| [an error occurred while processing this directive] |
Dossiers Onderzoek naar Journalisten in Nederland Deel 6 Journalisten in de multiculturele samenleving * Beeldvorming over 'de ander' is veelal negatief stereotiep * Nauwelijks autochtonen met multicultureel specialisme * Geen evenredige spreiding van werkplek voor allochtone journalisten * Mening Nederlandse journalisten: 'multiculturele samenleving verkoopt niet' * Integratie op redacties mislukt De rol van journalisten in de multiculturele samenleving is problematisch. Uit het onderzoek blijkt dat slechts twee procent van de geïnterviewde journalisten een niet-Nederlandse achtergrond opgaf. Uit inhoudsanalyses blijkt dat juist etnische minderheden veelal op negatieve wijze in het nieuws komen. Beide bevindingen lijken met elkaar samen te hangen. Mark Deuze Recentelijk berichtten alle media in Nederland uitgebreid over de ramp in Enschede. Een ramp in een 'leuk buurtje van autochtone en allochtone arbeiders', zoals NRC Handelsblad op maandag 15 mei schreef. De Twentsche Courant/Tubantia omschreef de bewoners van het rampgebied diezelfde dag als 'veel minima en allochtonen', terwijl de Volkskrant sprak van de aanwezigheid van 'vele allochtonen'. Trouw maakte twee dagen later melding van 'Turken, Marokkanen en ook veel Spanjaarden' onder de wijkbewoners, waarbij verslaggever Ruud van Haastrecht opmerkte dat dit allochtone aspect van de ramp onderbelicht was gebleven in de media. De Telegraaf tenslotte signaleerde de aanwezigheid van 'enkele honderden Turken' in de wijk (17 mei). Ook de andere media zoals bijvoorbeeld RTL, wat later de NOS en de gezamenlijke nieuwsproducties voor SBS6 en Net5 besteedden expliciet aandacht aan dit 'allochtone' aspect van de ramp. Dit voorbeeld laat zien dat de journalisten tot op zekere hoogte bewust - hoewel niet noodzakelijk op een 'verantwoorde' manier - omgaan met het multiculturele karakter van nieuws uit de Nederlandse samenleving. Het meest frappante voorbeeld hiervan is nog steeds het initiatief van het Eindhovens Dagblad (ED) vorig jaar, om tussen 17 en 21 augustus zowel in het Nederlands als in het Turks te berichten over de nasleep van de zware aardbeving in Turkije. Tijdens een op 11 mei van dit jaar georganiseerd seminar merkte ED-redacteur Jeroen van Sambeeck overigens op dat weliswaar de eerste lezersreacties zeer negatief waren, maar dat de krant uiteindelijk ook veel lof kreeg en er goede contacten met de Turkse gemeenschap in de regio aan over hield. Toch blijkt uit een inventarisatie van inhoudsanalyses op het terrein van de berichtgeving over migranten in de Nederlandse media, dat migranten bijna zonder uitzondering negatief of in relatie tot problemen in het nieuws komen. Deze problemen worden bovendien belicht vanuit een nagenoeg uitsluitend autochtoon gezichtspunt, concluderen de onderzoekers Brants, Crone en Leurdijk in het NVJ-rapport 'Media en Migranten' (uit 1998). Het ligt voor de hand deze conclusies te koppelen aan de bijna zonder uitzondering 'witte' samenstelling van de journalistenpopulatie in ons land. De vraag daarbij is, of het de autochtone journalist kwalijk genomen mag worden, dat zij of hij vanuit een autochtoon gezichtspunt verslag doet van het nieuws. Volgens belangenorganisaties als de Stichting Omroep Allochtonen (STOA) en de werkgroep Migranten en Media kan dat wel degelijk. Daarbij wordt met name gewezen op de sociale en maatschappelijke verantwoordelijkheid van journalisten en het kennisniveau op het gebied van de multiculturele samenleving. Beide organisaties werkten aan ons onderzoek mee door eenmalig de adressenbestanden ter beschikking te stellen. In het onderzoek werd de volgende vraag opgenomen: 'Mag ik u vragen om uw etnische achtergrond aan te geven?', waarbij de geïnterviewden een keuze werd voorgelegd tussen de categorieën Turks, Marokkaans, Surinaams, Antilliaans, Nederlands of 'anders, namelijk...'