[an error occurred while processing this directive]
[an error occurred while processing this directive]   Dossiers
Onderzoek naar Journalisten
in Nederland


Deel 7
Nederlandse journalist heft graag het vingertje

Ouder, hoger opgeleid, linkser, ambitieuzer en toleranter dan collega’s in buitenland

Wie is ‘de’ Nederlandse journalist? Na zes eerdere afleveringen van zijn promotieonderzoek (De Journalist 2000, nrs. 5, 7, 8, 9, 10 en 11) trekt Mark Deuze nu een vergelijking tussen journalisten in Nederland en hun collega’s in Duitsland, Engeland, Australië en de Verenigde Staten.

Mark Deuze

In de loop van de twintigste eeuw zijn journalisten in de meeste Westerse landen uitgegroeid tot een min of meer redactioneel onafhankelijke en sterk geprofessionaliseerde beroepsgroep. Hoewel formele regels over wie nu wel of geen journalist is ontbreken, weten journalisten over het algemeen zelf tamelijk precies wat zij onder journalistiek verstaan. De maatschappelijke functie en sociale verantwoordelijkheid van de nieuwsmedia worden als evident beschouwd.

In eerdere afleveringen van deze serie, hebben we al een beeld geschetst van de Nederlandse journalisten en hun opvattingen. Nu is de vraag of zich in andere landen vergelijkbare ontwikkelingen hebben voorgedaan. Zijn journalisten in Westerse landen onderling uitwisselbaar, of is er iets dat journalisten in ons land duidelijk onderscheidt – wat Nederlandse journalisten ‘Nederlands’ maakt?

Tabel I: Journalisten in vijf landen
 

Nederl.

Austr.

Duitsl.

VS

UK

Tijdstip onderzoek

1999-2000

1992

1993

1992

1995

Interviewmethode

telef.

telef.

face-
to-face

telef.

telef.

Aantal geïnterviewde journalisten

1.010

1.068

1.498

1.156

726

Percentage vrouwen

32

33

31

34

25

Gemiddelde leeftijd

42

32

35

36

38

Gemiddeld aantal jaren in het vak

16

13

10

12

17

Percentage met HBO/WO-diploma

79

35

65

82

49

In tal van landen werden de laatste jaren omvangrijke surveys onder journalisten uitgevoerd. De resultaten van deze studies in vijf onderling vergelijkbare landen zijn naast elkaar gezet (zie tabel I) en vergeleken met het onderzoek onder journalisten in Nederland. Daarbij is specifiek gekeken naar drie typen resultaten: sociale demografie, de werksituatie en de opvattingen over het vak.

Sociale demografie
De Nederlandse journalist is met 42 jaar gemiddeld de ‘oudste’: in Australië is de gemiddelde leeftijd 32 jaar, in Engeland 38, in de Verenigde Staten 36 en in Duitsland 35 jaar.

In Nederland is eenderde van de beroepsgroep vrouw – hetgeen niet wezenlijk verschilt in andere landen. Verschillende onderzoekers hebben wel opgemerkt dat met name in Duitsland en in iets mindere mate in de Verenigde Staten vrouwen nauwelijks voorkomen in de top van de redactionele hiërarchie. Ook in ons land is er sprake van een ‘glazen plafond’: 4 procent van de vrouwen heeft een leidinggevende positie tegen 15 procent van de mannen. Ook verdienen vrouwen in verschillende landen (ook in Nederland) per maand minder dan de mannelijke collega’s in dezelfde functies. Analyses wijzen uit deze scheve verhouding intreedt nadat journalisten langer dan tien tot vijftien jaar in het vak werken. De gegevens in de verschillende landen laten overigens zien dat de man/vrouw-verhoudingen bij journalisten jonger dan dertig jaar meer in balans zijn; met name in ons land geldt dat de meerderheid (54 procent) van deze ‘twintigers’ vrouw is.

