[an error occurred while processing this directive]
[an error occurred while processing this directive]   Boeken

Journalisten als amateur-historici
'De adem is langer'
Al het nieuws heeft een voorgeschiedenis. Daarom horen historisch getinte nieuwsanalyses en reconstructies tot het normale journalistieke handwerk. Sommige journalisten gaan nog een stap verder en wagen zich aan echte geschiedschrijving. Dat levert soms originele boeken op. Maar hoed u voor de valkuilen.

Piet Hagen

Het leek een mooi staaltje van journalistiek-historisch speurwerk: Philip Dröge dook in recent vrijgegeven materiaal van het Bureau Nationale Veiligheid en kwam in zijn boek 'Meesterspion' met onthullingen over de rol van prins Bernhard in de zaak King-Kong. Verschillende media brachten het nieuws prominent.
Toen kwam de kater. Historici verweten Dröge onvolledig en onkritisch brongebruik. In De Journalist kraakte collega-journalist en Bernhard-vorser Arthur Maandag diens boek genadeloos. In een reactie verdedigde Dröge zich met het argument dat hij wel degelijk nieuwe feiten aan het licht had gebracht.
Het voorbeeld illustreert dat historisch werk van journalisten aan zwaardere eisen moet voldoen dat het gemiddelde journalistieke stuk. Kan het in een dagblad of tv-rubriek voldoende zijn om één tot dan toe onbekend feit te publiceren, in een historisch boek wordt een weging van verschillende bronnen verwacht.
Kunnen journalisten het historisch speurwerk dan beter overlaten aan beroepshistorici? Nee, want soms levert de argwanende houding van journalisten interessante boeken op, vooral als zij onderwerpen behandelen die historici laten liggen.

Gerard Mulder, nu adjunct-hoofdredacteur van HP/De Tijd, heeft inmiddels een hele serie historische boeken op zijn naam staan: over de teloorgang van Het Vrije Volk, het leven van H.M. van Randwijk en de geschiedenis van Het Parool. Hij wordt door historici geroemd vanwege zijn gedegen bronnenonderzoek. Ook Jan Blokker, journalist met een grote liefde voor de geschiedenis, roemt zijn werk: 'Mulder nam de tijd om jaren onderzoek te doen. Veel journalisten brengen die discipline niet op.'
Blokker verwijst naar Amerikaanse voorbeelden als David Halberstam die niet alleen uitblinken door een goede stijl maar ook door gedegen research. Ook in Engeland ziet hij voorbeelden van journalisten die op het juiste moment ruiken dat er interessante archieven opengaan. 'Al zullen ook in die landen veel snelgemaakte pulpboeken verschijnen over onderwerpen als 11 september.'
Dat ook in Amerika gerenommeerde journalisten zich wel eens vertillen aan historisch werk, bewees Bob Woodward (van het Watergate-koppel Woodward & Bernstein) met zijn boek over president Clinton. Wijlen historicus Hans Righart ergerde zich er aan dat Woodward deed alsof hij onder het presidentiële bed had gelegen. Veel 'feiten' waren niet onderbouwd. Woodward miskende de positieve kanten van Clinton.
Amerika-correspondent Maarten Huygen had soortgelijke kritiek: 'Woodwards procédé is altijd hetzelfde. Zijn boeken bevatten weinig analyse, maar geven in een doorlopend verhaal de neerslag van honderden interviews met de betrokken personen. De verhalen, anekdotes en overpeinzingen vormen het ruwe materiaal voor de historici.'
Het voorbeeld laat zien hoe moeilijk contemporaine geschiedschrijving is. De gebeurtenissen zijn nog vers en er zijn veel gekleurde verhalen in omloop. Het is moeilijk om via oral history de waarheid vast te stellen zo lang essentiële archieven niet openbaar zijn.
Toch zijn er ook voorbeelden van journalistieke geschiedschrijving waarin oral history wel veel oplevert. Een van de bekendste voorbeelden is Kees Slagers boek 'De ramp', een reconstructie van de watersnoodramp in 1953, waarvoor hij niet alleen archieven indook, maar ook met 250 ooggetuigen sprak. Zo kon hij niet eerder gepubliceerde feiten achterhalen.

Voor Ben van Kaam, oud-redacteur van Trouw en auteur van enkele historische boeken, ligt contemporaine geschiedschrijving in het verlengde van hun normale werk. 'Je wilt weten hoe iets zo gekomen is en gaat terugzoeken. Vaak ontdek je dan dingen die historici laten liggen. Het past niet in hun onderzoeksprogramma, het ligt te gevoelig omdat mensen nog leven, het komt hun niet uit omdat ze straks geld voor nieuw onderzoek moeten verwerven. Journalisten zijn argwanend, niet gewend autoriteiten op hun woord te geloven, als het goed is hebben ze lak aan heersende meningen.'
Gerard Mulder voldoet aan dat signalement. Ook hij vindt contemporaine geschiedschrijving het meest voor de hand liggende jachtterrein. Het boek dat hij over de ondergang van Het Vrije Volk schreef was voor hem een kwestie van 'debunking'. 'Er bestonden nogal wat mythes over de socialistische pers. Maar de werkelijkheid was anders. Er was een sfeer van betutteling door apparatsjiks.'
Ook de biografie van H.M. van Randwijk, hoofdredacteur van het ondergrondse Vrij Nederland, had iets van ontmythologisering. 'De illegaliteit werkte onder extreme spanning en heeft bewonderenswaardige dingen gedaan. Maar als je leest wat ze schreven was er ook een krankzinnige zelfoverschatting. Alsof die paar mensen onderling uitmaakten hoe Nederland er na de bevrijding moest uitzien.'

