De Raad voor de Journalistiek ligt onder
vuur. Niet door toedoen van een actiegroep van boze klagers, maar door
kritiek van vakgenoten ('wassen neus', 'speelbal', 'superhoofdredacteur').
Volgens Han van Gessel, redacteur van de Volkskrant en sinds zes jaar
journalist-lid van de raad, is de raad een nuttig instrument om de
discussie over het vak te stimuleren.
Han van Gessel
In de discussie over de raad gooide Pieter
Broertjes, voorzitter van het Genootschap van Hoofdredacteuren, olie op
het vuur met zijn uitspraak dat het misschien beter is de raad af te
schaffen als steeds meer hoofdredacteuren de raad de rug toekeren of er
onverschillig tegenover staan. Hij wil nader onderzoek naar het
functioneren van de raad. Op 1 november gaat hij in conclaaf met het
Genootschap om te kijken hoe het is gesteld met de steun aan de raad.
Misschien is het goed als journalist-lid van de raad in te gaan op een
aantal elementen in deze discussie. Het gaat mij er niet om een apologie
af te steken voor de raad. Mij is het erom begonnen een aantal punten die
in het geding zijn, in een juiste context te plaatsen.
Anders dan Willem van Manen schreef (NRC Handelsblad, 19 september) is de
Raad voor de Journalistiek niet 'een uit angst geboren
zelfreguleringsinstituut'. Volgens hem zou de raad in de jaren veertig
zijn opgericht uit angst voor de invoering van journalistiek tuchtrecht
door een overheid die verbolgen was over de berichtgeving in enkele
kranten over de politionele acties in Nederlands-Indië. Ik denk dat hij in
de war is met de in 1948 opgerichte Raad van Tucht, de voorloper van de
Raad voor de Journalistiek.
De Raad voor de Journalistiek werd in 1960 opgericht na een conflict over
de handelwijze van parlementair redacteur Henri Faas van de Volkskrant bij
de berichtgeving over de Troonrede en de Miljoenennota. Huub Evers
schrijft in 'Media-ethiek' (Wolters-Noordhoff, 1994) dat de regering
toetsing van dat conflict door de tuchtraad ontoereikend vond, omdat het
slechts een vorm van intern verenigingstuchtrecht betrof, waaraan Faas
zich eenvoudig kon onttrekken door zijn lidmaatschap op te zeggen.
Het antwoord van de georganiseerde journalistiek was de instelling - naar
het voorbeeld van de Engelse Press Council - van een raad die zou
kunnen oordelen over alle journalistieke gedragingen en handelwijzen.
Daarbij was geen sprake van angsthazerij, maar van een weloverwogen keuze
voor een zelfregulerende instantie om niet de speelbal van een kwade
overheid te worden.
Dragend beginsel is van meet af aan geweest dat de raad er niet is om te
straffen, maar om bouwstenen aan te dragen voor een voortgaande discussie
over journalistiek-ethische kwesties. De raad spreekt geen recht, maar
geeft een oordeel. De raad werd geboren in een periode waarin solidariteit
in de journalistieke gelederen hoog in het vaandel stond. Niemand was erop
uit de persvrijheid te beknotten, maar het leek een goed idee als een
onafhankelijke instantie de beroepsgroep in voorkomende gevallen een
spiegel zou voorhouden. Doen wij het altijd wel zo goed als wij vinden dat
wij het doen?
Is dat dragend beginsel achterhaald, nu het medialandschap en de
samenstelling van de beroepsgroep ingrijpend zijn veranderd? Je kunt
zeggen dat het gevoel tot één beroepsgroep te behoren zodanig is verwaterd
dat het beter is de afzonderlijke media hun eigen boontjes te laten
doppen. De komst van een ombudsman bij verschillende media kan daarbij een
rol spelen. Wie klachten heeft, moet het maar met het desbetreffende
medium uitvechten, zo nodig via de rechter. Aan een gemeenschappelijke
zelfregulerende instantie voor de hele beroepsgroep is dan geen behoefte
meer.
Dat is een te verdedigen standpunt, maar er zitten enkele haken en ogen
aan. De vraag is hoe de media zelf omspringen met klachten. Uit een
onderzoek dat het stichtingsbestuur van de raad in 1996 liet uitvoeren,
kwam naar voren dat bij de media zelf veel mis gaat zodra een klacht
binnenkomt. Journalisten stellen zich arrogant op, reageren niet op
brieven, blaffen de klager aan de telefoon af, nemen de klacht niet
serieus, plaatsen ingezonden brieven niet of in sterk verkorte vorm,
bellen niet terug als daarom wordt gevraagd, gaan niet in op een verzoek
tot rectificatie, houden zich niet aan afspraken.
Geen wonder dat klagers in voorkomende gevallen andere wegen zoeken om
genoegdoening te krijgen. De rechter is dan uiteraard een goede optie.
Maar is die optie voor iedereen weggelegd? Loont het de moeite - en het
geld - als de kwestie niet van dien aard is dat de zaak zo hoog gespeeld
moet worden? Veel klagers bij de raad gaat het meer om een simpele vorm
van genoegdoening dan om het juridisch gelijk. Bovendien liggen
Amerikaanse toestanden op de loer, als we in Nederland de kant op gaan van
veel smaadprocessen. En dan hebben we het nog niet eens over een door de
overheid afgedwongen droit de réponse.
