Kritiek zonder wraak en complimenten mogen
ook
Evalueren met vallen en opstaan
Hoofdredacteur G.J. van Heuven Goedhart van Het Parool noemde het
vlak na de oorlog 'kankerbeurten'. Iedere redacteur mocht kritiek spuien
en verbetering voorstellen. Tegenwoordig spreken we deftig over
'evalueren'. Het ene medium evalueert aan de lopende band, het andere gaat
kritisch zelfonderzoek zoveel mogelijk uit de weg. Een evaluatie van de
evaluatie.Jeroen
Vliegenberg
Hans Verstraaten, hoofdredacteur van Nieuwe Revu,
vindt evalueren nuttig, zolang maar niet te veel mensen zich ermee
bezighouden. 'We evalueren op een aantal niveaus. Ik neem elke week het
nummer door met Frans Lomans, de adjunct-hoofdredacteur. Daarnaast gebeurt
het ook op een informele manier en tijdens stafvergaderingen. Dan nemen we
een aantal onderwerpen, zoals sport of de covers. Met de art-director
evalueren we om de vier weken de laatste vier nummers en ongeveer tien
keer per jaar praten we met de drukkerij over druktechniek en
drukkwaliteit. Ik ben geen voorstander van evaluaties met grote
gezelschappen. Dan heb je altijd mensen die uit een soort beleefdheid
dingen roepen of er is er eentje met een grote mond die alles en iedereen
overheerst. Bovendien duurt dat soort evaluaties vaak erg lang en daar is
gewoon geen tijd voor. Daar komt nog bij dat het effect nauwelijks te
meten is. Bij kleinere, interne besprekingen heb je juist wel direct
effect.'
'Het klassieke probleem van kritiek is natuurlijk dat de journalist zich
aangevallen voelt. Dat is ook wel logisch; een beetje journalist werkt met
hart en ziel aan zijn verhalen. Al moet ik zeggen dat ik zelf niet zo'n
last heb van kritiek.'
Bert Vuijsje, hoofdredacteur van HP/De Tijd,
herinnert zich uit zijn tijd bij de Volkskrant dat kritiek soms
persoonlijk werd opgevat. 'Als ik me een paar keer negatief had uitgelaten
over een aantal artikelen van een bepaalde redacteur en een volgende keer
wel lovend was over een ander stuk, werd dat niet geloofd. Ik merkte ook
dat sommige redacteuren met een verborgen agenda werkten.
Wraakoefeningen.'
'Bij HP/De Tijd gaan de evaluaties doorgaans beter. Wekelijks worden de
verschenen nummer tijdens de redactievergadering door wisselende
redacteuren geëvalueerd. Maandelijks wordt iemand van buitenaf uitgenodigd
om een kritische blik op ons blad te werpen. Het gaat niet altijd
gemakkelijk. Maar het moet mogelijk zijn opmerkingen te maken over een
onderdeel van het blad, een artikel, een beeld, een onderschrift of de
vormgeving. Kritiek zonder aanzien des persoons.'
'Het klimaat op een redactie moet zo zijn dat de kritiek niet persoonlijk
wordt opgevat', meent Henk van Hoorn, hoofd nieuwsprogramma's van Radio 1.
'Het gaat er om wat voor lessen je daaruit kunt trekken. Je mag elkaar
heus wel complimentjes geven, maar ik heb er een hekel aan als mensen
elkaar constant op de schouders rammen. En dat gebeurde in het verleden
bij sommige programma's, dat kan ik je verzekeren.'
'Mensen van buitenaf? Nee, we evalueren ons blad
zelf', zegt Gerard van Westerloo, hoofdredacteur van De Groene
Amsterdammer 'Elke week wordt het nummer tijdens de redactievergadering
geëvalueerd. Steeds door een andere redacteur. Dan worden er suggesties
gedaan: 'kunnen we voortaan niet beter...', 'ligt het niet voor de hand
als we...' of 'die foto was niet goed'. Iedereen die iets wil zeggen, kan
dat doen. Vaak zijn het kleine technische verbeteringen zoals bijschriften
of opmaak. Ik zit hier nog niet zo lang, misschien dat er onder Martin van
Amerongen wel extern werd geëvalueerd. Ik sta er wel open voor. Misschien
iets voor de toekomst.'
