De Journalist besteedt regelmatig aandacht
aan de uitspraken van de Raad voor de Journalistiek. Op een informatieve
manier: wat zijn belangrijke thema's die een rol spelen en wat zijn de
grote lijnen? Daarnaast is er ook ruimte voor kritische noten: is de Raad
consequent, is de motivering deugdelijk? Deze keer aandacht voor de
weergave van feiten.
Arthur Maandag
Feiten zijn heilig, het is een van de grondslagen
van de journalistiek. Het gaat om de waarheid. Of toch niet? 'Wij
journalisten houden niet zo van de waarheid… Dat vinden we een te groot
woord. Hoor en wederhoor, feiten en meningen gescheiden houden, daarmee
houdt het denken over de fundamenten van het vak wel op. Is dat niet raar?
Onze handel is toch de waarheid?', schreef Martin Sommer op 5 oktober 1996
in de jubileumbijlage van de 75-jarige Volkskrant.
Centraal staat dat in een publicatie een zo duidelijk, volledig en
betrouwbaar mogelijke weergave van de feiten moet worden gepresenteerd. De
journalist dient daartoe de juistheid van de gegevens op deugdelijke wijze
te verifiëren. Hoe ernstiger de beschuldigingen, hoe groter de
zorgvuldigheid.
Ernstige beschuldigingen
NRC Handelsblad ging de mist in toen op basis van een uitlating van een
vertegenwoordiger van reizigersorganisatie Rover de conclusie werd
getrokken, dat Nederlandse overheidsgelden waren verdwenen in de zakken
van de Britse aandeelhouders van busbedrijf Arriva. De Raad voor de
Journalistiek: 'Dit levert een beschuldiging van ernstige aard op. Bij
publicatie van een dergelijke beschuldiging dient, zoals de Raad al bij
herhaling heeft geoordeeld, een journalist met bijzondere zorgvuldigheid
te werk gaan. Wippoo mag dan een representant zijn van de
reizigersorganisatie Rover, die hoedanigheid maakt hem nog niet tot een
zegsman op wiens uitlatingen een journalist zonder meer mag afgaan als het
gaat om de financiële handel en wandel van een bepaalde
vervoersonderneming.'
'Verweerders hadden hetzij klaagster in de gelegenheid dienen te stellen
commentaar te leveren op de gewraakte uitlating, hetzij die uitlating ter
verificatie moeten voorleggen aan iemand bij wie zij specifieke kennis
omtrent de financiën van klaagster aanwezig mochten achten.' (Arriva
Personenvervoer Nederland tegen Alberts/Berkhout/NRC Handelsblad RvdJ
2000/45).
De Raad kreeg vorig jaar ook te maken met iets wat een trend lijkt te
worden. Kranten steken veel tijd in grotere verhalen die in bijlages
verschijnen. En daarbij hoort een nieuwsverhaal op de voorpagina. Vooral
op zaterdag kan dat dan mooi een 'eigen' opening opleveren. Groot gevaar
is dan dat in de slag om een plek op de voorpagina het nieuws te sterk
wordt aangezet.
Het gebeurde het Algemeen Dagblad in een stuk over vermeende misstanden in
Nederlandse dierentuinen. De krant beweerde dat 'ankeiler' en
featureverhaal in samenhang moesten worden bezien, maar die vlieger ging
niet op.
Het voorpaginastuk op zijn merites beschouwend, vindt de Raad dat er in
dat stuk 'ernstige beschuldigingen zijn geuit, die kennelijk aan alle
Nederlandse dierentuinen worden toegerekend. Bij het uiten van dergelijke
beschuldigingen moet met bijzondere zorgvuldigheid te werk worden gegaan,
hetgeen hier niet is gebeurd.' Even later: 'De algemene beschuldigingen
vinden als zodanig geen grondslag in het door verweerder overgelegde
feitenmateriaal.' (Nederlandse Vereniging van Dierentuinen tegen J.
