(Uit: De
Journalist nr. 17, 24-9-1999)
Vier oorlogscorrespondenten
in de frontlinies van het vak
Nooit eerder in de Nederlandse persgeschiedenis vertrokken zoveel
journalisten, cameralieden en fotografen naar een oorlogsgebied als naar
voormalig Joegoslavië. Hun verslaggeving leidde soms tot heftige polemiek
over mogelijke partijdigheid. Was deze oorlog anders dan andere? Vier
journalisten, uit drie fasen van de strijd, blikken terug: Dick Verkijk,
Raymond van den Boogaard, Nicole Lucas en Harald Doornbos.
Wendy Traa
Deze oorlog op de Balkan was het eerste grote
conflict sinds de Tweede Wereldoorlog dat zoveel mensen het leven kostte
en op de vlucht deed slaan. In de chaos van geweld, spanning en verdriet
deden twee à driehonderd Nederlandse journalisten hun werk. Al tijdens hun
verslaggeving kwam er kritiek op hun werk, zowel van collega's als van
deskundigen en belangengroepen. De berichtgeving zou partijdig, eenzijdig
en te betrokken zijn.
Dat journalisten soms partijdig of betrokken waren, is een feit. Maar hoe
dat kwam, en waarom sommige journalisten wel afstandelijk bleven, is nog
onduidelijk gebleven. Is het überhaupt nodig om afstand te bewaren tot een
conflict als dit, zo dicht bij huis en zo gruwelijk? Vroeg de
berichtgeving over voormalig Joegoslavië wellicht om een andere aanpak dan
die van de traditionele verslaggeving?
Tijdnood, moeilijkheden bij het checken van feiten en het vragen van
wederhoor, propaganda en leugens belemmerden de journalisten in hun
streven naar goede, evenwichtige berichtgeving. Deze problemen kunnen
wellicht fouten en een onheldere berichtgeving verklaren, maar woordkeuze
en intonatie van een artikel zijn van de journalist zelf. Hoe
'professioneel" een journalist ook werkt, uiteindelijk is zijn product
mensenwerk. En mensen raken nu eenmaal betrokken bij het lot van een
bevolking die wordt gemaltraiteerd, verdreven en over de kling gejaagd.
Dat wil niet zeggen dat alle journalisten zich engageerden, op de bres
sprongen en emotioneel verslag deden. Van den Boogaard probeerde zoveel
mogelijk afstand te houden, waar Verkijk en Doornbos op de barricade
stonden. Lucas probeerde zo objectief mogelijk verslag te doen. Die
verschillen in benadering hebben te maken met de leefsituatie,
journalistieke houding, deskundigheid en persoonlijkheid van de
verslaggevers.
De journalisten - soms met honderden bijeengepakt, zoals in Sarajevo -
woonden bij mensen thuis of in hotels. Doornbos, Verkijk en Lucas leefden
met en tussen de lokale bevolking. Dat gaf hun een beter idee van de
realiteit, daar zijn ze van overtuigd.
Lucas: 'Het was een bewuste keuze om bij de bevolking te wonen, want zo
kon je het dagelijks leven zien. Je ontdekt met welke vragen en problemen
mensen zitten, dat ze hun leven riskeren voor jerrycans water. In het
Holiday Inn-hotel, waar alle journalisten zaten, had je stromend water en
drie maaltijden per dag... Tja, dan zie je het echte leven niet.'
Van den Boogaard koos voor een hotel in Belgrado en ging vandaar op pad om
verslag te doen. Van den Boogaard: 'Het zou echt niet in mijn hoofd
opkomen om bij de bevolking in te gaan wonen. Nee echt, dat is niets voor
mij. Als ik in het gebied was, dan overnachtte ik altijd in hotels. Zo
blijft je blik scherp en het is veel comfortabeler. En ik fraterniseer ook
niet zo heel erg sterk. Misschien is dat wel een verdedigingsmechanisme.
Ik ga niet ergens zitten met de gedachte: ik ga mij eens helemaal
vereenzelvigen met het lot van de bevolking. Ik vrij ook nooit met de
plaatselijke bevolking, om het zo maar uit te drukken. Niet omdat daar
geen aardige vrouwen waren, maar omdat ik denk dat ik dat niet moet doen.'
Van den Boogaard ontkent dat zijn woonsituatie hem belette een goed zicht
te ontwikkelen op de oorlog. 'Ik zeg dus niet dat je altijd maar in je
hotelkamer moet blijven zitten en vanuit daar verslag doen.