In Nederland werken zeer weinig (2 procent) journalisten met een niet-Nederlandse etnische achtergrond. In de geselecteerde landen is eveneens sprake van weinig ‘kleurrijke’ redacties, variërend van 1 procent in Engeland (dat wil zeggen journalisten met een Caribische of Afrikaanse achtergrond) tot 8 procent in de Verenigde Staten. In Duitsland, Amerika en ook in ons land wordt door onderzoekers en belangenorganisaties veelal gewezen op dezelfde oorzaken voor dit representatieprobleem: minderheden maken geen deel uit van de veelal uitsluitend blanke netwerken waarbinnen vacatures bij veel media worden vervuld.

De Nederlandse journalist behoort samen met de Amerikaanse collega’s tot de hoogst opgeleiden ter wereld: vier van de vijf verslaggevers hebben een HBO- of universitair diploma op zak. In Australië ligt dit aandeel op ruim eenderde, in Engeland op de helft (49 procent) en in Duitsland heeft 65 procent een dergelijke studie afgerond. Hoewel al deze landen verschillende opleidingstradities hebben, is het opvallend dat met name de Nederlandse journalisten meer tijd op school hebben doorgebracht – hetgeen mede verklaart waarom er betrekkelijk weinig jongeren in de journalistiek werkzaam zijn: slechts 11 procent is jonger dan 30 jaar. Hoewel het beroep geen formele toegangseis kent, suggereren de internationale cijfers wel dat een afgeronde beroepsopleiding (Bachelors diploma) tegenwoordig de minimale vereiste voor het werken als journalist is.

In veel communicatiewetenschappelijke literatuur valt te lezen dat journalisten veel progressiever zijn dan het publiek. In de Verenigde Staten is zelfs een speciaal onderzoekscentrum opgericht (Media Studies Center, http://www.mrc.org/) om deze veronderstelde situatie te bestrijden. Inderdaad plaatsen de meeste journalisten in de vijf landen zichzelf links van het politieke midden - in Nederland overigens wat meer (78 procent) dan elders (tussen 39 procent in Australië en 48 procent in Amerika).

De laatste jaren hebben verschillende studies in onder meer Australië en de Verenigde Staten aangetoond dat journalisten – als het gaat om onderwerpen als seksuele moraal, migranten en asielzoekers en uitkeringen – ondanks deze ‘linksige’ politieke voorkeur er nogal conservatief getinte opvattingen op na lijken te houden.

Werksituatie
Net als in andere landen werken in ons land de meeste journalisten bij de geschreven pers: dagbladen, tijdschriften en vakbladen. Bij de functieomschrijvingen valt echter een fundamenteel verschil op tussen aan de ene kant Angelsaksische redacties en aan de andere kant Europees-continentale redacties. In Nederland en Duitsland zijn verslaggevers een soort ‘alleskunners’: men is de ene week verslaggever, de andere week eindredacteur, doet tussendoor ook nog wat andere klusjes op de redactie, neemt soms zelf de foto’s of maakt gelijktijdig beeld en commentaar (de ‘camjo’s’). Dit leverde in ons onderzoek honderden verschillende functieomschrijvingen op. Op Amerikaanse, Engelse en Australische kranten- en tijdschriftredacties liggen de verschillende taken daarentegen tamelijk vast: er is een bureauredacteur, een verslaggever, een eindredacteur en een nieuwschef. Daarnaast lopen er nog hoofdredacteuren en columnisten rond.

Hoewel de meeste internationale studies verzuimden freelance journalisten mee te nemen in het onderzoek, kan uit het in 1999 gepubliceerde rapport ‘Freelance Futures’ van de Internationale Federatie van Journalisten (IFJ) afgeleid worden dat in ons land meer freelancers werken dan elders. In Australië, Engeland, Duitsland en de Verenigde Staten werken ruw geschat 10 tot 20 procent journalisten freelance, in Nederland is dat 23 procent. De onderzoekers in deze landen geven overigens wel toe, dat het fenomeen freelancen sterk is toegenomen en in de toekomst een steeds belangrijker deel vormt van de journalistieke beroepsgroep.

