]r7=2x$Slccg9̀f(K灶cNws!%٦l9i`5F{./ 6˒]~Xh{j:gYffZNV`,[Z^Se=`;G6 5jY>S3Aض 𢓘0HTR-6 ‘ ql\.DHFvsaY ٞɌk#aMGkLf]HRd,K"eߦ!7ScPA^-cΙ003I1 C Lx$Znt|&8׍37i('<*ehǙ)D/yǍnmfBl@fxJZl"Ųh%9(Rpj`E(#~&DVE ?1mb L e{g&3&]m XoA_ُ`9wRh@7*BV!ߏʈPY|,* XhBb\%( p4-f< 4jlRƚ!^.Bui|Z*1xdq3cXE sd~{BI*BE{L$\{l'b2IZT:pqT=¦H-ܘc6KEúS&k*<"_(h,U92+nL(-Ãj͞C}fg!Mч'8 ѯ3u}Y`[l}q0V B(Lv[]m翬W lS0$bFO@)ic3-dЌ4`fyAqfsu3V1 rY6p+sRߠۃ"UG0K4 K7ٹlSv+Rz315ū:^m3X519h-@R+ KGi2) Hۥy<+0 gGbl:FaD!lAPD6Dyڨͭ6`|E Xx]:Ѽ pd$Q)%, +K *R,WWBU܈ɣ*5qT%us0YK |҂틵G1x;Ѽl(g<%i/㗿 y㣹W4>Y l,2eeaվ\I? ىF_HO =j)NY'S|tP,SaӿUbbY8 #К7 :V0{d 'w&c8AGqd>G~9'b}T槦%_S_zfZϋ[ zL>Ndiz2Grk3c ^E1wi:1ҽ3u.5gNm+JǨ8 ^TcJMSkICMt"o\\~dkQ;j D,WQ EV>;h/JϦJe3۵:㠜3 5w$VyXr`^BNĢ|K =G[/C CI6dBZ[Rh=!ӹJCޏhSi2NUZwJ ʒ~pX/gW+z'~P˫)1($SG0HH&G&sMHDymfTV/eUC !lh2J!zApw)>GyH]CӗL *"X/vt/LN'Hh$CI{Xa _/~2M[M$7WΥ@t׋2ǒ(  ,Tj+(_( do@ZZ!TZF>6ҡ8 Nfq(r~V'򆒉^bb侔ƍiǜ;V*0GKzP+[yj7|E`)?(6X2ҽdWߊ4 ?HM#OXXlЪ%7[JB+7Egi*b) ;O c!Cѝ6Hǖ;m[Pc TV;Xٯ1X9B?}TG95Z%c໽~WPŰu"jvkkW#ThnM^WwPkXC{۵wwk(^I6Xj5aM~}ǵG[QB.!}8SED!& AfD!gDZoMf;"$,4f)GCֆP6:d[rv7mo(eb:lmkɐ~ NS%b#jV:3f$yzcmJA)Xo\'d?z鿽39VZgrC6Ww+39~m95cr4C\̅ncm;t.XV)0t\4 aisL~0fvE J;z .* oJ0v-bJkaJS)2^b6 $<0p5 fý6CL&1hB0z&3N6p%t`Ms)KJʿ;.Nzs2|1M0I07X'9y3:{]qcB):;g+jn&!O i'^XL1 f0jw۬;<씜zFǣ6hc)Œ\&dF XADHeLk.V׌YӠLJc:%7zK:,1,ޭdUYQG+=}ycD#bZ8oP CpM'.  †vb4ԢQ~oEG!QKʱFYK#T)S`$M !֢_aH0,NnI1l,(͛6*1Dc(4(0@V}Qsx6q_1]k&n%XwQy~~&U+-j֓~t e}ݓv#6dݨl7@ۍx
]r=2Ie2$u'-ys8\ B3}Syn`.$ے?[G?8 ̠htϥ574a~{OXt?tߜ͋Y_s-ysKły/O:UtyلΑ-CQ!|Ȟ`v^t,*jņs#8a*rΐMKQ0UY._/E\iCAl:ڈ|TQ:'y"Ưx,32)r"ﳈ)]& OE$c/–Ldș؀@<-[7b6 :3r~V,SKVk\Η]^&x"׫x""C٪m~M/Uع)lSō>JRk GoX[3WJ_!')-پܨz4H#a~#ˆ"9p&࡭H[~ie$3ͅiN/Z`tS/_5_VEAy`(hNADأVjy,?Zwԅe)2\ :Łuhּ̭&vԱc&eQ:sE e }?J ax0 {݃01ӽ3u. gNmk*ǨRXOW J H'\Ǹs8"Y"@Dn /31 ^|rk>#E ~z8S*i?H]t> K@Z+{BIDPHA9+d/Efx_uVVdI/CWR\@HAZ h_6(yB+q!JK(&F:Gz]r>IZ[Ӏ5J~$wQPr0!KLWҸs>!Xp4J~B^FhI%?}Kq_?5LfP~p ؛/I,Ŧ@KyBXꂗESQ^)bD KkCmZ] f'utuꮯBy`ʂ,|_B[YSX%ZYu%&!%Fu&YD },d'iְ.KEo-Y{m!.&z{κgD=KƟJi }-82qδ;TK3Vn=>Mކ@p$z@t1Db GHv>@zp!LJH٫>4]vm!Bh Tխ~,l" ၕÞ!GMFI|7$ z;(yԐw~~X{ M~Aa߄7{>6kփ55PfAc` Æă'D!" s6! 1%Q2#\JT=5" qf"BM̉BΈXޚ)vpEHX I;Y[)#օHb[rv]o(b]6UĶw5dĂ `ǧ|)6OmĈFNg"g^c vvP~c| ;4F.׉3O!&*'ImjerXiqzٜ~ms܉lrkN7$crLs*ֆ򎁷 Z̆cYtN eҤFͅ29;g#Zw\T@/إ`<1J$&Ɣ"[Pҿd`3DsLcW#"/{]+ )z н]L!Є`Mg.om,W1~Z 5՟e,cJk)n֢;ÁsHPU4j :s^qݻNZSAHvCv].LS]3L.#CO) b`uYvxVfFǣ1h)BdF XADHeLk.VWWY׫ӠLWJc:E7zK:,/0,ޭduYSׂk=}EcD#Z8oP CpMg. -–vbԲ`poE!QKʱFYK#T+S`$wM . ֢_aH1,v`X6ML}\X1M vfK\0k0~WN׆[ ]T^mIժdsF$:m?l 6wd}P{3>=l̵qGڇpڇqڇNUDrG=Ie}LAb|>4s,AL`hr+5X0.;e_( [9_]eAz2]j<#lJiv>"nv!=$(1١I5'UNmØ ]sWv:$퀝{`7D {N?sa lVKx˩1m۾loe/ z`xPnF)x0cCvZwt[bE=l9S93)\!ǦQٽCj  