Nico Haasbroek, hoofdredacteur van het NOS-journaal, noemt de evaluatie
van het journaal 'grondig'. 'Het gebeurt heel veel. Dagelijks na de
uitzending wordt door de eindredacteur een rapport gemaakt. Iedereen kan
zich hiervan op de hoogte stellen via ons computersysteem. Bij de grote
bulletins zoals het acht uur-journaal is er altijd een nabespreking met
alle redacteuren. We nodigen ook vaak mensen van buitenaf uit. Ze zijn
afkomstig uit verschillende disciplines. Een tijd terug hadden we Frits
Bolkestein, daarvoor onderzoeksbureau Trendbox en onlangs vroegen we Youp
van 't Hek. Zij mogen dan zeggen wat ze van het acht uur-journaal vonden.'
'Het lijkt wel een trend om mensen van buitenaf uit te nodigen', zegt Bert
Vuijsje. 'Wij nodigden Jan Tromp uit, de Volkskrant nodigde mij uit. De
Nieuwe Revu heeft mij ook gevraagd. Nou, misschien moet ik Hans
Verstraaten ook maar eens naar ons laten komen. Iedereen nodigt elkaar
uit. Bijna een rondreizend circus.'
'Eén keer per maand hebben we, zoals we dat noemen, de zogenaamde hangende
receptie', zegt Yvonne Zonderop, adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant.
Een buitenstaander mag dan zijn mening over onze krant geven. Sommigen
nemen de krant van een week door, anderen houden een persoonlijk betoog.
Een tijd terug hadden we Hans Maarten van den Brink (VPRO) en Bert Vuijsje.
Het kunnen ook mensen zijn die niet in het vak zitten. Maar dan hoor je
meestal een persoonlijk verhaal. Kan heel nuttig zijn, maar het blijft de
ervaring van één persoon.
Joop van den Ende hebben we een keer gehad. Hij gaf zijn idee over onze
stijl, ons karakter, wat er wel en niet kan verbeteren. Soms nemen we ook
politici, zoals Bolkestein. Niet uit het vak, maar wel iemand die de media
op de voet volgt. De ervaring leert dat vakmatige kritiek vaak handiger
is, wil je er wat aan hebben. Je hebt dan meer inhoudelijke discussie over
de aanpak.'
Buitenstaanders doen het kennelijk goed. Henk van Hoorn: 'Op een hoger
niveau - de bazen en hoofd programmamakers van de NOS - wordt ook
geëvalueerd. Kijken of bepaalde programma's nog wel goed zijn. Altijd een
probleem, want je kunt niet van iedereen verwachten dat ze alles zien of
horen. Centraal goed evalueren is heel moeilijk, terwijl je weet dat het
wel erg belangrijk is. De NOS heeft daarvoor een oplossing bedacht. Een
buitenstaander, die geacht wordt een kritische blik op programma's te
hebben, wordt uitgenodigd. Mensen als Jan Tromp, Frits Spits of Andrée van
Es.'
Hans Verstraaten maakt wel een onderscheid tussen
buitenstaanders. 'Ik heb ook bij een krant gewerkt en daar leerde ik dat
je nooit buitenstaanders die niets van het vak weten, moet uitnodigen. Die
vergeten bijvoorbeeld dat een krant elke dag moet verschijnen en dat er
dus niet zo gek veel tijd is om lang over bepaalde beslissingen na te
denken. Tijdens plenaire vergaderingen van Nieuwe Revu nodigen we vaak
gastsprekers uit. Van te voren zeggen we dan dat ze alles mogen roepen,
graag zelfs. Want ze kennen onze mensen meestal toch niet en het is de
Nieuwe Revu; die kan wel tegen een stootje. We proberen mensen uit
verschillende beroepsgroepen uit te nodigen. Zoals de oud-directeur van
het Foto-instituut, iemand uit de reclamewereld of een advocaat. Heel
nuttig, zeker als de gasten weten waar ze over spreken. Onlangs was Mr.