Vereenzelviging als zodanig draagt niet bij tot begrip of superieur
inzicht. Je kunt wel een soort morele autoriteit ontwikkelen, die je tot
een betere verslaggever maakt dan zo'n sceptische meneer die af en toe
eens komt kijken en daarna weer gauw weggaat. Trouwens, ook deze tweede
methode leidt niet noodzakelijkerwijs tot een beter inzicht.'
Harald Doornbos woonde permanent in Sarajevo, de stad die het zwaarst te
lijden had onder de oorlog. De stad lag dagelijks onder vuur van de
kanonnen van de Bosnische Serviërs, die zich hadden verschanst in de
bergen rondom Sarajevo. Tienduizend burgers kwamen om.
Doornbos: 'Natuurlijk ben ik enorm betrokken. Dat gebeurt door allerlei
kleine dingetjes, maar vooral doordat ik hier heb gewoond. En dan kun je
niet meer onverschillig zijn. Ik ben daarom niet altijd objectief, maar ik
breng nooit leugens.'
In de acht jaar dat Doornbos nu in voormalig Joegoslavië woont,
integreerde hij volledig in de voornamelijk Bosnische samenleving. Hij had
lokale vriendinnetjes en in Kosovo opende hij samen met vijf andere
collega's een kroeg, de 'Tricky Dicks'. Hij ontkent dat dit zijn blik
heeft vertroebeld. Zo gaf de 'Tricky Dicks' hem de 'ideale mogelijkheid'
om aan den lijve de problemen in Kosovo te ondervinden.
Doornbos: 'Geloof me als ik beweer dat de 'Tricky's' Kosovo in het klein
was. Dat was erg leerzaam.' Over zijn lokale liefdes zegt hij: 'Juist
doordat ik lokale vriendinnetjes heb, zie ik het echte leven, zie ik wat
de mensen bezighoudt. Het geeft een verdieping die je in een hotel niet
krijgt. En het dan zeker zeven jaar niet doen omdat ik niet met mijn
onderwerp zou mogen vrijen? Het is überhaupt onzin, want je kunt best
afstandelijk je stukje tikken. Zij leest dat toch niet? Dat heeft er toch
niets mee te maken?'
Dick Verkijk woonde permanent in Servië en trok vanuit daar met zijn
camper en auto door het land. Net als Doornbos had Verkijk soms moeite met
de zogenaamde 'brandweerverslaggevers', de journalisten die alleen bij
'hoogtepunten' het land binnenvlogen. 'Je moet ergens permanent zitten om
een goed zicht te kunnen ontwikkelen.'
Doornbos ergert zich aan de inflatie van het begrip oorlogscorrespondent.
'Iedereen noemt zich tegenwoordig oorlogsverslaggever, maar dat ben je
niet als je naar Skopje vliegt, naar een vluchtelingenkamp rijdt en met
mooie portretjes terugkomt. Een oorlogsverslaggever ligt bij wijze van
spreken in de frontlinies.'
Doornbos en Verkijk voelden zich het meest
verbonden met de lokale bevolking, omdat ze dagelijks werden
geconfronteerd met hun ellende. Toch speelt ook hun achtergrond en
persoonlijkheid hierbij een belangrijke rol. Zo voelde Verkijk zich geen
journalist, maar meer een deelnemer.
Verkijk: 'Ik hecht niet zo aan het woord journalist. Ik heb in mijn leven
dingen gedaan waarvan ik vind dat ze goed waren. Als ik dingen zag die ik
slecht vond, vertelde ik ook. En of ik daarmee nu een journalist of een
activist ben, dat interesseert me eigenlijk niet zoveel.'
Verkijk wil niets weten van kritiek op zijn betrokkenheid: 'Is
betrokkenheid slechte journalistiek? Nou, dan ben ik maar een slechte
journalist. Wat maakt mij dat uit? In die zin ben ik liever een goed mens.
Dat wil niet zeggen dat ik een goed mens ben natuurlijk.'
De geëngageerde verslaggeving van de nog jonge Doornbos valt - niet
verbazingwekkend - in goede aarde bij de geroutineerde Verkijk. 'Doornbos
vind ik heel goed, want hij is betrokken. Hij laat zijn verontwaardiging
zien. Je moet je als journalist niet inhouden, zo van: ik ben nu
journalist en dus poeh, poeh, poeh. Je moet je kwaadheid uiten, want door
die boosheid begrijpt de burger beter wat er aan de hand is.'
