Mediakritiek moet, maar dan zorgvuldig
Over Fortuyn zijn we nog lang niet uitgepraat.
Onontkoombaar is daarbij de vraag welke rol de media hebben gespeeld in
opkomst en ondergang van het fenomeen Fortuyn. Bezinning is geboden, maar
hoe? Mediaonderzoeker Otto Scholten pleit voor zorgvuldige toetsing. Dat
is kostbaar, maar wel nuttig.
Otto Scholten
Het debat over de rol van de media werd luttele
uren na de moord op Pim Fortuyn al geopend door Mat Herben, inmiddels
fractievoorzitter van de LPF. In zijn eerste reactie stelde hij politici
en media medeverantwoordelijk voor het ontstaan van een klimaat waarin een
politieke moord mogelijk werd.
Enkele dagen later volgde de oneliner van Peter Langendam, voorzitter van
de LPF, waarin alle emotie richting media en politiek werd samengebald:
'De kogel kwam van links'. Zelden werden media zo luid, duidelijk en
ongepolijst opgeroepen zich te verantwoorden voor hun berichtgeving.
Die roep om bezinning en verantwoording afleggen staat niet op zichzelf.
Zowel van overheidsinstellingen als van bedrijven wordt verwacht dat zij
over steeds meer zaken in het openbaar verantwoording afleggen. Naast het
financiële jaarverslag hebben het sociale jaarverslag en het
milieujaarverslag een vaste plaats verworven. En menig groot bedrijf heeft
de afgelopen jaren te maken gekregen met maatschappelijke groepen die
eisen dat niet alleen de eindproducten maar ook de productieprocessen
'goed' zijn. Goed in de betekenis van 'maatschappelijk verantwoord': geen
kinderarbeid, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, zorgvuldige omgang met
het milieu, liefst vast te leggen in gedragscodes. Vrij algemeen wordt de
noodzaak van maatschappelijk verantwoord ondernemen erkend.
Minder overeenstemming is er over de manier waarop en de criteria aan de
hand waarvan beoordeeld kan worden in hoeverre bedrijven zich houden aan
gedragscodes.
'Verantwoording afleggen' kent in het politieke domein de langste traditie
en de meeste verschijningsvormen. Verkiezingen - 'het feest der
democratie' - zijn hét moment waarop politici tegenover de burgers
verantwoording afleggen. Waarover precies is in ons politieke systeem niet
altijd even duidelijk. Soms is het gevoerde beleid duidelijk inzet van de
verkiezingsstrijd, soms is geen enkele partij bereid dat beleid te
verdedigen en voortzetting ervan te bepleiten. Is dat laatste het geval,
dan gaat de verkiezingsstrijd eerder over de vraag aan welke (combinatie)
van partijen het landsbestuur de komende vier jaar het best toevertrouwd
kan worden dan over de vraag of het gevoerde beleid de toets der kritiek
kan doorstaan. Met andere woorden: het staat van tevoren nooit vast welke
punten de kiezers in hun oordeel zullen betrekken.
Leggen politici in verkiezingstijden verantwoording af tegenover de
kiezers, in de tussenliggende periode wordt van de regering vrijwel
dagelijks gevraagd verantwoording af te leggen. In die kritische toetsing
spelen het parlement en de media de hoofdrol.
Het parlement kan zijn kritische rol op velerlei manieren waarmaken:
debatten over begrotingen en wetsvoorstellen, ongeplande spoeddebatten
over actuele kwesties, vragenuurtjes, interpellaties, schriftelijke en
mondelinge vragen - in alle gevallen leggen bewindspersonen tegenover de
Tweede Kamer verantwoording af. Voor al die verschillende vormen bestaan
spelregels die vastleggen op welke wijze welke bewindspersoon waarover
verantwoording aflegt. Het is een redelijk strak gereglementeerd proces,
voor de Binnenhofbewoners helder als glas, maar voor de doorsnee burger
lang niet altijd transparant.
Verantwoording afleggen mag in de parlementaire arena een zeer verfijnd
geheel van procedures en mechanismen kennen, toch is sprake van een
verantwoordingscrisis. Dat heeft alles te maken met de vanaf begin jaren
tachtig gegroeide Haagse gewoonte om steeds gedetailleerder
regeerakkoorden te sluiten en de regeringsfracties daar steeds strakker
aan te binden. De gevolgen zijn bekend: in plaats van open politieke
debatten over zaken die de burgers bezighouden, worden rituele dansen
uitgevoerd rond de vraag of maatregel A dan wel uitspraak B al dan niet in
strijd is met de afspraken zoals neergelegd in het regeerakkoord van drie
jaar geleden. Wie zo jarenlang het politieke debat lamlegt en nalaat de
burgers te betrekken bij de politieke agendavorming - de problemen van
2002 zijn niet die van 1998 - roept het keiharde verwijt van een 'gesloten
politieke cultuur' over zichzelf af.
