[an error occurred while processing this directive]
[an error occurred while processing this directive]   Dossiers
Onderzoek naar Journalisten
in Nederland


Deel 2
Weinig interesse in het publiek
Feedback van het publiek, e-mail en een conclusie

Mark Deuze

Een van de meest besproken aspecten van de hedendaagse journalistiek is de complexe relatie van de journalist met haar of zijn publiek. Hoewel onderzoek naar journalisten in Nederland geen structurele plaats heeft binnen de universitaire traditie, zijn er in het verleden wel enkele pogingen gedaan om met name de verhouding dagbladjournalist-lezerspubliek bloot te leggen, bijvoorbeeld door de Universiteit van Utrecht (1989) en het Instituut voor Strategische Kommunikatie (1994).

Uit dergelijk onderzoek blijkt telkens weer het tegenstrijdige karakter van de relatie journalist-publiek: aan de ene kant zijn dagbladjournalisten nogal negatief in hun opvattingen over het publiek, aan de andere kant geven nagenoeg alle journalisten aan de opmerkingen en kritiek van het publiek zeer serieus te nemen.

In ons onderzoek wordt hier verder op ingegaan. Daarbij is aan alle journalisten - ongeacht medium, genre of specialisatie - gevraagd hoe belangrijk zij de feedback van het publiek achten, hoe vaak dergelijk contact voorkomt en hoe men denkt over de interesses en voorkeuren van het publiek.

Feedback van publiek
De belangrijkste feedback voor journalisten die die van superieuren en collega's (beide 87 procent). Pas daarna komt het publiek (75 procent) als derde uit de bus. Op de vierde plaats staan de nieuwsbronnen (47 procent).

Slechts bij éénderde van de journalisten kwam het regelmatig voor dat men reacties vanuit het publiek kreeg. Vaak verzuchtten respondenten dat ze het eigenlijk wel daarvoor doen, maar dat het veel te weinig voorkomt. Toch werd ook veel geklaagd over het gehalte van de (weinige) reacties die de journalist bereiken. Een radioverslaggever gaf bijvoorbeeld aan dat na elke uitzending over een 'multicultureel' onderwerp veel vervelende, racistisch getinte reacties binnenkwamen.

Dit geeft ook aan hoezeer de journalistiek en het publiek uit elkaar gegroeid zijn. Ook de wijze waarop de media over de Lewinsky-zaak in Amerika of bijvoorbeeld Maxima in ons eigen land berichtten - breed uitgemeten in alle soorten media - lijkt hierop te wijzen. Journalisten beroepen zich hierbij veelal op het gegeven, dat 'het publiek' dit juist wil. Dat blijkt tot op zekere hoogte ook uit het onderzoek: de helft van de journalisten denkt dat het publiek vooral geïnteresseerd is in 'sterren', ofwel 'showbiznieuws'. Een opmerkelijk gegeven is dat in Amerika telkens uit opiniepeilingen bleek dat het publiek de buik vol had van het gezeur over de seksuele escapades van Clinton in de media. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit ook tot op zekere hoogte in Nederland geldt: een zogenaamde 'Maxima-moeheid' wellicht. Zeker is dat de kritiek en onvrede jegens de journalistiek ook in ons land de laatste jaren toenemen.

Journalisten en e-mail
De meeste journalisten blijken huiverig voor het openen van nieuwe wegen naar de lezer, kijker, luisteraar, surfer. Een voorbeeld daarvan is e-mail. Een sterk toenemend aantal Nederlanders communiceert via e-mail en raakt vertrouwd met deze relatief laagdrempelige vorm van elektronisch contact. Het valt te verwachten dat deze lijn zich met de komst van e-mail via de mobiele telefoon verder doorzet.
Slechts 38 procent van de ondervraagden heeft wel eens contact met mensen uit het publiek via dit interactieve communicatiemiddel. Toch heeft maar liefst 86 procent van de journalisten de beschikking over een eigen e-mail adres op het werk. De respondenten gaven echter aan dat feedback van lezers over het algemeen via een anoniem centraal adres (bijvoorbeeld redactie@medium.nl) binnenkomt - waarna dergelijke berichtjes veelal sneuvelen als printjes in een bakje op het redactiesecretariaat. Persoonlijke e-mail adressen worden niet of nauwelijks gepubliceerd op de Website van de werkgever.

Een en ander suggereert een gemiste kans. Juist uit Amerikaans onderzoek blijkt telkens weer dat die journalisten, die hun e-mail adres actief gebruiken voor interactie met het publiek, daar bijna uitsluitend voordelen uit halen. Daarnaast is e-mail verkeer veel minder tijdsintensief dan bijvoorbeeld het beantwoorden van ingezonden brieven, faxen of telefoontjes. De geringe animo voor direct elektronisch contact is vreemd als men weet dat men zich in de Nederlandse journalistiek wel drukt maakt over het verlies aan geloofwaardigheid en status in de maatschappij. Een voorbeeld daarvan is de recente oproep van het Genootschap van Hoofdredacteuren aan alle media om zich publiekelijk te verplichten aan (de uitspraken van) de Raad voor de Journalistiek. Ook het toenemend aantal journalistieke 'ombudsmannen' (zoals bij de Volkskrant en het Algemeen Dagblad) is een voorbeeld van pogingen die in de mediasector worden ondernomen om het publieksvertrouwen terug te winnen.

Conclusie

Feit is dat de journalisten qua opleiding, inkomen, politieke voorkeur en werkvorm ver verwijderd zijn van 'het publiek'. Dit, gekoppeld aan de toenemende complexiteit en multiculturele fragmentering van de Nederlandse maatschappij, is zorgelijk te noemen: de kloof journalist-publiek lijkt eerder wijder, dan smaller te worden. Hoewel nader onderzoek nodig is, is dit een van de ontwikkelingen in de journalistiek die concreet serieuze aandacht behoeft - aandacht op het niveau van het gedrag van individuele journalisten in plaats van overkoepelende en aan de media gelieerde organisaties zoals het fenomeen 'Ombudsman', het Genootschap van Hoofdredacteuren of een Raad voor de Journalistiek
 


 

 
[an error occurred while processing this directive]