Mediacritici zoals de cultuurhistoricus en voormalig verslaggever Robert Darnton zeggen met enige regelmaat dat journalisten eigenlijk alleen maar geïnteresseerd zijn in het commentaar en meer nog de erkenning door vakgenoten. De journalisten werd daarom gevraagd of men geregeld commentaar kreeg, dan wel contact had met collega’s en met leden van het publiek. Terwijl in de andere landen journalisten ongeveer evenveel contact hebben met beide groepen, bestaat er in ons land een significant verschil: 64 procent krijgt geregeld feedback van vakgenoten, slechts 34 procent heeft wel eens een lezer, luisteraar of kijker aan de telefoon.

Beroepsopvattingen
Tot slot zijn uitspraken van journalisten over het vak en de rol die de media (dienen te) spelen in de democratische samenleving met elkaar vergeleken. Een van de door wetenschappers meest gebruikte maatstaven hiervoor is de zogenaamde ‘rolperceptie’ van de journalist – dat wil zeggen, welke taak of taken journalisten als belangrijkste beschouwen in hun werk. Door dergelijke opvattingen te groeperen, kunnen specifieke ‘typen’ journalisten worden onderscheiden. Zo is jarenlang volgehouden dat Duitse journalisten van het type ‘missionaris’ zouden zijn: zij waren bezig hun hoogstpersoonlijke visie uit te dragen. Britse collega’s zouden ‘bloedhonden’ zijn, uitsluitend op jacht naar nieuws, naar de scoop.

Meer recent onderzoek wijst echter uit dat voor de meeste journalisten geldt, dat men tegelijkertijd allerlei functies belangrijk vindt – zowel informeren als opiniëren, kritiseren maar ook objectiveren, jagen èn preken. Tabel II laat de antwoorden van journalisten uit vijf landen zien, gesorteerd volgens de Nederlandse rangorde.

Tabel II: Rolpercepties van journalisten (percentage antwoorden ‘zeer belangrijk’)
 

Nederl.

Austr.

Duitsl.

VS

UK

Nieuws zo snel mogelijk brengen

44

74

40

69

88

Bieden van analyses en interpretaties

43

71

39

48

83

Kritisch volgen van overheid & zakenleven

34

30

15

21

51

Platform voor de ‘gewone’ mens bieden

29

-

13

48

56

Zo’n breed mogelijk publiek bereiken

26

38

17

20

45

Waakhond van de overheid

23

81

12

67

88

Signaleren nieuwe trends

19

-

16

-

-

Interesses van het publiek ontwikkelen

15

37

20

18

30

Opkomen voor anderen in de samenleving

14

-

17

-

-

Bieden van ontspanning en vermaak

12

28

19

14

47

Invloed hebben (op publiek of politiek)

9

-

6

5

13

Goede omgeving voor adverteerders bieden

5

-

-

-

-

De uitspraken van journalisten over de verschillende rollen lijken niet wezenlijk te verschillen. Toch is het opvallend dat Nederlandse en Duitse journalisten niet zo snel van zichzelf zeggen dat ze iets ‘zeer belangrijk’ vinden. De geïnterviewden konden kiezen tussen vijf mogelijkheden, variërend van ‘zeer onbelangrijk’ via ‘neutraal’ naar ‘zeer belangrijk’. De optelsom van de antwoorden in de ‘belangrijk’-categorie laat zien waarin Nederlandse journalisten daadwerkelijk verschillen. Driekwart of meer verslaggevers vinden een kritische houding, het bereiken van zoveel mogelijk mensen en het signaleren van de nieuwste trends belangrijk. In het buitenland is aanzienlijk minder dan de helft van de collega’s die mening toegedaan. Nederlandse journalisten leggen ook veel nadruk op de interpretatie van het nieuws en de uitleg van complexe zaken. Dat lijkt een bewijs van de veelgehoorde stelling dat het persoonlijke en veelal kritische oordeel van de journalist in de media duidelijk aanwezig is. Met andere woorden: het Nederlandse ‘vingertje’ lijkt zichtbaar aanwezig in de rolpercepties van journalisten.

Een analyse van welke ‘soorten’ journalisten in Nederland te onderscheiden zijn, levert helder te onderscheiden typen op. De Nederlandse journalist is voor het grootste (tweederde) gedeelte pluralistisch in zijn of haar rolopvattingen. Er is echter ook een groep typische ‘waakhonden’: journalisten die het kritisch volgen van de overheid, de economie en de politiek in het algemeen als belangrijkste functie van de media zien. Ze legitimeren zich als ‘spreekbuis’ voor het publiek. Dit type journalist wil graag daadwerkelijk invloed hebben op het publiek of de politieke agenda. Het gaat hier overigens overwegend om mannelijke dagblad- en internetreporters.