ARTIKEL
 
                                           
terug naar dossieroverzicht

De Journalist, nr.3, 2001         

De risicos van het vak  

Piet Hagen

De klappen die Frits Barend en Henk van Dorp van de Hells Angels kregen, dreunden nog lang na in de media. Vooral columnisten wisten raad met het incident bij Barend & Van Dorp. De een wilde de Hells Angels (die ook al eens bij Kopspijkers op bezoek waren geweest) verbieden, de ander vond dat Barend & Van Dorp te weinig ruggengraat hadden getoond. Velen zagen in het hardhandig optreden van de motorrijderclub een bewijs van toenemende intimidatie van de media.
Voor De Journalist (nr.1 d.d. 12.1.01) deed Cyriel Freijser een poging het geweld tegen journalisten te inventariseren. In totaal belde hij zon dertig media. Bij heel wat redacties kreeg hij te horen: bedreigd? nee, dat kon niemand zich herinneren. Mede op basis van het archief kwam hij uiteindelijk tot een lijstje met zestien gevallen uit de laatste twaalf jaar.
In veel gevallen ging het om berichtgeving over kwalijke zaken: frauduleuze bedrijven, criminele praktijken, boze voetbalsupporters, muzikanten of oliebollenbakkers die niet tegen kritiek konden. De intimidatie varieerde van een pak slaag tot bedreiging met moord en zelfs met ophanging. Die bedreigingen werden geen van alle uitgevoerd. Het aantal werkelijke fysieke gewelddaden was op de vingers van n hand te tellen. In Nederland is in ieder geval geen dodelijk slachtoffer gevallen.
Het onderzoekje van Freijser was natuurlijk niet representatief. De lijst zou langer zijn geweest als we systematisch alle journalisten in Nederland hadden ondervraagd. We hebben trouwens zelf achteraf ook nog enkele gevallen weten te memoriseren (bijvoorbeeld de bedreiging van Stella Braam en Mehmet Ulger door de Grijze Wolven). Maar toch is de conclusie gerechtvaardigd dat het aantal bedreigingen van of geweldplegingen tegen journalisten relatief gering is.