Van den Boogaard staat in dit opzicht diametraal tegenover Verkijk en
Doornbos, niet alleen qua opinie, ook qua persoonlijkheid. Hij is nuchter,
beschouwend en volgens sommige collega's is zijn verslaggeving bijna op
het kille af. Van den Boogaard: 'Ik wil wel graag een goed mens zijn, maar
in de door NRC gesponsorde tijd word ik daar niet voor betaald. Je moet
ook een beetje blijven nadenken. Die emotionele verslaggeving waarin het
wemelt van de 'voorportalen van de hel en Servische collaborateurs' is ook
een manier van denken - maar dan slecht. Volgens mij is dat opportunisme,
gaat het om een lekker verhaaltje. Bovendien is de verslaggever niet
degene die moet bekijken hoe je de zaak moet oplossen.'
De enorme betrokkenheid van enkele journalisten, doet de vraag rijzen of
ze daarmee hun objectiviteit uit het oog zijn verloren. Maar wat betekent
objectiviteit in een oorlog? Was objectiviteit geoorloofd?
Doornbos: 'De ellende is dat in Nederland objectiviteit betekent dat als
de een iets fout doet, de ander ook iets fout doet. Dus je moet altijd een
balans maken. Terwijl wij zoiets hadden van: natuurlijk zijn beide, of
alle drie de partijen schuldig aan het conflict. Maar er is wèl een
verschil aan schuld. In Sarajevo kwamen dagelijks meer granaten binnen dan
eruit gingen. Wij waren veel objectiever dan die
objectiviteits-fetisjisten in Nederland. Ten eerste waren ze hier nooit,
of heel beperkt. En ten tweede moet je ook het aantal bommen en granaten
vermelden die beide partijen afvuren, als je tenminste echt objectiviteit
nastreeft. Je kunt objectief vaststellen dat ze in Sarajevo burgers
doodschoten en een stad onder vuur namen waar een hele beperkte mate van
verdediging was.'
Lucas: 'Op een bepaald moment kregen Raymond van den Boogaard en ik het
verwijt dat we neutraal waren, of dat we een objectiviteit nastreefden die
niet bestond. Dat we de schuldvraag altijd in het midden legden. Dat we
zeiden: de Serviërs zijn slecht, maar de Kroaten en moslims zijn ook niet
zo aardig. Maar objectiviteit betekent niet dat je de schuldvraag uit de
weg gaat. Ze vertaalden dat dan ook nog eens naar dat je pro-Servisch
was.'
Van den Boogaard herinnert zich de kritiek, die hem verbaasde. 'Ook
redacteuren bij ons op de krant vonden dat we de kant van de onderdrukte
moslims moesten kiezen. Dat wilde ik niet, ik nam geen stelling. Maar het
is niet zo dat onpartijdigheid een soort cynisme is. Je kunt verstandelijk
en gevoelsmatig niet overal wat aan doen. En het is geen cynisme om in
ogenschouw te nemen dat de moslims ook slachtten.'
Verkijk: 'Die moslims en Kroaten werd heel veel onrecht aangedaan, en dat
mochten wij niet pikken, vond ik. Dat is subjectief, maar die
subjectiviteit vloeit voort uit de omstandigheden. Je kunt niet objectief
blijven. Ik begrijp ook niet dat Raymond van den Boogaard zo afstandelijk
kon blijven, het heeft waarschijnlijk met je karakter te maken.'
De eerste stap naar een stellingname is
etikettering, vooringenomenheid. Lucas herinnert zich dat nog goed. 'Op
een bepaald moment was de belangstelling voor personen gereduceerd tot de
vraag: bent u Serviër, moslim of Kroaat? Die vooringenomenheid werkt heel
ver door. Zo kon je als journalist krijgen wat je wilde, als je maar de
goede vraag stelde. Zo ging RTL naar Banja Luka en kwam terug met het
verhaal dat de Bosnische Serviërs dreigden met een Derde Wereldoorlog. De
raketten stonden al gericht op Amsterdam en Rome. Niemand is gaan kijken
of dat waar was. Het was een bericht van nul en generlei waarde.'
Doornbos erkent dat ook hij een gekleurde bril op had, maar vindt dat niet
bij voorbaat slecht. 'Het is jouw realiteit en daarin werk je. En als het
steeds wordt ontkracht door de realiteit, dan moet je er anders over na
gaan denken. Maar het wordt steeds weer bevestigd, al jarenlang. Alle
journalisten die hier lang zitten hebben deze mening. Oké, we kunnen dus
allemaal gek zijn en het bij het verkeerde eind hebben, maar dat geloof ik
niet.
