| [an error occurred while processing this directive] |
Dossiers Terug naar Verschoningsrecht Aanbevelingen Ten behoeve van de dagelijkse journalistieke praktijk zijn aanbevelingen in het rapport opgenomen. Onderstaand een uittreksel van deze aanbevelingen. a. Praktische wenken voor het omgaan met bronnen Een eerste vereiste om er voor te zorgen dat journalisten niet aan dwangmiddelen worden onderworpen of anderszins door het strafrecht in hun werk worden belemmerd, dan wel zich met succes daartegen kunnen weren, is dat de journalist zelf zorgvuldig handelt. Wat de journalist praktisch te doen staat, vloeit meestal logisch voort uit door vrijwel iedereen aanvaarde beroepsnormen en komt ook overeen met interne regels bij de meeste media: 1. Nakomen van beroepsregels die de juistheid van informatie en het fatsoenlijk omgaan met de belangen van anderen bevorderen: bijvoorbeeld hoor en wederhoor, informatie checken, nooit op één anonieme bron afgaan. 2. De subsidiariteit (had het niet anders gekund?) en de proportionaliteit (heiligt het doel werkelijk de middelen?) in de gaten houden. Dit geldt niet alleen voor de inhoud van publicaties en voor de wijze waarop informatie wordt vergaard, maar ook voor de beslissing een beroep op bronbescherming te doen of in beslag te nemen materiaal niet uit te leveren. 3. Voor redactieleden die met gevoelige kwesties te maken krijgen (bronbescherming, onrechtmatige informatie), verdient het aanbeveling vooraf met een beroepsgenoot (bij voorkeur de hoofdredactie) te overleggen. Dit geldt ook voor freelancers. Hier ligt een taak voor de verantwoordelijken bij het uiteindelijke medium van publicatie. 4. De journalist moet zelf zoveel mogelijk maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat correspondentie of gegevens waaruit de identiteit van een bron is af te leiden (telefoongesprekken, e-mail, telecommunicatiegegevens), niet ‘voor het oprapen’ liggen. Met andere woorden: de journalist moet bronnen die anoniem moeten blijven, zelf beschermen door op niet traceerbare wijze met hen te corresponderen. 5. Een veel gehoorde ‘oplossing’ die juist niet moet worden benut, is het onderbrengen van in beslag te nemen zaken bij advocaat of notaris, met het doel ze aan inbeslagneming te onttrekken door van diens geheimhoudingsplicht en bescherming tegen huiszoeking/inbeslagneming gebruik te maken. Dit is een strafbaar feit en levert uitgerekend de enige situatie op waarin de privileges van geheimhouders bij inbeslagneming en huiszoeking kunnen worden doorbroken. Het is ook niet in overeenstemming met het ruime recht van uitingsvrijheid dat de journalistiek terecht opeist: je staat een stuk sterker in eventuele procedures, wanneer je slechts onder dwang (eventueel huiszoeking) materiaal overhandigt en vervolgens de zaak juridisch doorzet. b. Juridische oplossingen: de zaak aan de rechter voorleggen De journalist die zich aan de eigen beroepsregels (zie onder a) heeft gehouden, moet in principe de confrontatie met justitie aangaan om een rechterlijk oordeel uit te lokken. In veel meer zaken dan thans het geval is, moeten juridische procedures tot het eind toe worden gevoerd. Het Openbaar Ministerie kan zelf beslissen om van vervolging van een journalist af te zien. Vele zaken, ook waarin dwangmiddelen zijn gebruikt of een strafbaar feit is gepleegd, bereiken de rechter zelden. Pas als het Openbaar Ministerie niet zelf steeds besluit waar de rechter wel en niet over oordeelt en daarmee in wezen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting bepaalt, kunnen die grenzen ook duidelijk zichtbaar worden. Een dergelijke opstelling heeft een aantal implicaties voor concrete situaties: 1. Bronbescherming en niet uitleveren van journalistiek materiaal: de beslissing een bron te beschermen of materiaal niet uit te leveren mag geen automatisme zijn, maar moet voortvloeien uit de afweging van betrokken belangen. De rechter is nu ook bereid op grond van artikel 10 EVRM een belangenafweging toe te passen. Het is dus zinvoller over de afgewogen belangen “een goed verhaal” te hebben dan domweg te weigeren te getuigen, “omdat een journalist dat nu eenmaal niet doet”. Zo is voorstelbaar dat informatie waaruit de onschuld van een verdachte zou kunnen blijken, eerder ter beschikking van justitie wordt gesteld. Ook de reden waarom die informatie wordt gevorderd (bijvoorbeeld, justitie heeft geen enkele andere mogelijkheid in combinatie met de aard van het delict waarvoor het ter bewijs moet dienen) kan een rol spelen. Verder kan van belang zijn of de betreffende bron werkelijk een voor de journalist toetsbaar belang bij vertrouwelijkheid heeft. (Dit zal bij een anonieme brief niet zo gauw het geval zijn.) Het zijn afwegingen die journalisten en (hoofd)redacties naar eigen ervaring en geweten telkens zelf opnieuw moeten maken. Is op goede gronden besloten journalistieke informatie niet prijs te geven, dan moet ook worden volgehouden – tot en met Straatsburg. Dat laatste betekent dat ook de nationale rechtsmiddelen moeten worden uitgeput (een klacht bij het EHRM is anders niet ontvankelijk). 2. Onrechtmatig optreden door de politie: het spreekt vanzelf dat in dergelijke gevallen telkens moet worden geklaagd, als het even kan door de hoofdredactie. Als het om een strafbaar feit gaat, moet bij de politie worden geklaagd. Gaat het niet om een strafbaar feit, dan kan een klacht bij de politieklachtencommissie worden ingediend. Het is overigens niet altijd even makkelijk een rechter in de zaak te betrekken, wanneer het Openbaar Ministerie stil zit. Als (waardeerbare, niet alleen ideologische) schade is ontstaan, kan aan een onrechtmatige daadsactie worden gedacht. Is er geen schade of is deze reeds vergoed, dan verdient het aanbeveling bij de civiele rechter een verklaring voor recht te vragen. Daarmee kan duidelijk worden gemaakt niet alleen dat onrechtmatig door de overheid is gehandeld, maar ook waarom: de rechter zal immers de uitingsvrijheid in zijn overwegingen moeten betrekken. Ook als de weg van de civiele actie wordt ingeslagen kan het einde in Straatsburg liggen. Amsterdam, 30 oktober 2001 |