|
|
|
|
Home | Abonneren | Adverteren | Colofon | Deadlines | Agenda | Jaarindexen | Villamedia | NVJ |
|
|
OMSLAGARTIKEL De internetjournalist heeft zich ontwikkeld van ‘hobby-Kuifje’ tot serieuze collega. Maar dreigt hij niet te worden ingezet om de traditionele en duurdere journalist van de ‘oude media’ te vervangen? Frans Oremus
Behalve
de meteropnemer en de textielwerker heeft ook de journalist in de
eenentwintigste eeuw geen al te beste vooruitzichten. Deze voorspelling
staat in het
Occupational Outlook Handbook 2006-2007
van het Amerikaanse ministerie van Arbeid (Labor Department).
Mediabedrijven zullen steeds meer redacties samenvoegen, aldus het rapport
– ondanks het feit dat de exploitatie van nieuws verder zal toenemen. Het
rondpompen dus van minder nieuws via steeds meer platforms. Gegenereerd
door een afnemend aantal redacteuren, die deels worden vervangen door
freelancers en goedkoper personeel.
Onderzoek (uit 2006) van de
Radboud Universiteit Nijmegen en de NVJ
laat zien dat de internetredacteur meestal een man (70 procent) is, die
over het algemeen redelijk hoog is opgeleid en goed – in veel gevallen
volgens een journalistieke cao – wordt betaald. Zijn leeftijd ligt tussen
de 30 en 50 jaar. De werkzaamheden bestaan grotendeels uit het bewerken
van nieuws, dat soms wordt aangevuld met beeld en geluid en relevante
links. Het zelf genereren van nieuws of het lichten van tegels via
onderzoeksjournalistiek is geen gemeengoed. Al zijn er uitzonderingen: één
van de beroemdste internetprimeurs – de Lewinsky-affaire – kwam van de
Amerikaanse webreporter Matt Drudge, die hiermee waarschijnlijk de
baanbrekende beslissing forceerde ook het Starr-report (vernoemd naar
Clintons aanklager) als eerste via internet naar buiten te brengen. ‘Nu.nl heeft als eerste in Nederland laten zien wat de kracht is van het rondpompen van headlines. Teletekst met plaatjes. Het is vaak gekopieerd.’ Aan het woord is Laurens Verhagen, hoofdredacteur van een van de grootste nieuwssites van Nederland, gemaakt door vier vaste webredacteuren en enkele freelancers. Volgens hem is er sprake van een geleidelijke evolutie; nieuwssites voegen steeds meer exclusieve content toe. ‘Zoals de mooie, rechtstreekse input van de lezer. En nieuws op het terrein van ICT en entertainment, of een primeur via het web zelf. Via Alarmeringen.nl meldden wij de brand in het Armando Museum in Amersfoort als eerste. Een toevalstreffer.’ Volgens Verhagen is het gebrek aan exclusief nieuws ‘over de hele breedte’ een gevolg van de algemene zucht naar snelheid; ‘eigen nieuwsgaring kost nu eenmaal tijd’. Nu.nl onderhoudt haar netwerk vooral via internet, maar gaat wel naar de persconferentie van Microsoft. ‘Maar het heeft voor ons geen zin een eigen verslaggever in Den Haag te hebben.’ Koen Kleijn, tijdelijk hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, is minder van het ‘rondpompen’. De redactie telt één webredacteur, die voornamelijk stukken van anderen online zet, maar zelf geen journalistiek bedrijft. De Groene gebruikt haar site als archief (alle artikelen uit de periode 1877-1940 en van na 1994 zijn gedigitaliseerd) en ‘overloop’ voor de productie die niet meer in het blad past. Maar ook weblogs van redacteuren en medewerkers – zoals die van Afghanistan-correspondent Joeri Boom – krijgen volop ruimte. De Groene-site wordt, als het aan Kleijn ligt, in de toekomst uitgebouwd tot het voornaamste platform van de ‘geïnformeerde mening’. De intellectuele tegenhanger van GeenStijl, ‘die ontbreekt nog in Nederland’.
Bij
Elsevier heeft de site wéér een andere functie en de webredactie dus ook.
Volgens Elsevier-hoofdredacteur Arendo Joustra (‘we hebben de best
bezochte site van alle tijdschriften in Nederland’) zijn door de komst van
internet álle journalisten meer dan vroeger aan hun bureau gekluisterd.
‘Het is een algemene tendens; je kunt overal naar toe surfen zodat je je
fysiek gewoon minder hoeft te verplaatsen. Er valt over te filosoferen of
dit een goede ontwikkeling is.’ Hoofdredacteur Harm Taselaar van RTL Nieuws probeert zijn nieuwssite, waar vijf vaste webredacteuren zitten, juist meer als zelfstandig medium te beschouwen. ‘Natuurlijk is het afgeleid van televisie, onze core business, maar het komt steeds vaker voor dat we aparte items voor de RTL nieuwssite maken: achtergronden, interviews en recent exclusieve foto’s van Willem Alexander en Máxima in Bhutan.’ Taselaar gelooft niet dat internet en televisie ooit geheel in elkaar opgaan. ‘Internet heeft toch aparte wetten; je kunt niet alles één op één overzetten.’
Volgens
vice-voorzitter Eric van Heeswijk van de NVJ is het nog te vroeg om te
kunnen beoordelen hoe webjournalistiek zich zal ontwikkelen. Het onderzoek
van de Radboud Universiteit en de NVJ is ‘een eerste vingeroefening’
geweest om enig inzicht hierin te krijgen. ‘Het is een sterk innoverende
sector, waarin je nog niet teveel moet willen reguleren.’ Zo heeft een
groot aantal websites geen eigen redactiestatuut, of soms zelfs helemaal
geen. Sanoma Uitgevers, dat voor zijn printuitgaven wel redactiestatuten
kent, heeft als algemeen beleid voor webuitgaven geen statuten op te
stellen. Van Heeswijk: ‘Uit het onderzoek blijkt dat webjournalisten daar
zelf wel zwaar aan tillen. 80 procent zegt onder een statuut te willen
werken.’
Één journalistieke CAO
Occupational Outlook Handbook (US Labor
Department) |
|