Een tweede type journalist in ons land lijkt veel commerciëler ingesteld. Deze journalisten zijn zich sterk bewust van de belangen van de adverteerders en van de noodzaak van enige ontspanning om een zo’n breed mogelijk publiek aan te spreken. Deze groep bestaat over het algemeen uit schrijvers voor publiekstijdschriften en regionale dagbladen. Een vergelijkbare analyse van uitspraken van ons parallelonderzoek onder eerstejaars studenten journalistiek (in samenwerking met Toon Rennen, Fontys Hogeschool voor Journalistiek, Tilburg) levert het verrassende resultaat op, dat deze twee ‘typen’ al duidelijk onder deze jongeren zichtbaar zijn.

Tot slot werd de journalisten gevraagd, welke methodes van nieuwsgaring ze wel en niet geoorloofd vonden (tabel III). Opvallend is dat Nederlandse en Britse journalisten het meeste toelaatbaar achten. Journalisten in alle landen zijn het er over eens: je moet de (identiteit van de) bron altijd beschermen.

Tabel III: Methoden van nieuwsgaring (percentage antwoorden ‘is gerechtvaardigd’)
 

Nederl.

Austr.

Duitsl.

VS

UK

Undercover gaan

79

46

54

36

80

Zakelijke/politieke documenten zonder toestemming gebruiken

73

79

54

60

86

Onwillige informanten/ bronnen lastig vallen

67

55

12

49

59

Verborgen camera/microfoon gebruiken

50

-

53

63

73

Persoonlijke documenten zonder toestemming gebruiken

29

39

11

17

49

Mensen betalen voor (vertrouwelijke) informatie

27

13

41

20

65

Jezelf voor te geven als iemand anders

27

13

45

22

47

Niet respecteren van vertrouwelijkheidbescherming

6

4

10

5

9

Met name het lastig vallen van onwillige informanten is voor de meeste Nederlanders nauwelijks een probleem – en dat terwijl ons land eigenlijk geen echte ‘paparazzi’ of anderszins tabloidreporters kent.

Conclusie
De vergelijking van journalisten uit verschillende landen leert anders naar onszelf te kijken. Aan de andere kant is het ook gevaarlijk, omdat veel van de verscheidenheid binnen een groep mensen verdwijnt door ze op één hoop te gooien. Want wat is er nu specifiek ‘Nederlands’ aan Nederlandse journalisten?

De vergelijking levert vooral bevestiging op van het gegeven, dat journalisten in een aantal Westerse democratieën tot op zekere hoogte dezelfde professionele werksituatie, status en beroepsopvattingen hebben bereikt.

Het is wel mogelijk de journalisten uit de vijf onderzochte landen op het gebied van redactionele organisatie en rolpercepties in drie min of meer coherente groepen in te delen: een ‘Commonwealth’ groep (Engelse en Australische verslaggevers), een Europees-continentale groep (Nederlandse en Duitse collega’s) en een Noord-Amerikaanse groep. De eerste groep lijkt op het type van de muckraker: de kritische jager op vooral politiek en economisch nieuws. De tweede groep staat qua nieuwsselectie en –presentatie wat dichter bij het publiek. De Amerikaanse journalist heeft van alles wat in zich.

Dit onderzoek werd mogelijk gemaakt door financiële steun van het Bedrijfsfonds voor de Pers. Daarnaast werkten de NVJ, de STOA, het Anton Dreesmann Instituut en de Werkgroep Migranten en Media mee aan (onderdelen van) het onderzoek. Het project werd uitgevoerd onder auspiciën van de Amsterdam School for Communications Research, onderdeel van de Universiteit van Amsterdam. Voor meer informatie: deuze@pscw.uva.nl of 020-5254816. Website: http://home.pscw.uva.nl/deuze



 

 
[an error occurred while processing this directive]