'Pers en politiek versterkten elkaar'
Vooral in de aanloop naar 'Srebrenica' waren de media, de publieke opinie
en de politiek nauw met elkaar verbonden. Dat blijkt uit het NIOD-rapport
over Srebrenica, waarin sprake is van 'een politiek-publicitaire
constellatie'.Piet Hagen
Hoeveel de media ook over Srebrenica hebben
bericht, de val van de enclave en de daarop volgende slachting van
ongeveer zevenduizend Bosnische moslims voltrokken zich buiten de
schijnwerpers van de pers. In de dagen voor en tijdens de val van de
enclave lieten de Bosnische Serviërs geen pottenkijkers toe.
Het vijfduizend pagina's dikke rapport van het NIOD besteedt relatief
weinig regels aan de afwezigheid van de Nederlandse pers tijdens de
ontknoping van het drama. Des te meer aandacht is er voor de
voorgeschiedenis en de rol van de pers daarin.
Het eigenlijke Srebrenica-rapport bestaat uit drie boeken van samen bijna
3400 pagina's. Daarnaast zijn er enkele deelstudies in boekvorm en een
CD-rom met achtergrondstudies, onder andere over de pers. Ook in het
eigenlijk rapport wordt uitvoerig over de media gesproken. Deze analyse is
vooral gebaseerd op passages in het hoofdrapport die aan de pers zijn
gewijd en aan de achtergrondstudies hierover.
1. Internationale context
Het NIOD spreekt van een 'hiërarchie' van verklaringen. Bovenaan staat het
geweld van de strijdende partijen in voormalig Joegoslavië. In de tweede
plaats komt de internationale bemoeienis van Europa, de Verenigde Staten
en vooral de Verenigde Naties. Pas op het derde niveau speelt ook
Nederland een rol.
Die bredere context gold ook voor de Nederlandse pers. Die werd immers
beïnvloed door de internationale berichtgeving en meningsvorming. In dat
internationale forum konden de Bosnische moslims - volgens het NIOD -
profiteren van de voor hen overwegend gunstige publieke opinie in de
wereld. Zij 'werden in brede kring gezien als de slachtoffers bij uitstek
van de agressie en gewelddadigheid in voormalig Joegoslavië. Aan hen mocht
immers geen vrede zonder gerechtigheid worden opgedrongen, een houding die
in het bijzonder Amerikanen, Duitsers en Nederlanders innamen.'
Het NIOD-rapport bevat veel verwijzingen naar buitenlandse persbureaus,
kranten en tv-stations. Het is duidelijk dat de Nederlandse pers daarvan
veelvuldig gebruik maakte. Maar ook als Nederlandse journalisten ter
plekke verslag deden, ondergingen zij de invloed van buitenlandse media
die soms aanzienlijk beter geëquipeerd waren.
2. Veelheid en verscheidenheid
In De Journalist is eerder wel eens becijferd dat mogelijk tweehonderd
Nederlandse journalisten te eniger tijd in voormalig Joegoslavië zijn
geweest. In het NIOD-rapport (dat alleen over Srebrenica gaat) worden 150
Nederlandse journalisten - verslaggevers en commentatoren - van een
vijftigtal kranten, tijdschriften en radio- en tv-rubrieken geciteerd. Als
men de bureauredacties en Haagse redacteuren meerekent, hebben misschien
wel vijfhonderd journalisten zich ooit met de oorlog in Joegoslavië
beziggehouden. Nog nooit is een oorlog zo intensief door Nederlandse media
verslagen.
Niet alleen het aantal journalisten, ook het aantal artikelen is
indrukwekkend. Alleen al in de eerste negen maanden van 1993 telden de
onderzoekers van het NIOD meer dan 3300 artikelen in vier geselecteerde
kranten (De Telegraaf, NRC Handelsblad, de Volkskrant en Trouw). Er
blijken onderling grote verschillen te bestaan. Zo besteedde De Telegraaf
veel aandacht aan humanitaire hulp en Nederlandse betrokkenheid. De NRC
richtte zich meer op diplomatieke thema's, de Volkskrant schreef veel over
volkenrechtelijke interventie en Trouw over de voors en tegens van
militaire interventie. Trouw liet onder andere de legertop uitvoerig aan
het woord over de risico's daarvan.
3. Beeldvorming
Volgens de achtergrondstudies van Scholten, Ruigrok en Heerma was er - net
als elders in de journalistiek - sprake van 'framing': gebeurtenissen
werden in een interpretatiekader geplaatst, er werd een verhaal van
gemaakt. In de berichtgeving over Joegoslavië gebeurde dat aan de hand van
'sleutelwoorden' als 'etnische zuivering', 'oorlogsmisdaden',
'verkrachtingen' en '(concentratie)kampen'. Sommige van die woorden riepen
associaties op met de Tweede Wereldoorlog.