Huisjes/Algemeen Dagblad RvdJ 2000/53).
Een uitspraak in gelijke zin is er in een zaak over humanitaire
geldinzamelingen ten behoeve van Iran. De EO zond in 2Vandaag een
reportage uit over oneigenlijk gebruik van in Nederland ingezameld geld.
Het aangedragen feitenmateriaal rechtvaardigde niet de vergaande
conclusies, onder meer over bouw van gevangenissen en wapenaankopen, die
in de uitzending werden getrokken. Klacht daarover dus gegrond.(Stichting
Solidariteit met Iraanse Mensen tegen Bronkhorst/Rosier/EO RvdJ 2000/03).
Rechtbankverslagen
Aparte vermelding verdienen rechtbankverslagen. De feiten worden daarbij
door de betrokkenen aan de onafhankelijke rechter voorgelegd. De Raad voor
de Journalistiek heeft dan ook, terecht, als vast oordeel dat de
journalist daarop mag afgaan. Dit betekent dan ook dat de regel van hoor-
en wederhoor, immers een middel om de waarheid boven water te krijgen, bij
de weergave van rechtszaken in principe niet geldt. (Cronogorac tegen
Zijlmans/Rotterdams Dagblad RvdJ 1999/71 en X tegen Zembla RvdJ 2000/23).
Daarbij komt ook nog dat de Raad het niet ontoelaatbaar vindt dat de
standpunten van de betrokken partijen enigszins worden aangezet en een
niet geheel neutrale toon wordt gebruikt (Marlstone Recordings/Knubben
Kraft tegen Van Laarhoven/Limburgs Dagblad RvdJ 2000/14). Wat de reden
daarvan is, en waar de grenzen liggen, laat de Raad in het midden. Is een
rechtbankverslag een soort recensie, zoals in een ver verleden ook al eens
met betrekking tot sportverslagen is vastgesteld? Helaas ontbreekt de
onderbouwing.
Geruchtencircuit
De Nederlands rechter, en ook de Europese, erkent dat de pers
binnen een democratische samenleving een belangrijke rol heeft waar het
gaat om het signaleren van misstanden. Er zijn daarover duidelijke
uitspraken van onder meer de Hoge Raad. Van journalistiek die pretendeert
misstanden aan de kaak te stellen, mag een grotere mate van zorgvuldigheid
worden verwacht dan gewoonlijk al van de journalistiek wordt verwacht,
stelde de Hoge Raad in 1984 in een maatgevende uitspraak, waarin
Vara-ombudsman Frits Bom figureerde.
De Raad voor de Journalistiek werkt, het is hierboven ook al duidelijk
geworden, binnen dezelfde kaders.
Dat werd in 1998 voor Elsevier pijnlijk duidelijk in een zaak die was
aangespannen door toenmalig minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken.
Het weekblad suggereerde dat de bewindsman voorkennis had van plannen van
Desi Bouterse om tegenstanders uit de weg te ruimen en chantabel zou zijn.
Het stuk was voornamelijk gebaseerd op informatie uit het geruchtencircuit
en was opgebouwd uit vragen en vermoedens, waarmee het beeld werd
geconstrueerd dat er iets mis was met Van Mierlo.
En dat gaat dus echt te ver. Signaleren en onderzoeken van geruchten, is
prima. Bronnen mogen worden beschermd. Maar wel moet voldoende aannemelijk
worden gemaakt dat de gepubliceerde informatie in voldoende mate wordt
gedragen door de gebruikte bronnen. 'Daarbij zullen van belang zijn onder
meer de aard van de informatie, de hoedanigheid en redenen van wetenschap
van de gebruikte bronnen en de na verificatie gebleken consistentie van de
door de bronnen gegeven informatie.'
