| [an error occurred while processing this directive] |
Dossiers Terug naar Verschoningsrecht J.L. de Ru (81) gaf zijn bron niet prijs In De Journalist van 6 oktober werden vijf gijzelingszaken gememoreerd: M. Vierhout (1905), C.L. Hansen (1937), A.H. Hommerson (1952), Rob van Es (1988) en Koen Voskuil (2000). In dat rijtje ontbrak J.L. de Ru, die in 1947 twee dagen werd vastgehouden en in 1956 - wegens een andere zaak waarbij verschoningsrecht in het geding was - voor de Raad van Tucht moest verschijnen. Een halve eeuw later is De Ru nog verontwaardigd over wat hem is aangedaan, niet alleen door de rechterlijke macht, maar ook door collega-journalisten. Piet Hagen Als ik het motel bij Oosterbeek binnenkom, zit hij al te wachten aan een tafeltje, met een mapje met krantenknipsels en een handgeschreven verslag over de gebeurtenissen uit 1947 voor zich. Zijn ervaring is dat journalisten nog wel eens slordig met de feiten omspringen. Daarom vertelt hij zijn verhaal liever niet per telefoon. J. (Joop) L. de Ru (81) verzekert enkele malen dat hij altijd zeer nauwkeurig met zijn bronnen is omgegaan. In De Journalist van mei 1955 pleitte hij al voor zorgvuldige vermelding van de bron als je iets overnam uit een andere krant. Zelf deed hij zijn research altijd grondig. De Ru: 'Ik ging nooit op één bron af en vroeg ook als ik meer bronnen had, bevestiging aan mensen die het konden weten.' In 1945 werd De Ru - tegelijk met zijn broer Herman - journalist bij De Nieuwe Nederland, een progressieve krant van christelijke origine. Na een korte periode bij het ANP stapte hij over naar de Nieuwe Haagsche Courant, een van de christelijke 'Kwartet-bladen' onder aanvoering van De Rotterdammer. Van 1960 tot 1981 werkte hij bij het Utrechts Nieuwsblad. In 1947 - hij zat toen bij de Nieuwe Haagsche - kreeg De Ru van drie kanten inlichtingen over de verdwijning van een postzak met een brief waarin honderdduizend gulden zat. Deze was verstuurd van Alphen aan de Rijn naar Leiden. De grensposten waren gewaarschuwd om te voorkomen dat de buit het land zou verlaten. Terwijl het politieonderzoek nog liep, kreeg De Ru van een inspecteur van politie in Den Haag informatie die hem in staat stelde te publiceren. Kort daarop, tijdens een receptie op het politiebureau, werd De Ru meegenomen voor verhoor. De zaak werd hoog opgenomen, omdat zijn artikel het politieonderzoek zou doorkruisen. Toen De Ru zijn bron weigerde te noemen werd hij vastgezet. Na tussenkomst van hoofdredacteur Evert Diemer werd hij op de avond van de tweede dag vrijgelaten, omdat zijn vrouw op het punt stond te bevallen. De volgende dag werd zijn eerste kind geboren. Justitie spande een strafzaak aan, waarbij de rechter-commissaris De Ru voor 'anarchist' uitmaakte, een intimidatie waarover hij nog steeds kwaad kan worden. Maar zowel tegenover de rechter-commissaris als tegenover de rechtbank weigerde De Ru zijn bron te noemen. De rechtbank hoorde twee hoofdredacteuren als getuigen: M. Rooij van de NRC en J.M. Lücker van de Volkskrant. Beiden verklaarden dat een journalist die zijn bron prijsgaf, 'eerloos en brodeloos' zou worden. Niettemin werd De Ru door de rechtbank en in hoger beroep door het hof veroordeeld tot een boete van f 35,-. Enkele jaren later zorgde De Ru opnieuw voor opzienbarend nieuws. Hij werkte toen bij het Haagsch Dagblad, een van de regionale dochterkranten van Het Parool. Op 1 februari 1956 publiceerde die krant De Ru's verhaal over het oorlogsverleden van de Haagse burgemeester F.M.A. Schokking. Een half jaar later nam de burgemeester ontslag. Schokking had in 1942 als burgemeester van Hazerswoude een joods gezin aangegeven bij de Sicherheitsdienst. Dat was geen beletsel geweest om hem in 1949 tot burgemeester van Den Haag te benoemen. In 1951 had het Haagsch Dagblad al eens gespit in zijn verleden, maar dat onderzoek leverde toen te weinig op. In 1955 kreeg De Ru opnieuw argwaan. Waarnemend hoofdcommissaris van politie F. Klijzing, die in de oorlog in het verzet had gezeten, was op non-actief gesteld wegens 'beoordelingsfouten' bij het toekennen van horecavergunningen. Maar burgemeester Schokking maakte daar in zijn communiqué 'ernstige misstappen' van. Omdat hij Klijzing weg wilde hebben? De Ru besloot om eens met oud-hoofdcommissaris Valken te gaan praten, die eerder door Schokking was weggemanoeuvreerd. Zo kwam hij achter de waarheid: Schokking wilde zich ontdoen van mensen die teveel over hem wisten. Hij ging vervolgens op onderzoek in Hazerswoude en hoorde daar zes getuigen die allemaal hetzelfde verhaal vertelden. Hij publiceerde echter pas toen zijn verhaal werd bevestigd door iemand die het dossier-Schokking kende: G. Ritmeester, burgemeester van Den Helder, Tweede-Kamerlid voor de VVD en voorzitter van de Raad van het voormalig verzet. Deze wilde zelf niet als informant optreden, maar was wel bereid het verhaal van De Ru aan te horen en te zeggen of het klopte. Dat bleek het geval. Ritmeester had zelf minister Beel van Binnenlandse Zaken ingelicht, vlak voor Schokkings benoeming, maar deze wilde de zaak toen niet meer terugdraaien. De publicatie van De Ru sloeg in als een bom. Bijna de hele vaderlandse pers viel over hem heen. Waarom rakelde het Haagsch Dagblad het oorlogsverleden op van een gerespecteerd man? De Ru zou een riooljournalist en een dossierdief zijn. Anno 2000 is De Ru weer verontwaardigd: 'Ik heb dat dossier nooit gezien! Ook Rooij bekritiseerde ons in de NRC. Maar niemand belde op om naar de aard van mijn bronnen te vragen.' De vraag naar zijn bron werd wel gesteld toen De Ru voor de Raad van Tucht moest verschijnen wegens een klacht van Schokking. De Ru: 'Ik weigerde mijn bron te noemen en vroeg om schorsing. Daarop werd de zaak verdaagd. Ritmeester heeft toen voorgesteld dat ik zijn naam alleen zou noemen aan de voorzitter, prof. Hamel. Dat heb ik gedaan. Hamel meldde vervolgens in de Raad van Tucht dat mijn bron betrouwbaar was.' Daarmee was De Ru vrijgepleit. Maar voor zijn hoofdredacteur Sjoerd van der Schaaf en NRC-hoofdredacteur Rooij had de zaak nog een staartje. Van der Schaaf werd berispt omdat hij - bang voor commotie - in een begeleidend commentaar geschreven had dat de publicatie gerechtvaardigd was doordat Schokking als burgemeester niet zo goed functioneerde. Dat was echter niet de reden van de publicatie, zeker niet van de Ru. Die had geen politieke bijbedoelingen. En Rooij? 'Die heeft zijn excuus aangeboden voor het hoofdartikel waarin hij het aftreden van Van der Schaaf had geëist.' |