Natuurlijk ken ik ook goede Serviërs. Maar ik vind dat ik na zeven jaar
zeker het recht heb daar een mening over te hebben. Ik heb met duizenden
mensen gesproken van alle partijen, maar het is opvallend dat Serviërs
altijd in dezelfde richting denken. Het is klassiek fascistoïde. Ze hebben
de mentaliteit dat alles wat niet-Serviër is minderwaardig is aan hen
zelf.'
Verkijk is ondanks zijn emotionele betrokkenheid terughoudend tegenover
etikettering. 'Ik heb altijd geprobeerd dat niet te doen. Ik zei
bijvoorbeeld ook niet 'die Serviërs op de berg', maar 'die lui daar boven
op de berg'. Dat probeer ik nu ook elke keer te zeggen als ik word
geïnterviewd. Dat niet alle Serven slecht zijn, dat er ook goede zijn.
Maar ja, ze maken het ons nu wel heel erg moeilijk om dat te geloven. Maar
als je dat dan zegt - zoals ik bij Netwerk deed - dan knippen ze het
eruit. Daar word ik zo moe van.'
Van den Boogaard heeft zich geïrriteerd aan de partijkeuze en emotionele
verslaggeving van collega's. 'Ik ben niet ingehuurd om de moslims te
helpen. Ik vond dat het beter was om afstand te houden tot het conflict,
omdat het ons niet aanging. De moralisten waren zelf immoreel, zo van: de
moslims slachten wel, maar dat ligt niet in de lijn van de gebeurtenissen
en is daarom niet belangrijk. Daar houd ik niet van.'
Nicole Lucas geeft toe dat ze in het begin de illusie had dat ze - als ze
maar hard genoeg schreeuwde - de wereld kon bewegen om in te grijpen.
'Maar dat idee heb ik snel verlaten. Ik wilde zo evenwichtig mogelijk
verslag doen, geen partij kiezen.'
Doornbos en Verkijk kozen uiteindelijk partij in het conflict, maar ieder
op geheel eigen wijze. Verkijk was tegen het Servische regime, maar
weigerde in die context te spreken van 'de' Serven. 'Ik vind het heel
belangrijk dat mensen vrij mogen denken. Dat heb ik overgehouden aan de
Tweede Wereldoorlog. In het verlengde hiervan ligt mijn antipathie tegen
racistische of autoritaire samenlevingen. In het algemeen ben ik tegen
partijen die gebaseerd zijn op nationalisme.'
Doornbos geeft ruiterlijk toe dat hij partij heeft gekozen, maar ontkent
dat dit zijn berichtgeving bepaalt. 'Natuurlijk meld ik het ook als de
Bosniërs slachten, dat zou echt slechte journalistiek zijn als ik dat niet
deed. Maar als je deze oorlog vergelijkt met de Spaanse Burgeroorlog, dan
zie je dat ook daar alle grote journalisten, Hemingway en Orwell, partij
hebben gekozen. Je had toen duidelijk blokken: fascisten en anti-fascisten.
Ik vond Sarajevo heel erg te vergelijken met de Spaanse Burgeroorlog. Echt
een anti-fascistische strijd. Natuurlijk weet ik dan aan welke kant ik
sta. Dan laat ik dat ook merken.'
Wendy Traa studeerde geschiedenis
en journalistiek te Groningen. Ze studeerde af op het documentairescenario
'Journalist in de grenslinie. Drie generaties oorlogsverslaggevers in
voormalig Joegoslavië'. Hiervoor deed ze onderzoek naar de Nederlandse
berichtgeving over de oorlog, interviewde journalisten, en deed
beeldarchiefonderzoek.
Dick Verkijk (70) was al jaren
correspondent in voormalig Joegoslavië voor NOS-Radio, voordat de oorlog
uitbrak. Verkijk: 'Ik wilde rustig van mijn oude dag gaan genieten in
Radovici, een dorpje in Montenegro. Daar heb ik nog steeds een flat. Maar
toen brak de oorlog uit. En ik ben niet iemand om te zeggen: ik ga, doe
jij het maar! Ik kon het ook niet weigeren. Het klinkt misschien
merkwaardig, maar ik ben graag op plekken waar onrecht heerst. Daar wil ik
verslag van doen. Ik wilde de westerse wereld laten zien welk groot
onrecht er gebeurde, en zeggen dat ze er iets aan moesten doen. Er moet
namelijk nooit een alibi ontstaan van das haben wir nicht gewusst.