. De antwoorden op de 'anders'-categorie liepen uiteen van Nigeriaans (2), Chinees (2), Italiaans (3) en Duits (1) tot Fries (2). Slechts dertien journalisten weigerden antwoord te geven. In de algemene steekproef van 773 heeft twee procent (17 journalisten) een niet-Nederlandse achtergrond; in de extra steekproef spraken we daarnaast met nog eens 60 allochtone journalisten. Hoewel de survey - als eerste fase van het nog lopende onderzoek - over het kennisaspect nog weinig kan ophelderen, vallen een paar resultaten op. Allereerst de werkplek van de journalisten met een niet-Nederlandse achtergrond: ruim de helft werkt bij de landelijke publieke omroep. De autochtone collega's zijn het sterkst vertegenwoordigd bij de landelijke en regionale dagbladen en de publiekstijdschriften. Van de gespecialiseerde journalisten heeft vier procent van de autochtonen als vaste beat de multiculturele samenleving - tegen 26 procent bij de allochtone collega's. Daarnaast heeft ongeveer de helft van de allochtone buitenlandverslaggevers als specialisatie het land of regio van herkomst. Deze cijfers suggereren dat het relatief vaak op redacties voorkomt dat de allochtone redacteur of freelancer direct de 'allochtone beat' krijgt toegewezen, dan wel zelf kiest. Een ander aspect van de multiculturele samenleving is de verslaggeving betreffende moslims en de Islam. Geen enkele autochtone journalist gaf in het onderzoek aan een islamitische levensbeschouwing te hebben. Het rapport van Brants, Crone en Leurdijk suggereert dat met name in de berichtgeving over de Islam en moslims de Nederlandse media (vermeende) verschillen tussen de autochtone en moslimcultuur onnodig overdrijven en problematiseren. Het valt overigens op dat op het gebied van beroepswaarden en -normen de allochtone en autochtone collega's over het algemeen niet wezenlijk van elkaar verschillen. Hooguit blijkt dat de journalist met een niet-Nederlandse achtergrond het opkomen voor anderen en het invloed hebben (door middel van analyses en interpretaties van het nieuws) belangrijker acht. Daarbij zal de Nederlandse collega sneller kiezen voor het lastig vallen van (onwillige) bronnen, zo blijkt uit de cijfers. Hierbij moet er met klem op gewezen worden, dat de allochtone journalisten niet als representatief voor de allochtone bevolking in Nederland beschouwd mogen worden - net zoals Nederlandse journalisten niet een weerspiegeling van het Nederlandse publiek vormen (zie bijvoorbeeld De Journalist d.d. 7.4.2000). De journalisten werd in het onderzoek ook gevraagd naar hun mening over wat de voornaamste interesses van 'het publiek' zouden zijn. Daarbij kwam een rangorde aan het licht met als meest opvallende details: de multiculturele samenleving staat helemaal onderaan en scoort juist beduidend lager bij autochtone journalisten. De percentages in de tabel staan voor de journalisten, die het eens waren met de daarbij genoemde stelling over de publieksinteresse. Tussen haakjes staat daarbij de rangorde van de stellingen van enerzijds de groep journalisten uit de algemene steekproef (773), anderzijds het aantal journalisten met een niet-Nederlandse achtergrond (60) uit de extra steekproef uit de bestanden van STOA en de werkgroep Migranten en Media (M&M). PUBLIEKSINTERESSE
Het grote verschil tussen de
scores voor onderwerpen betreffende de multiculturele samenleving - 57
versus 28 procent - is niet te verklaren uit bijvoorbeeld het gegeven dat
de meeste journalisten al zeer lang bij de Nederlandse media werkzaam
zijn, een relatief hoge gemiddelde leeftijd (42 jaar) hebben of andere aan
de praktijk van de journalistiek ontleende factoren. Ook onder de door ons
geïnterviewde eerstejaars studenten journalistiek scoorde de
multiculturele samenleving laag bij de inschattingen van de
publieksinteresses: slechts twintig procent van de jongeren denkt dat het
publiek veel belangstelling heeft voor de multiculturele thematiek (alleen
kunst en cultuur scoren nog lager; zie De Journalist d.d. 5.5.2000).
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||