| [an error occurred while processing this directive] |
|
ARTIKEL terug naar
dossieroverzicht
De Journalist, nr.20,
2001
Liever
jurisprudentie dan verschoningsrecht
Wetgeving om bronnen van journalisten
te beschermen is niet nodig. Journalisten doen er beter aan zaken waarin
zij sterk staan uit te procederen ‘opdat de grenzen van de vrijheid van
meningsuiting duidelijk worden’.
Piet Hagen
Dit is de conclusie van de
commissie Verschoningsrecht die vorig jaar werd ingesteld door het
Genootschap van Hoofdredacteuren en de NVJ. Aanleiding was de gijzeling
van Koen Voskuil, journalist van Spits. De commissie bestond uit
hoogleraar strafrecht Chrisje Brants, rechter Willem Korthals Altes,
Volkskrant-redacteur Victor Lebesque, NVJ-secretaris Irene Konings en
voormalig NVJ-jurist Marie-José Gerardts.
De commissie somt een groot aantal incidenten op die zich tussen pers en
politie of justitie hebben voorgedaan. Maar de commissie vindt het niet
nodig de vrijheden van journalisten nader wettelijk te regelen. Vooral
door de jurisprudentie van de laatste jaren, zowel op Europees niveau
als van de Nederlandse Hoge Raad, is de positie van journalisten
versterkt. Zij mogen hun bronnen geheim houden als hun publicatie
zorgvuldig tot stand is gekomen en het algemeen belang gediend is met
openbaarheid. Een wettelijk verschoningsrecht lijkt mooi, maar heeft
nadelen: je moet dan vastleggen wie journalist is en in welke gevallen
het verschoningsrecht geldt. De commissie heeft meer vertrouwen in
jurisprudentie, waarbij van geval tot geval kan worden vastgesteld of de
journalist in zijn recht staat. Wel zouden er via wetgeving betere
procedures kunnen komen voor de toetsing van dwangmiddelen als
gijzeling.
De commissie waarschuwt tegen mogelijke inperking van de journalistieke
vrijheid. Zo lijkt de minister van Justitie voorstander van een
publicatieverbod ten aanzien van vertrouwelijk materiaal in strafzaken.
Ook dreigt steeds weer inbeslagname van journalistiek materiaal
(diskettes, foto’s, tv-beelden, documenten). En bij rampen of rellen is
het steeds weer de vraag in hoeverre journalisten toegang hebben tot de
plaats des onheils.
De commissie beveelt journalisten aan zelf zo zorgvuldig mogelijk te
handelen. Dat kan door het plegen van hoor en wederhoor, het checken van
informatie en verantwoord gebruik van bronnen (niet volstaan met één
anonieme bron). Verder moet de journalist nagaan of hij informatie niet
ook op andere wijze had kunnen verkrijgen. En uiteraard moet publicatie
een algemeen belang dienen dat opweegt tegen eventuele bezwaren. In
moeilijke situaties moet de hoofdredacteur worden geraadpleegd, ook door
freelancers. Vertrouwelijk materiaal moet goed worden beschermd.
Als zich toch moeilijkheden voordoen, moet de journalist zorgen dat hij
‘een goed verhaal’ heeft. Als dat zo is, moet hij de confrontatie met
justitie aandurven en desnoods doorprocederen tot en met de Hoge Raad en
de Europese rechter.
terug naar dossieroverzicht
|
|