Journalisten hebben vaak een iets andere werkwijze dan historici, zegt Mulder. 'Historici zijn theoretisch geschoold en gaan methodisch te werk. Journalisten gaan eerst eens praten met de mensen die nog in leven zijn en hebben oog voor petite histoire. Natuurlijk moeten ze al doende ook methodisch te werk gaan, kritisch met hun bronnen omgaan en een theorie ontwikkelen over hoe en waarom iets is gebeurd. Misschien realiseren journalisten zich niet altijd hoeveel tijd historisch onderzoek vergt. Je moet wel zitvlees hebben. Maar uiteindelijk is er geen verschil. Je hebt goede en slechte geschiedschrijving, of het nu historici of journalisten zijn.'
Chris van der Heijden, onder andere auteur van het boek 'Grijs Verleden' over de Tweede Wereldoorlog, zegt zelf als historicus niet anders te werken dan als journalist. Bij historische boeken is de adem wel langer dan bij journalistieke artikelen. Maar verder? 'Ik houd van goede research. Maar ik houd ook van een mooi opzet en een fraaie zin. Ik probeer het te combineren, wat ik ook doe. Een verschil is wel dat ik als historicus bewust met een theorie kom; als journalist ben ik meer observator, bijvoorbeeld van de theorieën van anderen.'  

Frans Smits, hoofdredacteur van het Historisch Nieuwsblad, constateert dat journalisten soms onderwerpen aanpakken die historici laten liggen. 'Neem agrarische geschiedenis. Tal van mensen werken daaraan in Wageningen. Maar Geert Mak heeft in 'Hoe God verdween uit Jorwerd' een goed beeld geschetst van de ontwikkeling van het platteland, soms iets te nostalgisch en te literair, maar wel heel leerzaam. Nog beter vind ik 'De Graanrepubliek' van Frank Westerman. Allebei boeken waar beroepshistorici jaloers op kunnen zijn. Journalisten zijn misschien minder theoretisch aangelegd, maar weten wel een ingewikkeld verschijnsel bloot te leggen en zien soms verschijnselen die vakmensen over het hoofd zien. Ook Ad van Liempt heeft daar een neus voor. Denk aan zijn nieuwste boek 'Kopgeld', over jodenjagers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Of aan zijn onderzoek naar de excessen tijdens de Politionele Acties.'

Geert Mak, een van de weinige journalisten die het lukt van historische boekenschrijverij te leven, ziet zelf wel verschillen tussen journalisten en beroepshistorici. 'Journalisten zijn meer productgericht, ze werken sneller, laten zich minder afleiden door details. Ze zijn gewend een verhaal te vertellen, betreden vaker nieuwe paden, zijn meer geneigd tot oral history, zijn minder bang voor gevestigde meningen. Een nadeel is dat ze soms minder geduld hebben en slordiger zijn. Als je dat merkt, moet je dat euvel bestrijden.'
Volgens de Amsterdamse hoogleraar geschiedenis Piet de Rooy zijn journalistiek en geschiedenis geen compleet gescheiden 'disciplines'. 'Een beroepshistoricus zal meer voetnoten geven en wil graag door andere historici gewaardeerd worden, maar voor het overige zijn er geen principiële verschillen. Uiteindelijk gaat het om de kwaliteit van het werk. Bij journalisten als Westerman en Elsbeth Etty (biografie van Henriette Roland Holst) zou ik niet gaan millimeteren over de aard van hun disciplinaire kwaliteiten.'

Sierk Plantinga (Nationaal Archief):
'Kijk uit voor te makkelijke conclusies'
'De verhalen liggen hier voor het opscheppen', zegt archivaris Sierk Plantinga van het Nationaal Archief. Omdat journalisten daar vaak geen weet van hebben, is het archief de laatste tijd actiever met voorlichting, vooral over nieuwe archieven die binnenkomen.
Plantinga: 'De reconstructie is een mooi genre op de grens van journalistiek en geschiedenis. Maar ook het iets verdere verleden, bijvoorbeeld de dekolonisatie, is een terrein waarop nog veel te halen is.'
Volgens Suzanne Barbier van de afdeling communicatie weten steeds meer journalisten het Nationaal Archief, gelegen naast het Centraal Station in Den Haag, te vinden. Via persberichten en via de website (www.nationaalarchief.nl) worden zij attent gemaakt op interessante archieven, zoals die van de politici Van Aardenne en Wiegel of van de ambassade van Israël. En natuurlijk is het even opletten als er termijnen verstrijken, waardoor tot dan toe gesloten archieven opengaan. Zo zijn de notulen van het kabinet na 25 jaar openbaar. Als het om archieven van of over personen gaat die nog in leven zijn, is toestemming van de betrokkenen vereist, al is het wel zo dat bij hooggeplaatste personen eerder toestemming wordt gegeven volgens het principe dat hoge bomen meer wind vangen.
Plantinga: 'Journalisten komen met vragen als ze achtergronden willen weten bij het nieuws. Niet heel frequent, maar toch wel tientallen keren per jaar. Er zijn ook journalisten die min of meer vaste klant zijn, zoals Ad van Liempt van Andere Tijden. Vroeger kwam Han Hansen van de Volkskrant geregeld langs om te horen of er nog nieuwe aanwinsten waren.'
Journalisten als Van Liempt doen volgens Plantinga niet onder voor beroepshistorici. Maar hij waarschuwt minder ervaren journalistieke speurders wel voor te gemakkelijke conclusies. 'Journalisten zijn gewend snel te zoeken en snel te scoren. Dan bestaat het gevaar dat je een geďsoleerd feit uitvergroot. Terwijl het er om gaat gebeurtenissen in hun context te plaatsen.'

 

 
[an error occurred while processing this directive]