| [an error occurred while processing this directive] |
Nieuws
terug naar
voorpagina
5.03.2007
Workshop ‘When in China’ / Conferentie ‘Made in China’
Westerse bedrijven helpen Chinese censuur
Is mede dankzij internet de vrijheid in China ‘groter dan ooit’,
zoals sommigen stellen? Of gaat het er juist de verkeerde kant op en
dient de Chinese censuur als model voor andere dictaturen? Beide zijn
waar, blijkt uit de paneldiscussie tijdens de Workshop ‘When in China’,
georganiseerd door NVJ en Amnesty International. Wat kunnen we eraan
doen?
Jacqueline Wesselius
De Chinezen hebben momenteel een ongekende vrijheid om op internet te
surfen en te chatten – zolang ze zich niet met politiek gevoelige zaken
bezig houden (zoals het Plein van de Hemelse Vrede op 4 juni 1989, de
Falun Gongbeweging, of de partijpolitiek). Verreweg de meeste mensen
hebben, aldus Garrie van Pinxteren (ex-correspondent voor NRC
Handelsblad), geen boodschap aan de politiek; ze gebruiken internet
vooral om te gamen en onderlinge contacten aan te knopen. Homoseksuelen,
bijvoorbeeld, hebben elkaar dankzij internet kunnen vinden. En als je
een ‘onmogelijke’ taal als Nederlands leest, kun je ook je gang gaan:
die websites zijn niet gecensureerd. In die zin heeft internet een grote
openheid teweeg gebracht.
Maar owee, als je iets wilt opzoeken – of, erger nog, schrijven – wat de
autoriteiten onwelgevallig is. Niet alleen is bepaalde informatie gewoon
‘onvindbaar’, ook kunnen de duizenden ‘spionnen’ die deel uitmaken van
de Chinese cyberpolitie, traceren wie welk woord heeft ingetypt. Pas op
als je in ’t Chinees informatie over Falun Gong zoekt. En pas nog veel
meer op wanneer je, zoals de journalist Shi Tao, via Yahoo een e-mail
stuurt naar de website van een beweging die democratie in China
propageert. Shi Toa vatte daarin een communiqé van het Chinese
propagandabureau samen en zit nu een gevangenisstraf uit van 10 jaar
wegens het ‘illegaal communiceren van staatsgeheimen naar het
buitenland’.
Dat Yahoo in deze zaak de Chinese autoriteiten heeft geholpen om de
afzender van de e-mail op te sporen, is bekend. ‘We konden niet anders’,
luidt het verweer van het bedrijf. ‘We moeten ons aan de plaatselijke
wetten houden om in China te kunnen werken.’ En China is big business,
met tot dusver 120 tot 140 miljoen internetgebruikers en een enorme
markt die nog te veroveren is. Yahoo is trouwens niet de enige
‘boosdoener’. Microsoft en Google zijn geen haar beter, zegt Nick
Dearden van Amnesty International. Ook deze providers annex zoekmachines
werken hand in hand met de censuur, blokkeren pagina’s en geven zonodig
gegevens door. Rond China is, in de woorden van Peter Olsthoorn (Planet
Multimedia), ‘één grote Firewall’ opgetrokken. En in zekere zin kunnen
westerse bedrijven inderdaad niet anders dan daaraan meewerken, zegt
mede-panellid Jens Damm (Freie Universität Berlin): ze staan tussen twee
vuren.
Hoho, wij doen daar niet aan mee, zo verweerde Google zich in een
opgenomen statement. Wij verschaffen in China geen e-mail-faciliteiten
en wij zijn transparant: we laten zien wat geblokkeerd is. ‘Wanneer je
een geblokkeerde pagina opvraagt, zie je dat inderdaad’, werpt Nick
Dearden tegen. ‘Maar Google past er wel voor om een overzicht te
verschaffen van alle geblokkeerde pagina’s. Hoe dan ook zijn bedrijven
hypocriet als ze beweren dat ze – ondanks alles – bijdragen aan de
vrijheid. Het gaat hen alleen om hun marktaandeel. En het is een beetje
griezelig te constateren, dat andere min of meer autoritaire staten –
zoals Rusland, Pakistan, of zelfs Thailand – de kunst van de geoliede
Chinese censuur beginnen af te kijken. Dat stemt niet hoopvol voor de
toekomst.’
Wat kunnen we doen om de situatie te veranderen? Niet héél erg veel, zo
blijkt. Jens Dam heeft een sprankje hoop omdat de Chinese wetenschappers
met wie in contact is, het aandurven om een bijeenkomst aan een Chinese
universiteit te organiseren. En sommigen in China kennen wel
mogelijkheden om de censuur te omzeilen, zegt Peter Olsthoorn. Maar dan
moet je de technieken kennen. Amnesty richt zijn pijlen nu meer op
bedrijven die hardware aan China leveren. Deze zijn voor het land
onmisbaarder dan softwareleveranciers of providers als Microsoft en
Yahoo. En voor wie een heel klein steentje wil bijdragen, zijn er
kaarten om naar Shi Tao in de gevangenis te sturen. ‘In de hoop dat er
een paar inderdaad bij hem terechtkomen.’
De Workshop ‘When in China’,
opgezet door NVJ en Amnesty International, vond plaats in het kader van
de door de FNV georganiseerde informatiedag ‘Made in China’, op zaterdag
3 maart in de Passagiers Terminal in Amsterdam. Panelleden: Garrie van
Pinxteren (voormalig correspondent China van NRC Handelsblad), Nicholas
Dearden (Amnesty Irrepressible campaign), Jens Damm (Freie Universität
Berlin) en Peter Olsthoorn (Planet Multimedia). Gespreksleidster was
Jolanda Polderman (RTV Noord Holland).
terug naar top |
|