Nu de rol van de media, die niet alleen de
regering, maar ook het parlement geacht worden te 'controleren'. Als de
politiek-parlementaire pers iets verweten kan worden, dan is het dat zij
nauwelijks kans gezien heeft zich te onttrekken aan dit Haags gebeuren.
Media en politiek, zo concludeerden prof. dr. Jan Kleinnijenhuis en zijn
collega's, houden elkaar gevangen in de spelregels van hun eigen logica en
voeren samen een bizarre dans op. Het gevolg is dat in de ogen van (een
deel) van het publiek en ook in de ogen van sommige journalisten de Haagse
journalistiek deel is gaan uitmaken van die verfoeide gesloten cultuur.
Natuurlijk, it takes two to tango. Maar als die twee onvoldoende distantie
bewaren, is die tango niet om aan te zien.
Niet alleen politici, ook 'de media' waren verrast
over de snelle opkomst van Fortuyn. De media hadden grote moeite hem te
plaatsen. Zijn stijl en taalgebruik week in alles af van de codes die
andere politici hanteren: geen verhullende taal, gericht op het smeden van
een coalitie na de verkiezingen, maar provocerende, heldere uitspraken
direct gericht op kiezers. En ook de inhoud bleek lastig te plaatsen in
bekende referentiekaders. Links-rechts, progressief-conservatief,
markt-overheid: Fortuyn bleek in geen enkel hokje te passen. 'Fortuyn
trekt zich niets aan van consistentie. En struint onbekommerd door het
politieke gedachtegoed alsof hij door een supermarkt loopt. Hij lijkt
daarmee moeiteloos kiezers voor zich te winnen die voorheen voor zeer
uiteenlopende partijen stemden. In zijn programma maakt hij gebruik van
een snufje marktdenken hier en een kommetje overheidsingrijpen daar, en
lokt zo kiezers van de PvdA en de VVD', schreef Meindert van der Kaaij in
een poging te verklaren waarom Melkert, Dijkstal en Rosenmöller niet met
Fortuyn konden debatteren (Trouw, 15 maart).
Die ongrijpbaarheid van Fortuyn, dat zich onttrekken aan bekende
interpretatiekaders, verklaart de talloze bijnamen en etiketten die
Fortuyn in korte tijd opgeplakt zijn. Een aantal van die etiketten en
bijnamen zijn met name na de moord op Fortuyn bijeengeveegd in één woord
met een sterk beschuldigende ondertoon: de media hebben Fortuyn
gedemoniseerd.
Sommige deelnemers aan het debat daarover hangen een wel erg simpele
theorie aan. Zonder ook maar een moment stil te staan bij de vraag wat
'demoniseren' zou kunnen betekenen, stellen ze dat (a) media en politiek
Fortuyn gedemoniseerd hebben, (b) daarmee mede verantwoordelijk zijn voor
de moord op Fortuyn en (c) zich derhalve dienen te verantwoorden.
Zo'n redenering laat haarscherp zien waar de risico's liggen van lukraak
'ter verantwoording' roepen. Voor je het weet worden media beschuldigd van
van alles en nog wat en ontstaat het gure klimaat waar we na 6 mei in
terechtgekomen zijn. Journalisten die bedreigd en in een enkel geval
aangevallen worden, studio's en redactielokalen die bewaakt moeten worden.
Zo moet het dus niet. Maar dat ontslaat media niet
van de plicht zich te verantwoorden voor de wijze waarop ze functioneren.
Dat past immers in een bredere maatschappelijke ontwikkeling. Maar dan
moet wel worden voldaan aan enkele essentiële voorwaarden. De voornaamste
eis is dat het proces van verantwoording afleggen geen afbreuk doet aan de
vrijheid van meningsuiting. In de tweede plaats moeten de
beoordelingsmaatstaven zo helder mogelijk expliciet gemaakt worden. En
tenslotte moet de manier waarop deze maatstaven toegepast worden duidelijk
en controleerbaar zijn.
Als een van de auteurs van de achtergrondstudies bij het
Srebrenica-rapport van het NIOD heb ik enige ervaring opgedaan met
onderzoek-achteraf. Daarbij zijn procedures ontwikkeld die in de toekomst
bruikbaar zijn bij de evaluatie van media. Door grondig de inhoud van
media te analyseren en te toetsen aan de regels die media zelf hanteren,
kan een oordeel worden gevormd over de kwaliteit van de berichtgeving. Dat
kan journalisten helpen bij hun zelfreflectie.