Boukema te gast en die had een heel boeiend verhaal over hoe een
journalist met zijn bronnen om moet gaan. Als een bron vertelt dat iemand
corrupt is en jij schrijft dat als journalist op, dan ben je
verantwoordelijk voor zo'n uitspraak. Allemaal handige tips, veel
journalisten weten nog steeds niet precies hoe de rechtsstaat in elkaar
zit.'
'Evaluatie is een manier om over de krant te praten, om het debat gaande
te houden.' Yvonne Zonderop legt uit dat het een taak van de hoofdredactie
is. 'Er wordt op alle mogelijke manieren en op allerlei momenten over de
krant gesproken. Maar je kunt onmogelijk constant op de hoogte zijn. Een
redactie van honderd, tweehonderd man is daarvoor te groot. Daarom houden
we bijeenkomsten voor iedereen die dat wil.
Elke dag is er 'nieuwsberaad'. Dan wordt de net verschenen krant in vijf
minuten besproken door twintig tot veertig man en een lid van de
hoofdredactie schrijft een verslag. Er verschijnt ook regelmatig een
nieuwsbrief, die intern wordt verspreid naar redactie, hoofdredactie en
redactieraad.'
Onderzoeken onder lezers, luisteraars en kijkers
zijn ook vormen van kwaliteitsbewaking. Mits er natuurlijk wel iets mee
gebeurt. Het kijk- en luisteronderzoek is volgens Haasbroek van groot
belang voor het NOS-journaal. 'Dat wordt zeer regelmatig geëvalueerd. We
kijken ook naar luisteraarswaardering. Een aantal mensen heeft een kastje
thuis staan dat is verbonden met ons systeem. Zo kunnen we steeds op de
hoogte blijven van de waardering. Het cijfer ligt rond de zeven. Het is
een vorm van kwalitatief onderzoek. Kwantitatief onderzoek hebben we niet
echt nodig. We weten toch wel dat er mensen naar ons kijken.'
'De redactie van het Radio 1-journaal is doorgaans veel kritischer dan het
publiek. Er vallen dingen op die de luisteraar niet hoort of merkt', zegt
Henk van Hoorn. 'Ik vind dat ook de taak van de redactie: je moet voorop
lopen. Dat is het nut van de evaluatie.'
Radio 1 evalueert misschien wel het meest van
allemaal. Van Hoorn: 'Het Radio 1-journaal wordt aansluitend na de
uitzending doorgenomen. De totale redactie bestaat uit honderd man. Een
probleem is dat elke uitzending door slechts een deel van de redactie
wordt gemaakt. Alleen de redacteuren van die ene uitzending zijn daar dus
bij. En zelfs die zijn niet allemaal op de hoogte van alles. Er gaat
natuurlijk ook veel langs je heen. Zeker tijdens een
actualiteitenprogramma kan tot op het laatst veel mis gaan. Een geplande
gast komt niet opdagen, waardoor een item verloren gaat, of het schema
moet worden aangepast.'
'Met-het-oog-op-morgen wordt één keer per week tijdens de
redactievergadering geëvalueerd. Alle uitzendingen worden doorgenomen. Dat
kan vrij gemakkelijk, omdat er zeven per week zijn. Het is vaak een
pittige evaluatie, maar het heeft wel een rechstreeks effect. Bij het
Radio 1-nieuws is de evaluatie een stuk globaler, omdat we dagelijks veel
uitzendingen hebben. Je kunt wel op uitspraken van namen letten. De
uitzendingen nemen we 's ochtends vlug door, maar we streven er naar om
één keer per maand grondig te evalueren en dan letten we op structurelere
dingen als taalkwesties of de manier van presenteren.'
Een duidelijk voorbeeld van kritisch naar jezelf en je publiek kijken, is
het radioprogramma Met-het-oog-op-morgen. Van Hoorn: 'De opzet is gelijk
gebleven, maar de lengte, de keuze en de aanpak van het onderwerp zijn
veranderd. Voorbeeld: We constateerden vorig jaar dat het einde van de
uitzending de neiging had om weg te kabbelen. We vonden dat we daarvoor
iets anders moesten verzinnen. Zo ontstond de rubriek 'vijf voor twaalf'.
Daarin stop je dan een aansprekend onderwerp zodat je nog net voor het
einde de aandacht van de luisteraar kunt vasthouden.'