Dat relatief is niet bedoeld om bedreigingen te bagatelliseren. Er is grote moed voor nodig om jarenlang een misdaadsyndicaat op de voet te volgen en daarover in de vorm van artikelen en boeken te publiceren. De misdaadverslaggever die vervolgens moet onderduiken en zelfs zijn gezin in gevaar weet, moet stalen zenuwen hebben. Ook wie slechts een pak slaag krijgt, kan daaraan een trauma overhouden. Elke bedreiging en elke uiting van fysiek geweld is er n te veel. Als zij werkelijk bedreigd of aangevallen worden, hebben ook journalisten recht op bescherming door de politie, zoals trouwens elke burger in dit land.
Toch moeten met name journalisten in staat zijn hun eigen lot enigszins te relativeren. Niet elke klap is meteen een bedreiging van de rechtsstaat. En er zijn beroepsgroepen die een risico lopen dat vele malen groter is.
Uit een onderzoek onder benzinepomphouders bleek vorig jaar dat eenderde van de benzinestations in het voorafgaande jaar te maken had met agressie en geweld. Bij pompstations aan snelwegen was dit zelfs tweederde. En dat ondanks een groot aantal veiligheidsmaatregelen (kogelvrij glas, veiligheidskooien, dubbele personeelsbezetting, enzovoort). Niet een echt veilige branche.
Het toch al veelgeplaagde personeel van de spoorwegen meldde in 1999 vijfduizend gevallen van agressie. In 750 gevallen ging het om fysieke agressie, in 100 gevallen was sprake van het gebruik van een mes of wapen. Het aantal overvallen op supermarkten steeg in n jaar van 180 tot 225.
Ook uit andere beroepsgroepen zijn alarmerende cijfers te melden: winkel- en bankpersoneel, taxichauffeurs, politieagenten en zelfs leraren en huisartsen klagen dat zij tijdens de uitoefening van hun beroep te maken hebben met (dreiging met) geweld.
Heeft het enige zin deze cijfers te vergelijken met de cijfers van geweld tegen journalisten? Toch wel, want ze laten zien dat geweld in onze samenleving op grote schaal voorkomt. Om nog enkele cijfers te geven: in het jaar 1999 bedroeg het totale aantal geweldsmisdrijven tegen personen 51.000. Minstens 22 keer per dag werd iemand slachtoffer van geweld met bloedige afloop. Dat in een dergelijke samenleving ook journalisten te maken krijgen met agressieve motorrijders en dronken hooligans hoeft niet te verbazen.
Opnieuw: die ene klap die wel aan een journalist wordt uitgedeeld, komt daarom niet minder hard aan. Maar het is de taak van de media alles een beetje in proportie weer te geven. De modale taxichauffeur of politieagent zou bij het lezen van zoveel kolommen over Barend & Van Dorp kunnen denken dat de klappen die zij oplopen kennelijk minder erg zijn. Terwijl zij toch zoveel vaker een mes in hun rug of een steen naar hun hoofd krijgen. En terwijl die agent ook de rechtsstaat verdedigt.

