Geen geld voor kwaliteitsbewaking van de
media: het uitblijven van een Nederlandse persmonitor
De journalistieke media bestempelen zichzelf graag
als de waakhond van de democratie. In deze rol krijgen ze toenemend
kritiek te verduren. De berichtgeving in de media, met de televisie
voorop, is bepalend geworden voor de richting en uitkomst van het
maatschappelijk debat. Tegenspelers van de media stellen de kwaliteit van
de berichtgeving regelmatig ter discussie. Zij willen dat de waakhond zelf
bewaakt wordt. Wie is geschikt voor deze hondenbaan?
Hugo van Engelsdorp Gastelaars
Het zijn roerige tijden voor de journalist. Sinds
de verwoestende terroristische aanslagen in New York en Washington van
september 2001 is er een andere wind door de westerse wereld gaan waaien.
Twee oorlogen tussen de Verenigde Staten en landen in de moslimwereld
volgen en in beide gevallen, zij het in verschillende mate, kiest
Nederland de kant van de transatlantische bondgenoot. Zowel
anti-Amerikaanse als anti-islamitische geluiden weerklinken in de
samenleving en ons wereldbeeld raakt op drift. Voor journalistieke
berichtgeving dreigen gevaren als populisme en politieke correctheid,
overdrijving maar ook onderschatting.
In Nederland zelf wint een politicus die de Islam een achterlijk geloof
noemt en de deur dicht wil doen voor moslim-immigranten, de sympathie van
een aanzienlijk deel van de bevolking. Net als de media zelf klaar lijken
te zijn om dit nieuwe fenomeen objectief te benaderen, wordt de natie
geschokt door een politieke moord. De volgelingen van de vermoorde
politicus halen 26 zetels binnen bij de verkiezingen in mei 2002.
Met deze ruk naar rechts in de maatschappij komen de media onder vuur te
liggen. De beschuldigingen richten zich op vermeende vooroordelen in de
journalistiek. In hun rol als waakhond zouden zij selectief blaffen en
bijten. Journalisten, zo luidt de beschuldiging, durfden niet te blaffen
naar migranten die problemen in onze maatschappij veroorzaakten. Hiermee
zouden zij medeschuldig zijn aan het taboe waarmee 'de linkse kerk' het
volk de mond heeft gesnoerd, tot de komst van Pim Fortuyn en de LPF. Toen
begonnen de media, vervolgt de beschuldiging, juist overdreven hard te
blaffen en te bijten.
De waakhond bleek er een linkse moraal op na te houden. Daarmee was de
waakhond geen onschuldig beest meer, maar een bevooroodeelde cipier die
eigen rechter probeerde te spelen. De waakhond behoeft een baasje. Maar
wie moet dat zijn? De instantie die de bewaker moet gaan bewaken dient
onpartijdig te zijn. De media zelf worden geacht dat te zijn, maar kunnen
hun eigen vooroordelen niet onpartijdig beoordelen. Politieke controle
wordt afgewezen omdat de pers juist onafhankelijk van de politiek moet
kunnen opereren. Misschien kan de wetenschap uitkomst bieden.
Een interessant initiatief om de kwaliteit van de
pers te bewaken, kwam enkele jaren geleden van het Persinstituut. Dit
instituut, een samenwerkingsverband van de Nederlandse Vereniging van
Journalisten (NVJ), de Nederlandse Dagblad Pers (NDP), de beide
universiteiten van Amsterdam en de universiteit van Nijmegen, lanceerde in
1997 een onderzoeksproject onder de titel Nationaal Forum. Dit forum wil
een bijdrage leveren aan het debat over de maatschappelijke positie en
verantwoordelijkheid van de media.
Met het lanceren van de plannen voor een persmonitor in 1999, wilde het
Persinstituut het Forum-programma een empirisch karakter geven. De
persmonitor moest het debat over de kwaliteit van de journalistiek gaan
voorzien van onderzoeksmateriaal, zonder zelf een oordeel te vellen. Het
instrument is gevormd naar het model van het Center for Media and Public
Affairs, uit de V.S..