'Wat we ook geleerd hebben is dat je bepaalde mensen niet meer vraagt om
in de uitzending te komen. Omdat ze te saai zijn bij voorbeeld. We hebben
echt een soort zwarte lijst waarop mensen staan die we niet meer moeten
vragen om in de uitzending te komen.'
Iedere redactie lijkt overtuigd van de noodzaak
van evaluatie. Maar een handleiding voor evaluatie voor redacties
ontbreekt. Elke redactie lijkt een eigen systeem te ontwikkelen en
misschien is dat nog te veel gezegd: men probeert het een tijdje zus en
doet het dan weer een tijdje zo.
Eigenlijk zou elke redactie een lijst moeten hebben met punten waarop men
zichzelf regelmatig wil (laten) beoordelen: taal, stijl, selectie,
vormgeving, doelgroepgerichtheid, creativiteit, efficiëncy, enzovoort.
Daarbij kan - naast de reeds genoemde mogelijkheden - een veelheid van
instrumenten dienst doen. Een redactielid of een buitenstaander kan een
paar maanden op taal letten, in de redactievergadering kan een
vergelijking worden gemaakt met gelijksoortige media in het buitenland, je
kunt een analyse van missers en rectificaties maken, in plaats van het
grote lezers/luisteraars/kijkers-onderzoek is ook een gericht onderzoek
naar een bepaalde onderdelen mogelijk.
Er is eigenlijk maar een regel die altijd opgaat: zorg dat je een systeem
hebt om de kwaliteit van de eigen productie te evalueren. En toets op
gezette tijden of dat systeem werkt.
Kwaliteit moeilijk meetbaar
Kwaliteit meten, hoe doe je dat? Jan van Cuilenburg, hoogleraar
Communicatiewetenschap aan de UvA, noemt kwaliteit een vaag begrip. 'Het
grappige van kwaliteit is dat we eigenlijk niet weten wat het is.'
Cuilenburg: 'Het hangt er maar van af vanuit welk standpunt je ernaar
kijkt. Een journalist let op andere dingen dan een uitgever of een lezer.
Iedereen heeft een vaag idee bij kwaliteit. Het is een soort proces
waarbij je elkaar kunt aanspreken op bepaalde zaken. Belangrijk is dat de
waarde van een standpunt altijd relatief is, hoewel we het over een aantal
dingen meestal met elkaar eens zijn. Zoals objectiviteit, hoor en
wederhoor, nauwkeurigheid, relevantie en openheid. Het zijn de deugden die
in het normaal menselijk verkeer ook gelden. De grondgedachte is die van
de pluraliteit. Daar hechten we zeer aan in ons land. Niemand heeft de
waarheid in pacht.'
Volgens Van Cuilenburg zijn evaluaties te vakmatig. 'Men kijkt naar de
technische kanten: foutloos Nederlands, omgang bronnen, openheid en
transparantie. Toch denk ik dat het interessanter is als de hogere
waarden, de meta-waarden, tijdens een evaluatie ook zouden worden gemeten.
Bij voorbeeld: Hoe organiseer je je eigen oppositie? Je ziet bij Haagse
redacties dat men erg hangt aan vaste bronnen en collega's. Heb je wel
vernieuwing? Opiniebladen, ik noem geen namen, zitten soms te lang vast
aan hun oude formule. Sinds eind jaren zeventig groeien deze bladen niet
of nauwelijks meer. Sommige zien er nog steeds hetzelfde uit. Ze groeien
gewoon mee met hun oudste generatie lezers. De redactie is vergrijsd.
Zeker voor de jongere generatie zijn die bladen vaak zeer vervelend om te
lezen.'
Van Cuilenburg: 'Een rondreizend circus zoals Bert Vuijsje dat noemt, zie
je ook bij de universiteiten. We hebben visitatiecommissies. Voordeel
hiervan is dat je elkaars vakgenoten bent, nadeel is dat het een soort
gilde wordt. Veel wetenschappers zijn - dat zie je bij veel
beroepsgroepen - in zichzelf gekeerd: Het gaat er niet zo zeer om wat het
publiek vindt, maar het is belangrijk wat de collega's ervan vinden en wat
zij doen.'
