| [an error occurred while processing this directive] |
Boeken Geert Mak over zijn twee liefdes: kranten en boeken ‘Mijn boeken staan stampvol journalistieke foefjes’ Toen de Twin Towers instortten, was zijn eerste reactie: ‘ik moet naar de krant.’ Hij is begonnen bij de krant en zal daar ook eindigen, al moet hij op z’n tanden terugkeren. Toch beleeft hij oneindig veel genoegen aan het schrijven van boeken: ‘Wanneer je ouder wordt, streef je meer naar de langere termijn.’ Geert Mak over journalistiek en schrijverschap. Jacqueline Wesselius Geert Mak begon zijn journalistieke loopbaan bij De Groene Amsterdammer, in de jaren zeventig. Later werkte hij voor NRC Handelsblad en de buitenlandredactie van VPRO-radio. In 1992 schreef hij zijn eerste boek, ‘De engel van Amsterdam’ – al beschouwt hij dat, achteraf, nog niet helemaal als een ‘echt’ boek: ‘Toen had ik het fenomeen boek nog niet helemaal in m’n vingers.’ Een boek schrijven, heeft hij ervaren, vergt een ander ritme, andere technieken dan dag- of weekbladjournalistiek. ‘Het is te vergelijken met een jonge stadsverslaggever die voor het eerst een lang stuk in een bijlage mag schrijven. Een boek schrijven is hetzelfde, maar dan in het groot. Alsof je gewend bent de honderd meter te lopen en vervolgens een marathon gaat doen. Je gebruikt andere schrijftechnieken, je moet je anders organiseren. Je moet het proces zijn tijd gunnen, blokken tijd vrijmaken: niet vijf dagen op de krant werken en dan in het weekend aan een boek schrijven. Je hebt echt een blok nodig van weken achtereen. Het is ongelooflijk veel werk, dat onderschat je altijd als je uit de journalistiek komt. Het is ook niet een kwestie van verzamelen van krantenstukken en er een nietje doorheen slaan. Een boek heeft een eigen ritme, een eigen toon. Het biedt ook veel meer mogelijkheden. In de journalistiek stuit je op grenzen in diepgang en lengte; een boek kent die grenzen niet. Je kunt meer capriolen uithalen, je hebt veel meer vrijheid. Die moet je ook gebruiken, want je moet de lezer blijven boeien. Want die leest weliswaar uit interesse, maar ook ’s avonds in bed. Terwijl een krant onleesbaar zou worden als hij op een mooie non-fictie manier werd volgeschreven. Het leuke van een boek is dat je lezers een bewuste keuze hebben gemaakt, ze hebben het boek gekocht. Een krant is veel algemener. In een boek kun je meer je hobby’s uitleven – al moet je het ook weer niet te gek maken.’ Journalisten zijn gewend aan deadlines. Is het niet eng om ineens geen deadline meer te hebben, of één die ver weg ligt? ‘Er zijn journalisten die zonder deadline op drift raken. Maar journalisten zijn ook vrij punctueel. Uitgevers werken graag met hen: ze zijn op tijd, ze zeuren niet, ze zijn eraan gewend geredigeerd te worden en ze hebben geen kapsones. Journalisten weiden niet uit. Ze zijn getraind om dingen beknopt weer te geven. Daar heb ik ook veel plezier van. Boeken van journalisten hebben daarom vaak een grote kracht: ze babbelen niet. Maar je bent ook getraind op de korte afstand; daardoor kan het iets hijgerigs krijgen. Ik ben nu bezig een reeks stukken om te werken die ik in 1999 voor NRC Handelsblad heb geschreven, over een reis langs Europese steden waar zich belangrijke historische gebeurtenissen hebben afgespeeld. Dat materiaal kan ik maar voor een klein deel gebruiken. De stukjes zijn helemaal gericht op de rechteronderkant van de voorpagina. Als je ze bundelt, wordt de lezer helemaal gek. Er is maar een enkeling van wie de stukjes hun waarde behouden als ze gebundeld zijn. Bij Koos van Zomeren winnen ze dan juist aan kwaliteit, je ziet dan pas hoe ongelofelijk goed ze zijn. Maar over het algemeen moet je er verschrikkelijk mee uitkijken.’ Liepen journalistiek en schrijverschap vroeger niet meer in elkaar over? ‘Tot 1951 was er geen televisie en foto’s waren schaarser. Dat heeft er alles mee te maken. Een journalist schreef zo, dat hij bij de lezer een beeld opriep. Dat hoeft niet meer. Nu hebben alle lezers van je krant de beelden ook gezien. In de situatie van nu heeft men, denk ik, meer behoefte aan analyse dan aan plaatjes. In reportages gaat het er wel om een beeld neer te zetten. Een geschreven reportage kan soms meer belichten dan de televisie. En ook kun je als schrijvend journalist soms komen op plekken die de televisie niet halen, zoals Lieve Joris in Congo. Dat geldt ook voor oorlogsreportages. Daar is absoluut ruimte voor. Kijk naar wat Amerikanen doen: ze gaan ergens heen, vergaren zoveel mogelijk informatie, en vaak lichten ze er dan één figuur uit om de emotie op te roepen. Stukken in de Herald Tribune bevatten soms heel veel emotie en dat staat dan in één alinea, één zin zelfs. Wat daarentegen helemaal niets toevoegt is het ‘repo’tje’: even een repo’tje maken, even wat sfeer tonen. Dat vind ik helemaal niks.’ Je voelt je nog steeds journalist? ‘O ja. Mijn aanpak is journalistiek. Mijn boeken staan stampvol journalistieke foefjes. Ik werk met draaiboeken, dat heb ik geleerd bij de radio. En ik gebruik heel veel documentatie. Ik ga ook altijd naar de plekken toe, ik blijf nooit thuis. Ik schrijf nu eenmaal geen fictie, ook al maak ik gebruik van literaire technieken. Het is een benadering van de werkelijkheid zoals ik die zie. Als ik in “Jorwerd” schrijf over Gais Meinsma, dan bestaat die ook echt. Daar ben ik heel streng in. Ik check alle feiten. Ik maak natuurlijk fouten, maar ik streef ernaar die te voorkomen. Als ik schrijf: het regende die dag, dan regende het ook. Wel comprimeer ik twee, drie gesprekken tot één gesprek, anders zou het niet leesbaar zijn. Maar veel verder ga ik niet. Sommige mensen zeggen: een literaire stijl dwingt tot fictie. Maar mensen maken zulke rare dingen mee en kunnen er soms prachtig over vertellen. Het gekke is dat werkelijke gebeurtenissen vaak het stramien van een roman volgen. Toen Pieter Verhoef de film “De dream” aan het draaien was, heb ik een dag meegelopen. Op een gegeven moment werd er een scène gefilmd waarbij een getuige uit het politiebureau komt. De menigte dringt op en iemand begint te schreeuwen: je hebt het toch gedaan, smerige bliksem! Ik zei tegen Pieter: wat grappig dat je dat ontdekt hebt. Want in mijn familie werd altijd verteld dat een broer van mijn grootvader daar inderdaad een rel had getrapt. Waarop Verhoef zei: die scène hebben we er alleen maar in gevoegd om het drama kracht te geven. Hij wist niets van het verhaal van mijn oudoom. Zo zie je dat de dramatische lijnen van fictie soms precies overeenkomen met de werkelijke gang van zaken.’ Het heeft even geduurd voor je in je boeken ‘ik’ durfde te zeggen. ‘Het duurde wel tot “Jorwerd”. Voor een journalist is “ik” zeggen zoiets als door rood licht rijden voor een treinmachinist. Ik heb met het zweet in m’n handen gezeten, maar het was nodig: er lopen verschillende rode lijnen door het boek en zelf ben je dan ook een structurerend element. Nu, in het boek over de Europese steden, hanteer ik dat met gemak. Dat moet ook, anders hangt het als los zand aan elkaar. Maar iedere journalist – behalve een grote ijdeltuit – heeft daar moeite mee, al is het onzin om helemaal nooit “ik” te zeggen. Dan krijg je van die krampachtige toestanden waarin “waarnemers” worden opgevoerd, terwijl iedereen weet dat de journalist daarmee zichzelf bedoelt. Dan denk ik: hou toch op, ga fietsen. Je moet er wel een zekere eerlijkheid in betrachten. Er zijn eindredacteuren die het “ik” nooit toelaten. Dat is ook een soort vervalsing.’ In je boeken reis je meer door de tijd dan door de ruimte... ‘In “Jorwerd” en vooral het Europa-boek doe ik beide. Dat je je als journalist in de geschiedenis thuis voelt is niet zo gek. De praktijken liggen vlak bij elkaar. Een beetje journalist komt geregeld in de bibliotheek, weet wat documentatie is. Zo’n stapel berichten op je bureau die je iedere dag moet doorploegen…. Boeken en nota’s die je snel moet doorwerken…. Als journalist èn als historicus dien je ervoor te zorgen dat je niet in de feiten verzuipt. Het is niet toevallig dat nogal wat historici journalist zijn geworden en omgekeerd. Ik heb er niet voor doorgeleerd – ik ben een dilettant in alles – maar ook zo kun je een heel eind komen in de geschiedenis. Die disciplines groeien ook naar elkaar toe. Hoewel – bij het Srebrenica-onderzoek van het Niod zie je de boel weer vastlopen. Dan denk je: een beetje goeie journalist had die extra getuigen absoluut gevonden en ondervraagd. Dan zijn historici soms weer te academisch. Ondanks de slordigheden van journalisten vind ik het toch bewonderenswaardig hoe ze in één, twee, drie dagen een beeld kunnen opzetten waar academici twee, drie maanden over doen en dan vaak niet zo heel veel meer te vertellen hebben. Dat wordt op een redactie toch maar in één ochtend in elkaar gestampt.’ Je eerste boek schreef je omdat Emile Brugman, uitgever bij Atlas, het je vroeg…. ‘Ja. Ik zei: ik een boek? Als je me nou…. Ik heb als een kat om de hete brij gelopen. Uiteindelijk is dat ‘De engel van Amsterdam’ geworden. Vooral in het verhaal ‘Het eiland’ heb ik ontdekt hoe stilistische vormen een sfeereffect aan een verhaal kunnen geven. Een schrijver probeert via zijn stijl een extra dimensie in het verhaal te leggen. Je moet nooit schrijven: “Wat een schande” maar de lezer moet het wel denken. De zwervers van het KNSM-eiland vormden zo’n irreële wereld. Een vriend, Hans Maarten van den Brink, zei nadat hij de eerste, meer journalistieke versie had gelezen: “Het verhaal staat op het punt te gaan zweven, het is bijna sprookjesachtig”. Hij wees op een paar details die het net over de drempel zouden kunnen tillen. Kijk, sommige feiten zijn heel belangrijk, maar andere doen er niet zo heel erg veel toe. In die nieuwe versie ging het dus niet meer over “het KNSM-eiland”, maar over “het eiland” en schrijf ik niet: het is 2,5 km lang en 500 m breed, maar: het is een half uur lang en vijf minuten breed. Ook heb ik het niet meer over “de GG & GD-arts, dokter L. van Trigt”, maar over “de dokter”. En opeens kreeg het verhaal een andere twist. En vind je de sfeer terug die op het eiland onder die zwervers heerste. Weird.’ Het is even stil. Dan vervolgt Geert Mak: ‘Het is heel nuttig om goede literatuur te lezen. Niet als je aan het schrijven bent, dat brengt je alleen maar in verwarring. Maar van tevoren. En dan moet je goed op de details letten, op het ritme. Elke oorlogscorrespondent moet Martha Gellhorn gelezen hebben, elke stadsjournalist Alfred Döblin, elke plattelandsjournalist John Berger. En elke journalist moet ook Gustave Flaubert gelezen hebben, en Zola voor de dialogen. En je moet ook heel veel Russen lezen en kijken: hoe lossen zij de problemen op? Met name de negentiende-eeuwse schrijvers zijn belangrijk, omdat ze hun romans vaak als feuilletons in kranten publiceerden en zelf ook dikwijls journalist waren. Literatuur moet je inspireren. Het moet geen na-apen worden van literaire trucs; je moet heel kritisch zijn bij de toepassing ervan. Het heeft heel lang geduurd eer ik mezelf daarin vond. En nu nog heb ik twijfels. Ik ben een heel strenge redacteur voor mezelf.’ Schrijf je nog wel eens in de krant? ‘Ik heb er nu niet veel tijd voor. Maar ik ben begonnen bij de krant, ik wil er ook eindigen. Al moet ik op mijn tanden terug. De krant is mijn thuis, het is het enige waar ik verstand van heb. Toen die vliegtuigen in de Twin Towers vlogen, was mijn eerste reactie niet: ik moet naar m’n vrouw en kinderen, maar: ik moet naar de krant. Ik heb het niet gedaan, want ik had er niets te zoeken. Maar toch, het instinct…’ Denk je dat je nog eens over heel andere onderwerpen zou kunnen schrijven dan je tot nu toe gedaan hebt? Een biografie, bijvoorbeeld? ‘Dat is mogelijk. Ik denk ook wel eens aan onderwerpen als de beurs, met alles wat daar nu gaande is. Beurshandelaren zijn gekke mensen, hoor. De Angelsaksische literatuur behandelt dat soort onderwerpen, die vind je dan bijvoorbeeld terug in het literaire tijdschrift Granta. Ik weet het nog niet. Ik zie wel wat er langskomt. Voorlopig ben ik nog heel geconcentreerd bezig met dat Europa-boek, daar ben ik nog wel even mee zoet. Daarna zie ik wel weer. Misschien ga ik ook weer veel meer journalistiek werk doen. Als je boeken schrijft, heb je iets minder de neiging je in het gekakel van alle dag te mengen. Ik denk dat heel veel journalisten dat sowieso hebben als ze ouder worden: het langere termijn denken. Je kijkt het eerst even aan. Dingen als primeurs worden dan relatief. Hoewel – als je iets net even eerder hebt dan Het Parool, dat blijft altijd leuk. Die pipse gezichten in de Wibautstraat…. Maar het is meer een soort sport, je legt je ziel en zaligheid er niet meer in. Weet je, iedere journalist zou een paar keer in zijn loopbaan “aan de andere kant” moeten staan, niet in de rol van iemand die schrijft maar van iemand waarover geschreven wordt. Ik kan je verzekeren: dat is, zachtjes uitgedrukt, een zeldzaam interessante ervaring. Je praat met een collega. Je denkt: die journalist wil weten wat er aan de hand is. Niks hoor, hij wil alleen maar weten hoeveel adrenaline hij aan een bepaalde gebeurtenis kan onttrekken. Meestal wordt er netjes gewerkt hoor, maar soms vraag ik me werkelijk af met wat voor vak ik me de afgelopen kwart eeuw heb beziggehouden.’ Raken recensies je wel? ‘Een slechte recensie werkt bij mij, laten we zeggen, tussen de twaalf en vierentwintig uur door. Het is niet zo dat ik daardoor zes weken van slag ben. Het maakt ook wat uit wie het schrijft, of iemand argumenten heeft. Goede recensenten komen op dilemma’s waar jij ook over hebt nagedacht en die je met reden op een bepaalde manier hebt opgelost. Soms krijg je kritiek van mensen die een ander boek hebben gelezen dan jij geschreven hebt. Soms snijdt kritiek hout, soms is het een kwestie van smaak. Dan denk ik: het is net als bij een koekjesbakker in een dorp; 80 procent van de dorpelingen vindt mijn koekjes lekker en 20 procent vindt ze niet te vreten. Daar zal ik de mensen niet op aankijken. Een beetje polemiek vind ik trouwens wel leuk. Hoe dan ook houdt de kritiek me gespitst, ik sluit me er niet van af. Maar soms denk ik: ach, klets maar een eind weg, doe het zelf eens. Elke criticus moet ten minste één keer in zijn leven een boek geschreven hebben, dan weet hij hoe lastig het is. Dan nog kun je hard oordelen, maar dan doe je het wel anders. Ik zie sommige critici boeken neertrappen op een manier dat ik denk: dat kun je niet maken.’ Je bekleedt nu ook de Wibautleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam. Wat houdt dat hoogleraarschap precies in? ‘Zowel de stad Amsterdam als de Universiteit zijn gulzige instituties, die tijd vreten. Er zijn honderden, nee duizenden mensen die je voor hun karretje willen spannen. Als je niet oppast, word je gebruikt als merknaam. Het is niet altijd gemakkelijk om nee te zeggen. In het begin ben je als een jarig jongetje dat langs de cadeautafel loopt. En voor je het weet, zit je agenda dichtgetimmerd. Iedere succesvolle auteur wordt vroeger of later geconfronteerd met een samenzwering die erop uit is om je nooit meer te laten schrijven. Je wordt ook gebombardeerd tot expert in alles, de Twin Towers, de Taliban, overal wil men je over interviewen. Ik ben dat heel systematisch gaan afhouden. Het is totale onzin, luiheid van journalisten die alleen nog op bekende namen afgaan. Je loopt het risico terecht te komen in een circuit van gewichtigdoenerige mensen die voor veel geld lezingen geven en in feite lucht verkopen – als de keizer zonder kleren. Ik ben door schade en schande een beetje wijs geworden. Je moet vreselijk alert blijven. Ook ten aanzien van je onafhankelijkheid. Er zijn ook steeds meer circuits waarin je als opposant niet hoort rond te lopen. Als hoogleraar heb ik net genoeg afstand. Het kan, maar het moet geen centimeter verder gaan. Neem die lezing voor Máxima. Het verzoek was logisch en ik had geen reden om nee te zeggen. Ik had er ook heel duidelijke ideeën over. Ik dacht: ik probeer uit te spreken wat men daar in de stad ongeveer over voelt. Maar het zou een kleine bijeenkomst zijn. Toen het zo’n hype werd, dacht ik: waar ben ik in beland? Ik probeer te voorkomen dat ik voor karretjes word gespannen. Ik probeer het, maar ik zal er nog wel eens intrappen. Vorig jaar maakte ik een kleine crisis door. Ik dacht: ik word uit m’n stiel weggezogen. Het was een soort rouwproces, dat pas de afgelopen zomer voorbij was. Nu voel ik me weer lekker. Ik ben weer gewoon aan het schrijven.’
|