[an error occurred while processing this directive]
[an error occurred while processing this directive]   ARTIKEL

                                              terug naar dossieroverzicht

De Journalist, nr.22, 2001

Analyse rapport commissie verschoningsrecht

Commissie verschoningsrecht vergeet Nationale Ombudsman

Journalisten doen er goed aan principiële zaken uit te procederen, desnoods tot aan de Europese rechter. Dat zegt de commissie verschoningsrecht in haar pas verschenen rapport. Het is echter de vraag of journalisten nog veel van het hof in Straatsburg hebben te verwachten. De recente uitspraak in een WOB-zaak van de Volkskrant, biedt bitter weinig hoop. Veel meer voor de hand liggend is de gang naar de Nationale Ombudsman. Opvallend genoeg komt deze functionaris in het rapport in het geheel niet voor.

Arthur Maandag

Nieuwe wetgeving is niet nodig, nieuwe jurisprudentie wel. Dat is in het kort de boodschap van de commissie verschoningsrecht die vorig jaar werd ingesteld door het Genootschap van Hoofdredacteuren en de NVJ (zie ook De Journalist nr.20, d.d. 02.11.01).
Directe aanleiding voor het werk van de commissie was de gijzeling, door het gerechtshof in Amsterdam, van Spits-journalist Koen Voskuil. De verslaggever zat in oktober 2000 achttien dagen vast omdat hij, opgeroepen als getuige in een strafzaak, weigerde de bronnen te noemen van een bericht over de rol van de politie bij een wapenvondst.
Het verschoningsrecht geeft een aantal beroepsgroepen zoals artsen, advocaten en geestelijken de wettelijk bevoegdheid bepaalde informatie geheim te houden. Er hoeven geen verklaringen te worden afgelegd en inbeslagneming van stukken is niet toegestaan. Een en ander heeft te maken met de vertrouwensrelatie tussen de betrokkenen en degenen die zich tot hen hebben gewend.
Journalisten hebben in Nederland geen wettelijk geregeld verschoningsrecht. Al sinds 1993 ligt weliswaar bij de Tweede Kamer het wetsontwerp-Jurgens, dat zo’n recht wil bieden, maar het is inmiddels overbodig. Europese rechtspraak, op basis van het Europese mensenrechtenverdrag EVRM, heeft er immers voor gezorgd dat journalisten in principe hun bron mogen beschermen. Het Europese hof in Straatsburg zorgde in 1996 met de Goodwin-uitspraak voor een doorbraak. Het ‘nee, tenzij’ werd ‘ja, tenzij’ en Nederland werd ingehaald door de hogere Europese regels.
Toch zal er steeds een afweging nodig zijn, waarbij het belang van de opsporing van strafbare feiten stevig dient mee te wegen. Dat bleek nog eens in 1999 toen de Hoge Raad zich boog over inbeslagname van op de openbare weg door media gemaakte beeldopnamen. De Hoge Raad kende toen grote waarde toe aan de waarheidsvinding in strafzaken.
Het rapport van de commissie verschoningsrecht bevat meer dan de naam doet vermoeden. De commissie heeft het onderzoeksterrein uitgebreid tot alle situaties waarbij journalisten op enigerlei wijze bij de beroepsuitoefening met het (straf)recht in aanraking komen. Dat levert een handzame beschrijving op van allerlei perikelen, waarin journalisten zijn beland. Daarbij valt te denken aan het betreden van verboden plaatsen, belediging, dan wel het gebruik maken van valse gegevens.
Voorstellen voor nieuwe regels vloeien hier evenwel niet uit voort. Sterker nog: de commissie stelt vast dat het in Nederland nog zo slecht niet is. Niet ten onrechte wordt waarschuwend verwezen naar de situatie in Engeland, waar journalisten met name bij verslaggeving over rechtszaken aan banden zijn gelegd. In feite gaat het bij ons om de puntjes op de i. En daarvoor zal het, stelt de commissie, onder omstandigheden nodig zijn een zaak tot het hoogste niveau uit te procederen. Eerste voorwaarde is overigens wel dat de journalist zelf zo zorgvuldig mogelijk werkt en kwesties intern ook goed doorspreekt.
Dit is op zich een goed advies. Waar de commissie echter tot twee keer toe nadrukkelijk naar het hof in Straatsburg verwijst, is het de vraag of iemand daar momenteel wel zo veel mee opschiet. Het hof bezwijkt onder de werklast, wat zich in de kwaliteit van het werk vertaalt. De redactie van de Volkskrant merkte dat dit jaar in de principiële WOB-zaak over de correspondentie tussen premier Kok en kroonprins Willem-Alexander (De Journalist nr.19, d.d. 19.10.01). De kwestie werd op een nietszeggend A4-tje afgedaan. Een fatsoenlijk rechterlijk oordeel bevat een weergave van de standpunten van partijen om vervolgens tot een gemotiveerd standpunt te komen. Het Straatsburgse A4-tje spot met deze uitgangspunten.
Mede daarom is het jammer dat de commissie een niet onbelangrijke instantie waar journalisten met klachten terechtkunnen, in het geheel niet noemt. De Nationale Ombudsman wordt wel vaker vergeten, maar toont met zijn uitspraken richting overheid aan normbepalend te kunnen werken. Zo zijn justitieregels over voorlichting vooral door uitspraken van de ombudsman tot stand gekomen. Met name bij omstreden gedragingen van de politie kan de weg naar ombudsman voor redacties uiteindelijk uitkomst bieden.
De commissie verschoningsrecht adviseert redacties in dit soort situaties een civiele procedure te starten. Dat zijn echter slepende zaken, waarbij inschakeling van een advocaat verplicht is. Dit soort rechtszaken kan flink in de papieren lopen. De procedure bij de Nationale Ombudsman kost in principe echter niets. Dat moet bij menige door geldzorg geplaagde hoofdredactie een ijzersterk argument zijn.

De volledige tekst van het rapport van de commissie verschoningsrecht.
 

terug naar dossieroverzicht
 

 
[an error occurred while processing this directive]