hun voorkeur voor jonge meisjes deelden, waren ook verzonnen.
Achteraf is het bijna onvoorstelbaar dat Glass niet veel eerder tegen de
lamp is gelopen met zijn soms amper serieus te nemen fantasieën. De
hoofdredacteur van The New Republic schaamt zich dan ook rot. 'We hebben
ten onrechte vertrouwen in Glass gehad. De bullshit detector heeft hier
duidelijk gefaald.' Het levensverhaal van Glass wordt volgens -
niet-gecheckte ! - krantenberichten verfilmd.
De kwade opzet die bij Glass een rol speelde (hij stond onder grote druk
en nam veel te veel opdrachten aan) is afwezig bij de andere blunders. In
het geval van columniste Patricia Smith was er wel opzet in het spel, maar
als columniste diende ze een politiek doel. Dat is geen excuus maar
daarmee is haar journalistieke gefantaseer van een andere orde dan het
gretige bedrog van Glass, die inmiddels 24 uur per dag onder een
suicide-watch staat.
Patricia Smith was eerder recensente van popconcerten en het vermoeden
bestaat dat ze een bezoek aan het concert niet altijd nodig had om een
recensie te schrijven. Curieus is dat Smith tegen de lamp liep nadat de
Boston Globe besloot om het werk van diverse columnisten aan fact-checking
te onderwerpen, nadat twijfel gerezen was over de werkwijze van een andere
columnist. Die bleek 'clean' te zijn. Smith niet. Haar bedrog kwam al gauw
aan het licht.
In het geval van het Chiquita-verhaal van The Cincinnatti Inquirer en het
CNN-verslag over het gifgas in Vietnam lijkt er sprake te zijn van
onvoldoende controle op de redacties. Verslaggevers en producers die
maanden tot over hun oren in 'hun' schandaal zitten, nemen er onvoldoende
afstand van en gaan in de fout. In Cincinnati dreigt voor de krant nu
zelfs een strafproces vanwege het stelen van voice-mails. De ontslagen
verslaggever heeft tot nu niet verteld hoe het hem lukte alle berichten
van de Chiquita-bazen te pakken te krijgen.
De CNN-flater was natuurlijk uiterst pijnlijk. Het Vietnam-gifverhaal was
de 'teaser' van de eerste aflevering van het programma NewsStand met
top-anchors Bernard Shaw en - de net van ABC overgekochte - Jeff
Greenfield. Kern van de reportage was dat Amerikaanse vliegtuigen in 1970
gifgas (sarin) zouden hebben verspreid boven kampen in Laos waar
Amerikaanse deserteurs verbleven. Er zouden daarbij behalve twee
deserteurs ook 100 Laotinaanse burgers zijn omgekomen. Vanaf het begin was
er binnen CNN twijfel over het waarheidsgehalte van de geruchten. De
miltaire analist van CNN, gepensioneerd generaal Perry Smith, nam direct
na de uitzending uit protest ontslag wegens sleazy journalism. Uit een
intern onderzoek bleek later dat kroongetuigen in de reportage aan
geheugenstoornissen leden of in hun antwoorden vooral reageerden op de
suggestieve vragen van de CNN-interviewer. Deskundigen die aan het verhaal
twijfelden kwamen amper aan bod. CNN kwam met een openbare boetedoening en
ook Time, dat hetzelfde verhaal publiceerde, rectificeerde vol berouw.
Toch houden de ontslagen CNN-journalisten vast aan hun verhaal. Jack Smith
zei in The Washington Post dat er sprake is van een witwas-operatie. Hij
vindt dat zijn bazen gezwicht zijn voor de druk van het militaire
establishment. 'Ze wilden daar niet bevestigd zien wat wij vertelden,
namelijk dat ze deserteurs vermoordden en daar zenuwgas bij gebruikten als
onderdeel van een ongeschreven dienstopdracht. Ze waren er op uit het
verhaal om zeep te helpen. Daarin zijn ze geslaagd.'
CNN-directeur Rick Kaplan is het daar niet mee eens. 'Ze (de ontslagen
journalisten) waren verliefd geworden op hun verhaal en waren er in gaan
geloven. Veel informatie was buiten de reportage gelaten.' Maar de
ontslagen April Oliver meent dat zij en haar collega Jack Smith
slachtoffer zijn geworden van een cover-up. Oliver: 'Er waren sterke
krachten aan het werk om dit verhaal verdacht te maken. De taktiek was om
de boodschapper te vermoorden. Ik dus. Ze portretteren me nu als 'the
producer from hell' die veteranen te pakken wil nemen en ze dingen wil
laten zeggen die ze niet menen.'
Maar in een 60 pagina's tellend rapport concludeert media-jurist Floyd
Abrams onomwonden dat de CNN-journalisten fout zaten. Maar hij wijst er
ook met klem op dat - anders dan in de gevallen van Glass en Smith - er
hier geen sprake is van opzet. 'Er was geen fraude of bedrog in het spel.
Geen vervalsingen. Maar het was gewoon geen verhaal. Er is hier sprake van
een vergissing.'
De CNN-leiding heeft intussen veel kritiek gekregen dat vanwege deze
'vergissing' twee producers zijn ontslagen. Maar top-reporter Peter Arnett
kwam er met een schrobbering vanaf, terwijl hij voor de omstreden
reportage interviews afnam waarin ook uitspraken zaten die het gif-verhaal
afzwakten.
Bij CNN is naar aanleiding van de affaire hals-over-kop een speciale
afdeling voor fact-checking opgericht om dit soort blunders in de toekomst
te voorkomen. 'We moeten het systeem veranderen. Ik kan u niet vertellen
hoe serieus we dit aanpakken', aldus CNN-directeur Richard Kaplan.
In de Amerikaanse mediawereld gaat intussen de discussie omverminderd door
over de vraag of het zelf-reinigend vermogen van de journalistiek bestand
is tegen de steeds agressievere commercie waardoor financieel gewin boven
feitelijke inhoud gaat.
|
|