Onderzoek interactie:
regionalen koesteren hun klanten
Redacties hebben hun klanten ontdekt: de laatste jaren is het aantal
instrumenten voor contact met lezers, luisteraars en kijkers
verdrievoudigd. De Journalist onderzoekt de interactie tussen
journalistiek en publiek.
Joost Divendal
In een land, hier niet ver vandaan, leefden eens
journalisten, die hun rubrieken vulden in ivoren torens, 'redactielokalen'
geheten. Als representant van de koningin der aarde hadden zij met het
voetvolk van luisteraars en lezers weinig gemeen. Maar na gedane arbeid
daalden zij af naar het drinklokaal aan de voet van de toren. In het café
dronken zij een glas en deden zij een plas, alvorens zij 'de lezer' en 'de
luisteraar' dan toch wel wilden ontmoeten, in de persoon van de
taxichauffeur. Wanneer deze z'n kostbare vracht veilig had thuisgebracht,
wachtte hem de beloning om ooit eens in de rubrieken bevorderd te worden
tot vox populi of communis opinio. En dat land, met dat volk en zijn door
journalisten opgetekende opinie, dat heette Nederland.
Het is verleidelijk om deze pastiche nog een tijdje voort te zetten. Met
uitweidingen over lastige lezers, die bij tijd en wijle toch tot de
redactieburelen wisten door te dringen, in een niet aflatende
brievenstroom (Henriëtte Boas zaliger, of soms ook een psychopaat - iedere
redactie kent er wel eentje). Of over de prullenbak vol klachten van
abonnees, waartegen de hoofdredactie haar redacteuren afschermde: te veel
wisselwerking zou de vrijheid van de journalistiek in gevaar brengen!
Maar Nederland is Nederland niet meer. Abonnees en trouwe losse kopers en
afstemmers op programma's zijn wispelturiger geworden, sinds ideologische
verwantschap geen factor meer is in de keuze voor een bepaald medium.
Journalisten gingen al ver voor de door Pim Fortuyn gemobiliseerde onvrede
de 'oude wijken' in om de quotes van de taxichauffeur body te geven. En de
mening van de klant, als koning machtiger dan zijn gemalin de koningin,
telt op de redactieburelen meer en meer mee: schermde vroeger de afdeling
marketing wel eens met een lezersonderzoek, nu steken redacties zelf hun
licht op bij hun klanten met panels, spreekuren, ombudsmannen, de
lezersbus of de open dag.
Volgens de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
(RMO) is dat niet genoeg. 'Srebrenica' en 'Fortuyn' hebben aangetoond dat
journalisten bij tijd en wijle hun particuliere opvatting of de gemeenzame
hype verkiezen boven een moeizaam te reconstrueren maar getrouw beeld van
de werkelijkheid. Laat een onafhankelijk instituut regelmatig onderzoek
doen naar de effecten van berichtgeving, adviseert de RMO. De pers moet
een onafhankelijke media-ombudsman aanstellen, niet verbonden aan
redacties. En als die media niet zelf het initiatief nemen, moet de
overheid het maar doen. Dat geldt ook voor een jaarlijks
'verantwoordingsdebat', bij voorbeeld op de derde donderdag van juni, aan
de vooravond van het zomerreces.
Pieter Broertjes, voorzitter van het Genootschap van Hoofdredacteuren,
heeft een dergelijke 'overheidsbemoeienis' inmiddels afgewezen. Hij lijkt
daarin door verschillende collega's gesteund, blijkt uit het onderzoek van
De Journalist naar interactie.
NRC Handelsblad (uit het Genootschap gestapt) heeft géén bezwaar tegen
structureel onafhankelijk onderzoek. De meeste media verkiezen
'zelfregulering' boven collegiale verantwoordelijkheid. Het NOS Journaal
is lovenswaardig begonnen met een reactie- en correctiesite, waarop de
hoofdredacteur in eigen persoon zonodig het boetekleed aantrekt. NRC
Handelsblad doet sinds kort hetzelfde, via zorgvuldige naschriften bij
exemplarische brieven van lezers, van de hand van hoofdredacteur Folkert
Jensma. Om die reden heeft de krant dan ook geen ombudsman, zegt
adjunct-hoofdredacteur John Kroon: 'verantwoording hoort de hoofdredactie
op elk moment af te leggen waarop dat wordt gevraagd.'