Ook in het hoofdrapport van het NIOD komt de kwestie van beeldvorming aan
de orde. Uitvoerig wordt ingegaan op
de 'beelden van Ormarska'. Deze beelden 'waren niet van het kamp Omarska
maar van Trnopolje. Het ging niet om een geheel met prikkeldraad omheind
terrein. De uitgemergelde persoon met ontbloot bovenlijf was speciaal uit
een groep naar voren gehaald, waarin ook andere geluiden te horen waren.
De associatie met 'concentratiekampen' in de Tweede Wereldoorlog was in de
pers al eerder gemaakt zonder nog veel aandacht te trekken. Toch waren het
juist deze beelden die de wereld overgingen als het ultieme bewijs van de
wandaden van de Serven. Een tenminste tijdelijk verhoogde aandacht voor de
problemen op de Balkan was het effect.' Dat gold ook voor Nederland.
Nog ingewikkelder waren de problemen met de berichtgeving over massale
verkrachtingen. Waren de verkrachtingen door Serviërs massaler en
opzettelijker dan die door andere partijen? Was er (indirect) sprake van
etnische zuivering of zelfs genocide? Net als bij andere onderwerpen
speelden PR-campagnes een rol, bedoeld om de Serviërs in een kwaad
daglicht te stellen en de slachtofferrol van Bosnische moslims aan te
dikken.
Een moeilijkheid was vaak dat journalisten geen toegang hadden tot de
plekken waar deze en andere wandaden gebeurden. De berichtgeving was soms
heel algemeen. Plaats en tijd werden niet genoemd. Alle onzekerheid ten
spijt werden de Serven vaker gezien als 'actoren', zij het dat het ene
medium (Trouw) voorzichtiger was met interpreteren dan het andere (de
Volkskrant).
De voor Serviërs negatieve verhalen werd versterkt door historische
beelden. Weliswaar hing over de hele Balkan een doem van endemisch geweld,
maar al meteen in 1991 - bij het begin van de oorlogen in ex-Joegoslavië -
kregen de Serven een reputatie van wreedheid. Dat werkte door tot aan de
oorlog om Kosovo.
4. Tv versus geschreven pers
De televisie moest het, aldus het NIOD, vooral van beelden hebben. Met
kennelijke instemming citeert het NIOD-rapport Gijsbert van Es die in 1992
in NRC Handelsblad schreef: 'Televisie in de snelkookpan van de publieke
verontwaardiging en een pan waarin politieke verontwaardiging wordt
voorgekookt.' Pal daarop verschenen over heel de wereld de - misleidende -
beelden van de sterk vermagerde Bosnische Moslim achter prikkeldraad.
'Meer dan enig ander beeld van de oorlog in Bosnië zouden deze
filmfragmenten zich hechten aan het netvlies van de televisiekrijkers en
volgens veel schrijvers bijdragen aan de discussie over een militaire
interventie in Bosnië-Herzegovina.'
Een probleem was verder dat tv-ploegen wegens kostenafwegingen en
prioriteitstelling over het algemeen maar voor een beperkte duur in de
regio actief konden zijn. Dat in tegenstelling tot de correspondenten van
grote kranten die lange tijd in de regio verbleven.
Daarbij kwam dat bijvoorbeeld het Nederlandse NOS-Journaal telkens andere
verslaggevers uitzond. Deze vorm van 'parachute-journalistiek' schaadde
volgens het NIOD de continuïteit van de berichtgeving en het kennisniveau
waarop deze was gebaseerd.
Mede daardoor geschiedde de Nederlandse verslaggeving voor een groot deel
door schrijvende journalisten. Maar ook daar deed zich een complicatie
voor: vaak was er sprake van afzonderlijke informatiestromen die vaak
langs elkaar heen werkten: de berichtgeving van de correspondenten ter
plaatse, de parlementaire journalistiek in Den Haag, de bureauredacties en
de bijdragen op de opiniepagina's.
Specifieke kennis van de Balkan was bij de media in het begin van de
vijandelijkheden een betrekkelijk schaars goed, al waren er wel
journalisten met een Joegoslavië- of tenminste Oost-Europa-achtergrond.
5. Emotie en moralisme
In 1991 was er nog duidelijke aarzeling om mee te doen aan militaire
interventie. Vooral NRC Handelsblad wees op de risico's. De Volkskrant
pleitte eerder voor Europese bemoeienis met het coflict.