De hoogleraar vindt de huidige discussie over journalistieke kwaliteit
niet goed. 'We moeten meer het debat in gaan. De discussie moet niet
alleen plaats vinden in de beroepsgroep. Dan sluiten de gelederen zich
alleen maar. Ik pleit voor een meta-discussie. Ik zou streven naar een
mengvorm van journalisten, uitgevers en naastliggende professies als
wetenschappers, schrijvers, kunstenaars, juristen en politici. En dat zou
systematisch moeten gebeuren. Maar journalisten zijn over het algemeen
niet gewend om met buitenstaanders over hun eigen vak te spreken. Terwijl
men juist steeds mondiger wordt. Mensen zijn de afgelopen decennia steeds
hoger opgeleid. Driekwart van de jongeren gaat naar de havo of het vwo.
Daar moet je rekening mee houden.'
Het is nog niet zo slecht gesteld met de kwaliteit van onze media. Van
Cuilenburg: 'Vergeleken met het buitenland is de kwaliteit van de
dagbladen, grosso modo, zeer behoorlijk. Ook de vakbladen hebben een zeer
hoog niveau. De kwaliteit van televisie is uiteenlopend. Van goede
journalistieke programma's tot pulp. Maar er wordt wel door veel mensen
naar pulp gekeken. Je moet uitkijken dat je kwaliteit niet uitlegt als
iets exclusiefs, terwijl het gros van de mensen naar iets anders kijkt. Je
moet de tv-keuze van de bevolking serieus nemen, maar soms mag je het
voerbakje iets hoger hangen.'
Moet de overheid dan een opvoedkundige taak hebben? Van Cuilenburg: 'Nee,
opvoeden houdt echt op als je achttien bent. Het is simpel: Er is aanbod.
De belangrijkste overheidstaak is het scheppen van randvoorwaarden. Verder
zijn er voor wie dat wil de kwaliteitsmedia. Die worden misschien niet
massaal bekeken, maar kijkcijfers zijn relatief. Lady Di is een
zeldzaamheid, daar werd massaal naar gekeken. Maar bij een
voetbalwedstrijd waar 'massaal' zes miljoen mensen naar kijken, heb je
nog altijd tien miljoen mensen die niet kijken. Dan kom je bij de
pluriformiteit.'
Bij het evalueren zijn er volgens Van Cuilenburg twee signalen: 'Het gaat
slecht, want de lezers- of kijkersaantallen lopen terug. Of het gaat goed,
maar dan moet je je afvragen of je miet te populair of te lui aan het
worden bent? Ik zou me kunnen voorstellen dat een vakorganisatie als de
NVJ zich voortdurend engageert in een breed, publiek debat over
journalistieke kwaliteit: als er geen openheid meer is, alles
vanzelfsprekend is, of wanneer je geen nieuwe geluiden meer hoort, dan heb
je een groot probleem. Ivoren torens of ivoren cafés zijn dodelijke
mechanismen. Er wordt vaak te paniekerig gereageerd op kritiek van buiten.
Je moet ervoor zorgen dat je op een niet bedreigende manier kritiek
levert. Zeker in een consensus-land als Nederland. Maar misschien hebben
sommige wetenschappers de neiging om de witte doktersjas aan te trekken
en met het vingertje te wijzen.'
Van Cuilenburg is kritisch over de openheid en kwaliteit van de
journalistiek. 'Ik vind dat de uitspraken van de Raad voor de
Journalistiek meer openbaar moeten zijn. Je kunt de volledige uitspraak
lezen in De Journalist en op Internet. Maar kranten, tijdschriften en
omroepen zouden zelf royaler aandacht moeten geven aan uitspraken over
henzelf.'
Het is volgens Van Cuilenburg niet makkelijker geworden op journalistieke
kwaliteit te leveren. 'Mensen zijn steeds mobieler, de technologie is
sterk verbeterd. De mensen zijn verwend. Een nadeel van die snelle,
technische ontwikkelingen is dat je soms instant journalistiek krijgt:
alles wordt gelijk op de satelliet gegooid, waardoor achtergrondinformatie
verloren gaat. De journalist als cameraman. De selectiviteit verdwijnt
dan. Daar bewijs je het publiek geen dienst mee. Dat betaalt voor
kwaliteit.'