De aanpak van NRC onder het opschrift 'De lezer schrijft, de krant
antwoordt' kent al sinds 1999 een pendant bij Trouw in de vorm van de
wekelijkse 'Brief van de hoofdredactie'. Ook de Gelderlander en de
Leeuwarder Courant kennen inmiddels dergelijke rubrieken.
Varianten op het post scriptum van de hoofdredactie zijn de rubrieken van
ombudsmannen en lezersredacteuren. Anders dan NRC Handelsblad heeft de
Volkskrant ervaring opgedaan met zijn ombudsman, die sinds 1997 carte
blanche heeft om aan de hand van lezersreacties (hoofd)redactioneel beleid
zonodig te bekritiseren. De Gelderlander benoemde al in 1990 een
onafhankelijke 'lezersredacteur', inmiddels uitgegroeid tot een instituut
van drie personen met een dagelijkse rubriek. Onder andere de Twentsche
Courant Tubantia (1995), het Dagblad van het Noorden en het Utrechts
Nieuwsblad (2001) zouden volgen.
Weer een andere variant hierop is het 'panel' van lezers of kijkers dat
media als klankbord gebruiken. Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de
Volkskrant, liet zich onlangs in het radioprogramma Kunststof ontvallen
dat dit voor zijn krant toch wel een flinke stap was. Laat hij gerust
zijn, anderen gingen hem voor en naar tevredenheid: de Haagsche Courant
sinds 1996, Trouw sinds 1998 en ook SBS6 gebruikt dit instrument.
Een aantal hoofdredacties dat onze vragen invulde,
dringt aan op een kwalitatief onderzoek om de veronderstelde effectiviteit
van zelfregulering te kunnen onderbouwen. Hierbij zou ook onderzoek gedaan
moeten worden onder redacteuren naar de consequenties van kritiek van het
publiek, en onder lezers of kijkers naar hun bevindingen. Voer voor
medialogen? Van de deelnemende titels speelt 90 procent kritiek van de
klant in ieder geval door naar hun redacteuren, in het dagelijks
werkoverleg, een logboek of per e-mail(brief).
Wij beperken ons hier tot een verkenning van gebezigde instrumenten, van
brieven- tot correctierubrieken en van telefonische spreekuren tot open
dagen. Het onderzoek van De Journalist is geen representatieve steekproef.
Wel geeft het enig inzicht in de variatie waarmee redacties hun
'zelfregulering' vormgeven. Of die afdoende is of daarentegen aanvulling
verdient, in de geest van de RMO-adviezen of anderszins, dat zullen de
lezers en kijkers en luisteraars uitmaken - in het slechtste geval door
bij 'hun' medium af te haken. Maar voordat het zover zou kunnen komen, zal
er in De Journalist en ook elders nog wel een en ander over worden
gedelibereerd.
Met 23 respondenten van de 58 benaderde
hoofdredacties heeft bijna 40 procent gereageerd. De aangeschreven media
zijn een mix van regionale en landelijke dagbladen, opinieweekbladen en
actualiteitenprogramma's op radio en tv. Zij moesten in een vrij korte
periode de moeite nemen om op de vragen in te gaan. Een enkeling (zoals
Vrij Nederland) had in tweede instantie helaas geen tijd. Een ander (De
Telegraaf) vond het onderwerp 'dom gezeik'.
Uit de respons van degenen die de moeite namen om de vragenlijsten in te
vullen blijkt een veelzijdige aanpak waarmee media hun oor te luisteren
leggen.
Koploper met het breedste scala aan klantbenadering is onbetwist de
Gelderlander. Op de tweede plaats staan ex aequo de Haagsche Courant en
het Dagblad van het Noorden. Onder de landelijke dagbladen is Trouw runner
up, met de Volkskrant in sprintpositie: de overbuurman van misschien wel
de beste krant van Nederland heeft iets later het licht gezien, maar de
ivoren toren aan de even zijde van de Amsterdamse Wibautstraat is
inmiddels toch wel afgebroken en de bende van Broertjes heeft 'm een
tandje hoger gezet. Het medium ten slotte met de oudste papieren inzake
journalistieke klantenbinding is de Leeuwarder Courant.