Wat heeft het Persinstituut in 1999 precies voor ogen met de permonitor?
De persmonitor gaat de berichtgeving in de media documenteren. Wat vinden
de media nieuws, hoe presenteren ze dit nieuws en hoe verloopt de
meningsvorming rond het nieuws? Bij actuele gebeurtenissen die een tijd
het nieuws bepalen kan dit instrument snel (binnen enkele maanden) de
berichtgeving analyseren. Het is niet de bedoeling dat deze analyses
uitmonden in een richtinggevend of normstellend oordeel over de
journalistieke berichtgeving. De persmonitor zal, in kwesties waar de rol
van de media ter discussie komt te staan, het materiaal aanleveren waarop
het debat zich kan baseren.
Voor deze objectiverende en faciliterende rol is het noodzakelijk dat de
kwaliteit van het materiaal zelf niet ter discussie staat. De methodiek om
de journalistieke berichtgeving in kaart te brengen moet daarom degelijk
en verantwoord zijn. Het journalistieke bedrijf wordt een
wetenschappelijke spiegel voorgehouden. De vraagstellingen zijn gericht op
de actualiteit en de praktijk en moeten resulteren in toegankelijke en
prikkelende analyses van berichtgeving. In eerste instantie richt de
persmonitor zich op periodieke rapportage over kwesties die tijdelijk het
nieuws bepalen.
De methode om zulke actuele rapportages mogelijk te maken, vastgelegd in
een onderzoeksprotocol, zal bestaan uit een inventarisatie van de
berichtgeving, een feitenreconstructie en vervolgens een inhoudsanalyse
van de berichtgeving. De rapportage legt de resultaten van de
inhoudsanalyse - hoe was het gesteld met de bronnenkeuze, de woordkeuze,
de nieuwsselectie, de onderbouwing van beweringen, hoor en wederhoor-
naast de professionele standaarden die gelden in de journalistiek.
Het Persinstituut wil dat de persmonitor, naast periodieke rapportages,
ook aan continue rapportage gaat doen. Deze "Continue Persmonitor" gaat
speuren naar trends in de berichtgeving van dagbladen over enkele
langlopende discussies. Ontstaan er in de loop van de tijd verschuivingen
in de probleemstelling, de hoofdrolspelers, de bronnenkeuze? Wat voor
gebeurtenissen halen de voorpagina's en hoe actief is de
onderzoeksjournalistiek in het naar boven halen van feiten?
Met de resultaten van de persmonitor kan het debat van start gaan: in
ontmoetingen met deskundigen (expert-meetings), op de website van het
persinstituut, met publicaties in het het vakblad "De Journalist" of eigen
publicaties. En misschien ook wel eens met een redactie waarover specifiek
materiaal is verzameld.
Op de website van het Persinstituut valt nu, in
2003, niet veel te discussiëren. Veel links lopen dood en dat heeft met
geld te maken. Het plan voor de persmonitor ging toen, in 1999, uit van
een bescheiden betaalde bezetting van één part-time onderzoekscoördinator,
twee part-time begeleidende docenten en één student-assistent, aangevuld
met onbetaalde stagiaires. De benodigde twee ton -in guldens- per jaar
waren er nog niet met de jaarlijkse bijdragen van de NDP (45.000 gulden)
en de NVJ (25.000 gulden).
Vier jaar wordt nu met het Bedrijfsfonds voor de Pers onderhandeld over
een subsidie. Tot nu toe zonder resultaat, behalve dat de persmonitor nu
de nieuwsmonitor heet. In die vier jaar vielen twee kabinetten in Den
Haag, twee wolkenkrabbers in New York en veel, heel veel bommen op Bagdad.
Een persmonitor had zijn diensten ruimschoots kunnen bewijzen. Waarom de
financiering van dit instrument niet rond komt is onduidelijk. Wel
duidelijk is iets anders: journalisten volgen graag het werk van anderen,
maar op hun eigen werk horen ze liever geen commentaar anders dan een
ingezonden brief.