Bovendien wil ik graag op plekken zijn waar geschiedenis wordt
geschreven.'
Raymond van den Boogaard (46)
ging voor NRC Handelsblad in 1991 kijken wat er aan de hand was in
Joegoslavië. Hij bleef. Hij reisde op en neer tussen Nederland en het
oorlogsgebied. Van den Boogaard: 'Na vier jaar, dat was in 1995, was het
emmertje vol. Alles gebeurde voor de tweede keer. En, ik werd verliefd!
Het was echt niet leuk voor mijn vriendin als ik daar zat en gevaar liep.
In die vier jaar dacht ik gemiddeld één keer per week: dit heb ik weer
mooi overleefd. Zo heb ik meegemaakt dat Servische krijgers mijn ballen op
de barbecue wilden leggen. Tja ... toen dacht ik: nu is het genoeg. Ik was
niet zo'n archetypische geval dat wat moest ondernemen en gevaarlijke
dingen wilde doen. Ik was ouder. Ik was geïnteresseerd in de Slavische
ziel. Ik wilde zien hoe het land zich zou ontwikkelen na de val van het
communisme. Maar na vier jaar oorlog had ik het wel bekeken, het werd er
niet leuker op.'
Nicole Lucas (39) vertrok naar
Joegoslavië voor Trouw. Lucas: 'Ik ben eind 1990 begonnen met korte
bezoeken aan Joegoslavië, en heb er vanaf begin 1992 veel gezeten. Ik
reisde op en neer tussen Nederland en de oorlog. Ik begon toen in
Belgrado. Het was niet direct oorlog, het ging heel geleidelijk. Overal
werden wegblokkades opgeworpen, daarna werd er gevochten in en om dorpen.
Spannend en eng tegelijk. Ik wilde niet wegrennen omdat ik het eng vond,
dus ik bleef.'
Harald Doornbos (32) stapte in
1991 in zijn Renault-5 en reed naar de Balkan om als freelancer verslag te
doen van de oorlog. Hij werkte voor de Zuid-Oost Pers en stapte over naar
de GPD en Radio 1. Televisieprogramma's als Netwerk en Brandpunt behoorden
ook tot zijn opdrachtgevers. Hij doet nog steeds verslag over voormalig
Joegoslavië. Doornbos: 'Er zijn natuurlijk veel redenen om niet naar een
oorlog toe te gaan. Maar het heeft toch een bepaalde aantrekkingskracht.
Het is je werk, je kent het gebied goed, je kent de mensen en ik vind het
belangrijk dat er over wordt geschreven. Ik wil in die historische
gebieden zijn op historische momenten. Ik wil het avontuur, dat vrije
leven. En ik kom ontzettend veel interessante mensen tegen.'
Michel Maas in Kosovo
Een voorbeeld van zeer feitelijke, maar toch niet neutrale
verslaggeving biedt de bundel van Michel Maas: 'Kosovo, verslag van een
oorlog' (uitg. De Bezige Bij, ISBN 9023438930, 180 blz,
f 25). Het verhaal begint op 28 maart 1998 met de dreiging van oorlog.
Maas beschrijft de nationalistische gevoelens van de Serviërs, de
bewapening van het UCK, de terreur en de gevechten, Rambouillet, het begin
van de bombardementen, het vertrek uit Pristina op 25 maart jl. ('ik haal
het toch, de stad uit, weg naar Macedonië'), de treinen met vluchtelingen,
de kampen, en dan de gevaarlijke voettocht met twee buitenlandse collega's
door Kosovo met begeleiding van het UCK, tot het moment van de bevrijding.
Het is een beklemmend verslag van wat Maas zag met zijn eigen ogen, 'de
enige betrouwbare getuigen in Kosovo'. Onpartijdig? Nee, want uiteindelijk
is het boek het verslag van een 'smerige oorlog', 'een smerigheid die een
ongekend hoogtepunt bereikte in de laatste maanden, toen de Navo-bommen de
Serviërs het excuus gaven alle remmen los te gooien en in Kosovo te doen
wat ze altijd hadden gewild'.
Artikelen van Michel Maas zijn ook opgenomen in: 'Bel de Navo maar', een
bloemlezing uit de Volkskrant. In deze bundel staan ook analyses,
commentaren, columns. foto's en stukken van andere verslaggevers (Uitg. de
Volkskrant, ISBN 9071474534, 190 blz, f.24,90). (Piet Hagen)