Op grond van deze relatief beperkte enquête kan geconcludeerd worden, dat
regionale media (letterlijk) eerder geneigd zijn om hun publiek ook buiten
het stramien van nieuwsvoorziening versus oplage- of kijkcijfers tegemoet
te treden: de 'regionalen' (dagbladen en omroepen) koesteren hun 'klanten'
het meest.
Verreweg de meeste instrumenten worden gehanteerd sinds begin jaren
negentig, met een explosie tot het drievoudige in de laatste vijf jaar.
Bij radio en tv is er pas sinds een jaar of twee sprake van enige
instrumentalisering van interactie.
Brievenrubriek
Sinds 1752, pocht de Leeuwarder Courant; 'sinds mensenheugenis' wedijvert
de Provinciale Zeeuwse Courant; de jaren vijftig (Algemeen Dagblad), de
jaren zestig (Nederlands Dagblad): alle kranten en opiniebladen hebben een
brievenrubriek. Een enkel televisieprogramma tekent aan dat veel kijkers
schrijven en antwoord krijgen (Netwerk/ Avro).
Website
Op het Nederlands Dagblad na publiceren alle media reacties van hun
klanten op hun website. De Haagsche Courant was de eerste in 1994, het NOS
Journaal is hekkensluiter op 15 mei 2003 (symbolisch, precies een jaar na
de moord op Pim Fortuyn).
Persoonlijk antwoord hoofdredactie
De hoofdredactie beantwoordt iedere brief van een lezer, kijker of
luisteraar met een klacht persoonlijk, bevestigen alle media, van De
Groene Amsterdammer tot en met BN/De Stem. Alleen RTV Oost zegt openhartig
'nee'.
Bij het Utrechts Nieuwsblad worden redacteuren ingeschakeld om opzeggende
abonnees te bellen en naar hun beweegredenen te vragen, met de bedoeling
om hen binnenboord te houden.
Eigen rubriek hoofdredactie
Een rubriek waarin de hoofdredactie in algemenere termen ingaat op
(kritiek op) het beleid bestaat bij zeven media: 30 procent van de
respondenten; het gaat hierbij om bijna 50 procent van de gedrukte media.
Het Nederlands Dagblad begon in 1993, Trouw ('Brief van de hoofdredactie')
in 1999, het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant in 2002. De
Provinciale Zeeuwse Courant zegt sinds de oprichting in 1758 zo'n rubriek
te hebben: voer voor een pershistoricus (en waar ligt het onderscheid met
een hoofdredactioneel commentaar)?
Een variant is het uitgebreide hoofdredactionele naschrift waarmee NRC
Handelsblad sinds begin 2003 een brief tot exempel verheft, onder het
kopje 'De lezer schrijft, de krant antwoordt'. De omgang met
hooggeplaatste personen (koningshuis, kabinet) scoort in alle rubrieken
behoorlijk.
Correctierubriek
'Feilen', 'Abuis' en 'Correcties & aanvullingen' zijn enkele titels die
zestien media kennen (75 procent van het aantal respondenten). De omvang
is wisselend maar relatief klein, vergeleken bij bijvoorbeeld de New York
Times met soms dag na dag een kwart pagina. Ook de frequentie is
wisselend, van incidenteel (Trouw) tot vrijwel dagelijks (NRC
Handelsblad).
Telefonisch spreekuur
Redacteuren achter de telefoon en lezers die een gratis nummer bellen:
acht kranten, circa de helft van de geschreven media, kent zo'n
telefonisch spreekuur, dat bij de audiovisuele media onbekend is. De
meeste regionale kranten doen het wekelijks en kennen het ook het langst,
met het Haarlems Dagblad als primus inter pares (sinds 1992).