Ook als we kijken naar de bedreiging van de persvrijheid in Nederland door justitie en politie, is enige relativering op zijn plaats. De recente gijzeling van Koen Voskuil was natuurlijk een flagrante schending van de persvrijheid. En er zijn meer gevallen waarin justitie of politie te ver gaan, bijvoorbeeld bij het inbeslagnemen van foto- en filmmateriaal. Journalisten moeten daar keer op keer tegen protesteren en de NVJ doet dat ook. Maar tegelijk moet gezegd worden dat Nederlandse media - mede dankzij die alerte houding - een grote mate van persvrijheid kennen, niet alleen in vergelijking met vele andere landen, maar ook ten opzichte van het eigen verleden.
Over boze oliebollenbakkers vermeldt de persgeschiedenis weinig, maar boze politici en rechters waren er des te meer. Linkse hoofdredacteuren als Domela Nieuwenhuis (wegens majesteitsschennis) en Troelstra (wegens belediging van het Openbaar Ministerie), maar ook een liberale hoofdredacteur als J.C. Schrder van De Telegraaf (wegens belediging van een bevriend staatshoofd) belandden voor weken of zelfs maanden in de gevangenis. In Nederlands-Indi hebben tot 1940 vele Nederlandse journalisten in het gevang gezeten en dan niet eens omdat ze tegen het kolonialisme waren (de meesten waren daarvoor), maar omdat ze kritiek hadden op onderdelen van het beleid. Door dat alles werd de persvrijheid wezenlijk aangetast.
In de jaren dertig hebben uitgesproken antifascistische journalisten gefungeerd als kanaries-in-de-kolenmijn: hun publicitaire zuurstofgebrek wees op dreigende rookontwikkeling. Zij werden ontslagen (M. van Blankenstein bij de NRC), het land uitgezet (de Berlijnse correspondent L. van Looi van Het Volk) of zelfs gevangengenomen (de ook in Berlijn werkende freelancer Nico Rost zat al in 1933 in een concentratiekamp).
Toen ons land in 1940 eenmaal bezet was, werden onderdrukking en geweld structureel. Enige honderden journalisten hebben toen hun baan verloren, zijn gegijzeld, in concentratiekampen opgesloten of vermoord. De meerderheid van journalistiek Nederland heeft echter eieren voor zijn geld gekozen, uit angst voor zijn baan of leven.
De vergelijking met de Tweede Wereldoorlog kan overdreven lijken, maar voor veel Nederlandse journalisten is deze periode nog altijd een ijkpunt. De vraag die na een halve eeuw nog steeds wordt gehoord is: zou ik zelf de moed hebben gehad mij te verzetten? Wat zou ik zelf over hebben gehad voor de verdediging van het vrije woord?
Helemaal onzinnig is de verwijzing naar de periode 1940-1945 niet, want er zijn nog steeds oorlogen. Niet alleen buitenlandse journalisten worden daarvan het slachtoffer (jaarlijks zon vijftig, zestig), ook Nederlandse journalisten komen daarbij om. In de jaren tachtig zijn vijf Nederlandse journalisten gedood in Midden-Amerika. In 1999 werd Sander Thoenes vermoord in Oost-Timor. Elders werden Nederlandse journalisten beroofd, bedreigd of voor korte of langere tijd vastgehouden, bijvoorbeeld in Joegoslavi en Sierra Leone.
Veel oorlogsverslaggevers hebben in bedreigende, soms levensbedreigende situaties verkeerd. In dergelijke gevallen is de journalist regelrecht doelwit van bewuste acties. Dan is de journalistiek werkelijk een riskant beroep.

Ook in Nederland kan het werk gevaarlijk zijn. Vorig jaar verloor Marcel van Nieuwenhoven het leven bij de ramp in Enschede. Maar dat was het gevolg van een explosie en niet van een menselijke bedreiging. Bij rellen loopt wel eens een verslaggever een klap op (zelfs oud-journalist Hans van Mierlo kan daarvan meepraten) en soms raakt een fotograaf zijn camera kwijt. Een enkele keer (Volendam) moet de apparatuur van fotografen en cameramensen het ontgelden, omdat getroffen burgers en hulpverleners zich - op hun beurt - door het mediageweld bedreigd voelen.
Maar structureel is dergelijk geweld niet. Het is vergelijkbaar met wat sommige politici overkomt: een taart naar je hoofd (Zalm), een trap in je buik (Deetman) of bedreiging met terreuracties (Kok). Of met wat een officier van justitie meemaakt als hij op de snelweg wordt klemgereden of als bij hem thuis wordt ingebroken. Zulke beroepsrisicos kunnen heel ernstig zijn, maar in een samenleving met veel agressie zijn ze kennelijk moeilijk te voorkomen.
Zo lang bedreigingen en geweldsmisdrijven tegen journalisten incidenteel blijven, moeten we voorzichtig zijn ons eigen geval er uit te lichten als toch net iets erger dan al die andere gevallen. Wij zijn nu eenmaal onderdeel van een maatschappij waarin jaarlijks vijftigduizend geweldsmisdrijven plaatsvinden, om welke reden dan ook.
Gezien dat enorme aantal is er alle reden om over het geweld te berichten. Maar dan met inachtneming van het woord van Herman Heijermans, die ooit als journalist undercover ging in een Duitse mijn waar wantoestanden heersten: Niet de gewichtige lotgevalletjes [van de journalist] noch zijn quasi-ellende mag t doel van de publicatie zijn, hoofdzaak is het onderwerp.