'Het is bovendien onverklaard gebleven waarom betrokkenen ten aanzien van
het eerste gepubliceerde artikel, van 21 maart 1998, geen hoor en
wederhoor hebben toegepast. Nu het gaat om zeer ernstige beschuldigingen,
die de persoonlijke en politieke integriteit van klager konden aantasten,
hadden betrokkenen alvorens tot publicatie over te gaan, die zeker aan
klager behoren voor te leggen.' (Van Mierlo tegen G. Leistra/Elsevier RvdJ
1998/47).
Extra onderzoek
De Raad opereert geregeld in zaken waarvan niet op voorhand duidelijk is
hoe de uitkomst is. Klachten zijn soms gedeeltelijk gegrond en
gedeeltelijk ongegrond. Af en toe vraag je je echter in gemoede af waar
journalisten, en hun bazen, mee bezig zijn. Neem nu een Netwerk-uitzending
van 7 maart 2000 met eenzijdige zware beschuldigingen van een individueel
familielid aan het adres van een verzorgingshuis. Gunstige oordelen van de
Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Regionaal Medisch Tuchtcollege
werden simpelweg niet vermeld. De uitzending levert een ongerechtvaardigd
negatief beeld op. De redactie van Netwerk heeft ten onrechte nagelaten
extra onderzoek te doen. (Zorgcentrum Woerden tegen Netwerk RvdJ 2000/52).
En wie, tegen beter weten in, in publicaties blijft vasthouden aan
verkeerde en beledigende feiten, en dan ook nog een duidelijke
rectificatie weigert, hoeft bij de Raad natuurlijk niet op sympathie te
rekenen. (Van Wingerden tegen Paradijs/De Telegraaf RvdJ 1998/10).
Het bestaansrecht van de onafhankelijke Raad voor de Journalistiek mag dan
bij gelegenheid ter discussie worden gesteld, de Raad zelf heeft zich een
deel van eerdere inhoudelijke kritiek ter harte genomen. Uitspraken zijn
minder dan in het verleden puur gericht op het concrete geval. Huub Evers
klaagde na een analyse van Raad-uitspraken in 1987 in zijn boek
'Journalistiek en ethiek' over gebrek aan eenduidige en heldere
omschrijvingen van allerlei termen.
Grote lijnen vielen maar moeilijk te ontdekken. Dat is inmiddels
verbeterd. De Raad verwijst nu ook geregeld naar eerdere uitspraken. Je
weet dan beter hoe de Raad denkt en kunt daar ook voor de toekomst iets
van leren. Bovendien neemt de Raad ook alle ruimte voor de motivering van
zaken, die het individuele karakter overstijgen. Dat is op zich allemaal
winst.
Arthur Maandag is jurist en
journalist bij het Haarlems Dagblad.
Genoemde uitspraken:
Arriva Personenvervoer Nederland tegen Alberts/Berkhout/NRC Handelsblad
RvdJ 2000/45
Nederlandse Vereniging van Dierentuinen tegen J. Huisjes/Algemeen Dagblad
RvdJ 2000/53
Stichting Solidariteit met Iraanse Mensen tegen Bronkhorst/Rosier/EO RvdJ
2000/03
Cronogorac tegen Zijlmans/Rotterdams Dagblad RvdJ 1999/71
X tegen Zembla RvdJ 2000/23
Marlstone Recordings/Knubben Kraft tegen Van Laarhoven/Limburgs Dagblad
RvdJ 2000/14
Van Mierlo tegen G. Leistra/Elsevier RvdJ 1998/47
Zorgcentrum Woerden tegen Netwerk RvdJ 2000/52
Van Wingerden tegen Paradijs/De Telegraaf RvdJ 1998/10
Sinds begin dit jaar worden de
uitspraken van de Raad voor Journalistiek alleen nog in samenvatting in De
Journalist gepubliceerd. Ze zijn volledig te raadplegen via
www.rvdj.nl.
Via een zoekmachine, met een zeer uitgebreide reeks trefwoorden, kunnen
alle uitspraken, die sinds de oprichting van de Raad in 1961 zijn gedaan,
worden geraadpleegd.