Lezersredacteur
Van de deelnemende regionale bladen kennen zes van de acht één of meer
redacteur(en) met de taak om met de lezers binnen de kolommen en ook aan
de telefoon het gesprek aan te gaan. De Gelderlander begon in 1990, het
opinieweekblad Elsevier in 2001.
Ombudsman
Een redacteur met een zekere onafhankelijke pen over de kritiek van de
klant heeft slechts bij drie media wortel geschoten. Het onderscheid met
'lezersredacteur' is diffuus: alleen BN/De Stem kent beide functionarissen
(de ombudsman sinds een half jaar). Bij negen van de zestien gedrukte
media bestaat er een ombudsman en/of een lezersredacteur. De audiovisuele
media blijken aan een ombudsman geen behoefte te hebben.
Panel
Redacties van zes media, nog geen kwart van het aantal respondenten, maakt
gebruik van een panel van lezers of kijkers, als klankbord. Het Algemeen
Dagblad spant hier de kroon: sinds de jaren tachtig. Onder de audiovisuele
media kent alleen het NOS Journaal dit fenomeen.
Klachtenlijn/Klachtencommissie
Het Nederlands Dagblad, RTV Oost en het NOS
Journaal kennen een klachtenlijn, waarop de klant dagelijks terecht kan:
10 procent van het aantal respondenten.
Het bij dienstverlenende bedrijven bestaande verschijnsel van de
(onafhankelijke) klachtencommissie is bij de media onbekend.
Marktonderzoek
Alle deelnemende media (95 procent) doen in marktonderzoek ook navraag
naar kritiek van hun (bestaande of beoogde) afnemers op hun journalistieke
productie, behalve Twee Vandaag/Tros.
Raad voor de Journalistiek
Tweederde van de media (zestien titels) is wel eens gedaagd voor de Raad
voor de Journalistiek. De Leeuwarder Courant is onder de geschreven pers
een uitzondering. Een belangrijke speler als het NOS Journaal wil het
convenant over plicht tot publicatie van uitspraken niet tekenen: 'Ik
beschouw de Raad als een Raad van Opinie, op basis waarvan wij wel een
eigen oordeel kunnen vormen', zegt Journaal-hoofdredacteur Hans Laroes.
Rechter
De helft (twaalf titels) heeft de gang naar de rechter moeten maken.
Hoewel dit 'incidenteel' of 'sporadisch' gebeurt, merken enkele media
(zoals de Gelderlander) wel op dat er in toenemende mate van 'veel
advocatengedoe' sprake is.
Open dagen
Een kwart van het aantal media (zes titels) houdt open dagen of
avonden, in de vorm van rondleidingen, gepaard gaande met ontmoetingen
(met columnisten) of met (verkiezings)debatten. Alle regionale kranten
timmeren hierbij aan de weg. Alternatieven zijn spreekuren/bezoeken aan
cafés of benadering van de klant via een 'lezersbus' (de
Gelderlander/Dagblad van het Noorden).
Lezersrecensie
Het belichten van een 'lezer van de week' is een specialiteit van de
Gelderlander. NRC Handelsblad kent sinds kort de tweewekelijkse
recensierubriek 'Krant achteraf', van de hand van Piet Hagen,
oud-hoofdredacteur van De Journalist.
Prijsvragen
Puzzels en prijsvragen, in vele gedaanten bij de meeste media bekend,
worden ongevraagd door diverse titels als voorbeeld van journalistieke
klantenbinding genoemd.
Aan het interactie-onderzoek van De
Journalist werkten mee: Algemeen Dagblad, BN/De Stem, Dagblad van het
Noorden, Elsevier, de Gelderlander, De Groene Amsterdammer, Haagsche
Courant, Haarlems Dagblad, Hart van Nederland/SBS6, Leeuwarder Courant,
Nederlands Dagblad, Netwerk/Avro, NOS Journaal, NRC Handelsblad,
Provinciale Zeeuwse Courant, RTV NH, RTV Oost, RTV West, Trouw, Twee
Vandaag/Tros, Twentsche Courant/Tubantia, Utrechts Nieuwsblad, de
Volkskrant.
M.m.v. Helga Koper