terug naar dossieroverzicht
 

 

]v8~ }mXw.c;ttz99QHBr}9b[U/$v?{?HW *^ʃ'gNͲ$f=S4Z{ٛ3/޼umk$k 6X0˲Quuuռ5Zo^>"sdPfhc@(85;tm/:y J%5`! gȦ!04iȮ"`4 21k!c6qmD6̳i `-, ɔTEbP4fv8%2i3S:0`ȄGafZLAkʗXnX=i4NC9T)k4F<΄Ny& |-mӏ8n$0-pký,O6Ӹ5"4ȠUWc|_V (!R,6RH"=@ N vdױ0τ H'MᒉRAۢ5{d&tҤm띜2+},AmtSN߻>"}#nw8e>g1-ȲB_Ѝ-p,,%_r WAؒk0Iaf6+E<^hyEo?qKW\&;*J  XORP(a"2aS>cH-0Hjй#X0u6Ej ,KŕY(0p41XP!8BALLfҰ΁XvgJЕDiA8WkR4E V 0O˃_g$ ه0>r`kRP. ȡYl٦`4IČRfZȠi$0 `=l ,fKŭ-cd{Dó.7lVD+3AC; "UG0K4 K7ٙlSv#/Sz315ū:^m3X519h-@B+ KGi2)Hۥy<;0 SV16h#0"k ("<T! =QZ ,D8h/MAȣjna  Z(/9?l jt d :jo@7Q%"9BmV֐%+:EՅRUWEEW0(e}T z&*ITf׷iqrb^jJy`ha >Z8ݫh^dT_LN-$pvx46*}Gs+ \QGd>V:^|4Y2 mTc. Re+ Pa禰u7b(JD`UfIlWhV.*}`jѼCeg|4/x$m^~P4p|4&gjYF?,ڗ6)4V<;KG-1⨳xlA xet Cp=l7JA,ֱ2aZ3Q&vu{Lydb,'h1(΁lwڇ~mu:GD,ԴdΎERXOW H\Gs8CZ"@@n /S1 V^|2i>%E ~z8*h?H]t%>M! @Z){BqHPHAfKd/Ex_UV%ūdI/C̗R\@HAs']9g"vw^':uN,fJ^bqʄ' ы+eOsz8k5(?(=!簄Jbw9ʨ)ƒlX}A~8taʂ']z_/=I¯J%Z ,*!OG?)x:wUݳ[uEˈOJS2pt?eo^a#GQЅ;O995hoHB bNZAʂ7Yl!%NE?={#9 EZ2`lb>WK3痼+^lK%\[<0$ ]s;=&NnQ-IPJG/ /H1,CpZgm&s\Uէni<^ mݢ4S~(iO=R:!=! :RFy zQ~PҲz^&XR^~`řJw >Z h6Z+yB+p!!JKF:Gz]2>Z[cрJ~$bwQP217!KLܗҸs> sJ~B^hIj%?}Kp_?5OTfP~pr؛/I,Ŧ@Ky\fX쪂SQZ bD KkCmZUsf'utu򮯛Bq`,|_B[^XZQu%!%Q^Pp!% % ol(oKgY6~s]ǩe+: ٧klw`E߇ բ;DF NOkV YmB f%`e>)0@\x^cԔ^^C?:f:X᩟er WUcHrSk.Y ޢ%ח*2efW'<.X#0wBxf iDdV1 >@zN={H#y䁽zCK՝-tбC*t֝^ SGw >֚t-~!wk^MnƫzN(ݽbغ5i굫u*^&_ݫCvk۫߯!z`;`5~ޤ_n5X|&q>`"QB(BLInU .B B)"D 33"V7J-\C܌EeFʣ!kq(brʶw}o(eb:lmnk?|mLrO'sxܑa2ܟarܟaS>\wORj%}{>ǭ䱏O$}%}P;>X? &u