Elsevier werkt niet langer mee aan de Raad
voor de Journalistiek. Hoofdredacteur Arendo Joustra vindt dat de manieren
van de verschillende media te veel van elkaar verschillen, om de illusie
van één beroepsopvatting in stand te houden. Ook heeft hij weinig
vertrouwen in een Raad waarvan oud-politici deel uitmaken.
Arendo Joustra
Dat Elsevier niet meer meewerkt aan de behandeling
van klachten bij de Raad voor de Journalistiek is geen bevlieging van een
nieuwe hoofdredacteur, maar een besluit dat reeds is genomen door
Elseviers vorige hoofdredacteur, H.J. Schoo, per 1 januari 2000
toegetreden tot de hoofdredactie van de Volkskrant. Het besluit is 4
januari meegedeeld aan de Raad en 22 januari afgedrukt in Elsevier.
Aanleiding voor het besluit is de discussie in het Nederlands Genootschap
van Hoofdredacteuren over de ondertekening van een convenant dat de
publicatie van de uitspraken van de Raad regelt. Hoewel de hoofdredactie
van Elsevier van mening is dat ze zo sportief moet zijn om uitspraken van
de Raad over gedragingen van Elseviers redacteuren in Elsevier af te
drukken, kan ze om principiële en formele redenen niet akkoord gaan met
een bindende overeenkomst die tot publicaties in Elsevier leidt zonder dat
de redactie daarover iets te zeggen heeft.
Deze opstelling leidt automatisch tot het besluit de Raad niet langer te
erkennen: als de spelregels je niet aanstaan, moet je niet meespelen.
Overigens is dat ook de inzet geweest van de voorzitter van de Stichting
Raad voor de Journalistiek, Aad van Cortenberghe. Bij de aanvang van de
discussie over het convenant liet hij weten dat media die weigeren te
tekenen, uitgesloten worden van behandeling van klachten (zie De
Journalist van 27 november 1998). Met andere woorden: als Elsevier zich
niet zelf had teruggetrokken, dan waren we uitgestoten.
Het is logisch dat Elsevier benieuwd is of de stichting de woorden van
haar voorzitter gaat waarmaken. Zoals Elsevier ook benieuwd is hoe
hoofdredacteuren van rubrieken op radio en televisie het convenant in
praktijk gaan brengen. Want behalve de plicht de uitspraken te publiceren
moet in het colofon (geschreven media) of bij de aftiteling (radio en tv)
op het bestaan van de Raad voor de Journalistiek worden gewezen. Wat
gebeurt er als dit wordt geweigerd?
De publicatieplicht is niet het enige bezwaar dat
de hoofdredactie van Elsevier tegen het convenant heeft. Zo versterkt het
convenant, veertig jaar na het einde van de Raad van Tucht, de suggestie
dat journalisten onderhevig zijn aan tuchtrecht (publicatie van uitspraken
als straf, en bij weigering het convenant te ondertekenen volgt verbanning
uit de Raad). De journalistiek is echter, anders dan de medische stand,
een beroep dat volgens artikel 7 van de Grondwet iedere burger mag
uitoefenen. Daar past geen eigen tuchtrecht bij.
Het is een illusie te veronderstellen dat er zoiets is als een
gezamenlijke beroepsethiek (journalisten versus anderen die gebruik maken
van de vrijheid van meningsuiting). De 'manieren' van Elsevier zijn anders
dan de 'manieren' van het Nederlands Dagblad, zoals die van NRC
Handelsblad anders zijn dan die van de Volkskrant, zoals gebleken is in de
berichtgeving over uitspraken van koningin Beatrix.
Met andere woorden, Elsevier kan weinig met beroepsregels die gebaseerd
zijn op uitspraken van de Raad. Het zijn niet per definitie ook 'onze'
regels. Het is overigens veelzeggend dat de huidige Raad, anders dan de
Raad van Tucht, bij mijn weten nooit een poging heeft ondernomen de
uitspraken van de afgelopen veertig jaar (of per periode van vijf jaar) zo
te rangschikken dat een samenvattend overzicht ontstaat van maatstaven en
gedragsregels. Tenzij de Raad opdracht heeft gegeven voor de boeken van
Jeanne Doomen en H.J. Evers.
Voorts klonk bij Elsevier het bezwaar dat zich buiten de onafhankelijke
rechter om jurisprudentie ontwikkelt over de grenzen van de vrijheid van
meningsuiting. Waarbij onze indruk is - meer dan een indruk is het niet -
dat de Raad de vrijheid van meningsuiting minder ruimhartig interpreteert
dan de rechter. Hoe dan ook, het toetsen van wat wel en niet door de
beugel kan, is beter in handen bij de rechter, geschoold in onafhankelijk
oordelen, dan bij de vrijwilligers van de Raad, die - met respect voor hun
inzet - voor het merendeel toch amateurs zijn.
De nieuwe koers van de Raad om oud-politici te benoemen tot leden van de
Raad maakt het wat dit betreft alleen maar erger. In de nieuwe Raad zijn
dat Winnie Sorgrager en Ed van Thijn, beiden overigens tweede keus volgens
Van Cortenberghe in Zip, het blad van de School voor de Journalistiek in
Utrecht. Voor Elsevier, dat zelf een politiek profiel heeft en als
opinieblad uit de aard der zaak veel over politiek schrijft, is
behandeling van klachten door een Raad waarin politici zitten, weinig
vertrouwenwekkend.
Elsevier vreest dat politici te veel begrip hebben voor de klachten van
hun collega's. Bijvoorbeeld omdat ze zelf regelmatig geblesseerd zijn door
de media, zoals Sorgdrager (vindt ze zelf). Voor Van Thijn geldt dat hij
als burgemeester van Amsterdam heeft bijgedragen aan de boycot van de
schrijver W.F. Hermans (zie de brief van Van Thijn aan Hermans in Het
Parool van 2 februari 1993). Moet uitgerekend Van Thijn zich gaan buigen
over zaken waarbij de grenzen van de persvrijheid in het geding zijn?
Rest de vraag tot wie de lezers van Elsevier hun
klachten moeten richten. Uit het eerder aangehaalde artikel in De
Journalist heb ik begrepen dat die volgens Van Cortenberghe niet meer bij
de Raad terecht kunnen, maar direct worden doorgewezen aan de rechter.
Lezers van Elsevier die bij klachten geen overeenstemming kunnen bereiken
met de hoofdredactie, kunnen de weg naar de rechter ongetwijfeld vinden.
Voor de redactie van Elsevier betekent dit dat ze nog zorgvuldiger dan
voorheen moet werken. De buffer die de Raad wel degelijk is geweest, is
immers komen te vervallen.