De laagdrempeligheid is een wezenskenmerk van de Raad voor de
Journalistiek, zoals ook Folkert Jensma, hoofdredacteur van NRC
Handelsblad, beklemtoonde. Veel zaken spelen zich af in een kleine
gemeenschap, waarin klagers zich gedupeerd voelen door berichtgeving in de
regionale of plaatselijke pers. Het is hun er om begonnen snel en adequaat
een reactie te krijgen op hun klacht, zodat de zaak in hun eigen
gemeenschap kan worden rechtgezet.
De vraag of de raad een achterhaald instituut is, laat zich ook op een
andere manier beantwoorden. Juist nu het medialandschap volop in beweging
is en de beroepsgroep niet meer een vanzelfsprekende eenheid vormt, is het
te verdedigen dat er een onafhankelijke, gemeenschappelijke instantie is
die zich buigt over journalistiek-ethische kwesties. Niet om als een
'superhoofdredacteur' (de term is van adjunct-hoofdredacteur Erik van Zwam
van RTL) op te treden, maar om het debat over journalistieke handelwijzen
te prikkelen en de beroepsgroep als geheel een spiegel voor te houden.
Maar heeft de raad nog wel voldoende gezag? Dat hangt ervan af hoe je met
de uitspraken van de raad omgaat. Wie alleen maar kijkt naar de eigen
positie, zal gauw geneigd zijn een onwelgevallige uitspraak aan te grijpen
voor kritiek. Wie echter het samenstel van uitspraken gebruikt om in
algemene zin te blijven nadenken over verschillende ethische kwesties
(hoor en wederhoor, undercover, verborgen camera's, recht op rectificatie,
gestolen informatie, privacy bescherming, nakomen van afspraken bij
interviews), vindt daarin veel nuttige ingrediënten voor een verdergaand
debat, ook op de eigen redactie.
De hoofdredacties spelen in dit proces een sleutelrol. Zij zijn het immers
onder wier verantwoordelijkheid journalistieke producten tot stand komen.
Broertjes verklaarde dat de hoofdredacteuren niets hebben aan een lame
duck. Daarin heeft hij gelijk, maar hij vergeet dat de
hoofdredacteuren zelf de sleutel in handen hebben om het niet zo ver te
laten komen. Als zij het werk van de raad serieus nemen en con amore
het convenant tekenen waarin zij zich verplichten uitspraken van de raad
in hun eigen medium te publiceren, is al veel gewonnen.
Over de samenstelling van de raad bestaan nogal
wat misverstanden. Van Zwam beweerde bijvoorbeeld dat het ooit de
bedoeling was dat de raad een onafhankelijk college van vakbroeders zou
zijn (Trouw, 9 augustus) en dat het merendeel van de raad uit
niet-journalisten bestaat (De Journalist, 18 augustus). Beide beweringen
zijn niet juist. De raad bestaat nu - na het vertrek van Winnie Sorgdrager
- uit acht niet-journalistieke leden en negen journalist-leden, met drie
juristen als onafhankelijke voorzitters. Klachten worden telkens behandeld
door vier leden - twee journalisten, twee niet-journalisten - onder
leiding van een onafhankelijke voorzitter.
Bij de keuze van niet-journalistieke leden gaat het om personen die op
maatschappelijk gebied hun sporen hebben verdiend en geacht worden een
goede kijk te hebben op de plaats en de functie van een vrije pers in een
democratische samenleving. Die criteria brengen met zich mee dat het in de
meeste gevallen gaat om personen die - ook in de contacten met de media -
een verleden hebben. Maar is dat een reden voor de beroepsgroep om
bepaalde leden te wraken? Wil de beroepsgroep liever worden beoordeeld
door leden die op journalistiek gebied een onbeschreven blad zijn?
Bovendien nemen leden geen zitting in een raad die een klacht behandelt in
een zaak waarbij zij (in)direct betrokken zijn (geweest). Sorgdrager nam
dan ook geen deel aan de behandeling van de klacht tegen RTL 4.
Oscar Garschagen vindt (de Volkskrant, 15 september) dat de raad volledig
moet bestaan uit oud-journalisten die hun sporen in het vak hebben
verdiend. Dat lijkt mij geen goede gedachte. Dat maakt de raad veel te
kwetsbaar voor een verwijt dat nu al wel eens wordt gehoord: dat de raad
de journalistiek de hand boven het hoofd houdt. Bovendien kan een raad die
alleen maar is samengesteld uit oude rotten in het vak, binnen de
beroepsgroep gemakkelijk leiden tot een reactie: daar heb je die oude
zakken weer. Een evenwichtige mengeling van 'jong' en 'oud' bij de
journalist-leden is daarom verkieslijker. Bovendien waarborgt de
termijnstelling (hooguit acht jaar) een gezonde doorstroming.
De discussie over de Raad voor de Journalistiek komt op een goed moment.
Het tempo waarin het medialandschap verandert - en daarmee de inbreng van
journalisten - is nauwelijks meer bij te benen. De Raad voor de
Journalistiek kan in zo'n situatie een ijkpunt vormen voor de
meningsvorming over journalistiek-ethische kwesties. Daarom is het goed,
zoals Frank Kuitenbrouwer deed (NRC Handelsblad, 5 september), de vraag op
te werpen of stoppen met de raad niet het kind met het badwater weggooien
is.