Geleidelijk nam de druk van de 'interventionisten' in de opinievorming
echter toe, zowel bij de eigen redacteuren als bij buitenstaanders die
zich op de opiniepagina's lieten horen. Een voorbeeld van die
journalistieke druk was het stuk dat eind 1991 gelijktijdig in NRC
Handelsblad en de Volkskrant verscheen. Het was geschreven door Elsbeth
Etty en Peter Michielsen (NRC) en Anet Bleich en Ewout Nysing (de
Volkskrant). Medio 1992 ging ook de hoofdredactionele commentator van de
NRC om. Overigens bleven in de NRC en elders stukken verschijnen die
waarschuwden voor onverantwoorde avonturen.
De NIOD-onderzoekers spreken van een 'emotionalisering' van de discussie,
zowel in de media als in de politiek. Vooral door sterke beelden van
gevangenkampen en verhalen over verkrachtingen en oorlogsmisdaden nam de
verontwaardiging toe, overigens niet alleen in Nederlandse media, maar ook
in bijvoorbeeld Amerika.
De waarschuwingen voor risico's van journalisten als Raymond van den
Boogaard werden geleidelijk overstemd door de emotie van de moralisten. Op
de opiniepagina's werd dat laatste versterkt bijdragen van 'deskundigen'
als Mient Jan Faber (IKV) en Joris Voorhoeve (toen nog directeur van
Clingendael, later minister van Defensie).
Al met al was er sprake van een 'publicitair-politieke constellatie' die
de beslissing van regering en parlement tot het zenden van een bataljon
naar Srebrenica begrijpelijk maakte. Merkwaardig genoeg was er op de dag
dat dit besluit viel weinig aandacht meer voor in de pers. Een redevoering
van de (toen nog) beoogde CDA-lijsttrekker Brinkman verdrong het nieuws
van de voorpagina's.
6. Partijdigheid in de verslaggeving
Van commentatoren en columnisten mag men duidelijke opinies verwachten,
verslaggevers worden geacht onbevangen de 'feiten' weer te geven. Maar ook
zij konden niet altijd ontkomen aan een positiekeuze.
Voor een deel kwam dat door de situatie ter plekke. Bepaalde gebieden kon
je niet bezoeken, of omdat het niet mocht, of omdat het te gevaarlijk was.
Voor tv-ploegen waren de gevaren extra groot. Door dat alles zijn
journalisten er bijvoorbeeld nooit in geslaagd de onderste steen boven te
krijgen over de drie grote bloedbaden in Sarajevo van mei 1992, februari
1994 en augustus 1995.
Mede door de goede PR van de Bosnische moslims en de slechte PR van de
Serviërs was er relatief weinig aandacht voor wreedheden van moslims. Dat
was overigens ook het geval in Amerikaanse en Duitse media.
In Sarajevo zaten veel journalisten op een kluitje, terwijl elders
wandaden geschiedden die ze niet zagen. Ook de werkwijze van
opdrachtgevers kon een beletsel zijn om er op uit te gaan.
BBC-verslaggever Martin Bell vertelde van een radiocollega die 28 keer op
een dag een bijdrage moest leveren.
Ook het feit dat je zelf door Serviërs werd bedreigd kon leiden tot een
zekere eenzijdigheid. 'Je wist dat de Serviërs op de mensen - op jou -
schoten', aldus Wouter Kurpershoek, 'en daardoor was je minder geneigd
iets positiefs over ze te zeggen.'
Slachtoffers hadden volgens het NIOD weinig moeite om met journalisten te
praten. 'Dat 60.000 van de 300.000 inwoners in Sarajevo Serf waren zag men
makkelijk over het hoofd. Als ze er wel oog voor hadden, vonden redacties
die nuancering soms weer te ingewikkeld.'
Conclusie
De hardste conclusie van het NIOD betreft de opiniërende rol van de pers
in de aanloop naar het besluit over de uitzending van Dutchbat. 'Dit
gebeurde met brede steun vanuit politiek en media en zonder de verregaande
consequenties vooraf terdege te analyseren. Mede hierdoor kreeg Nederland
de bestemming Srebrenica, een bestemming die door andere landen met kracht
van argumenten werd geweigerd.'
Bronnen
NIOD: Srebrenica, een 'veilig' gebied.
reconstructie, achtergronden, gevolgen en analyses van de val van een Safe
Area (hoofdrapport in drie banden; vier deelstudies verschenen in
afzonderlijke banden).
NIOD: Cd-rom met achtergrondstudies, waaronder drie bijdragen van Otto
Scholten e.a. over de berichtgeving in dagbladen en in tv-journaals en een
bijdrage van Jan Wieten over 'Srebrenica en journalistiek'.
www.srebrenica.nl