Voor
de elektronische versie van
De
Journalist Agenda 2008 klik
hier (iCal).
Voor de geregeld aangepaste Google-versie,
klik hier:
Voor suggesties en aanvullingen:
mail naar
info@dejournalistagenda.nl
Veel journalisten
hebben zich al geconformeerd aan die ‘eis’ – soms zelfs een échte eis van
werk- of opdrachtgever. Ze bloggen of hun leven ervan afhangt.
Thomas Erdbrink in Teheran (NRC) is er één van. Hij schrijft bijna elke dag, en
krijgt veel reacties. Geen wonder: zijn nieuws-achter-het-nieuws, vaak
vermengd met verhalen over zijn kleurrijke Iraanse schoonfamilie, geven
een leuk inkijkje in zijn ‘keuken’. Ook GPD-correspondenten
Remco Reiding
in Moskou en
Marloes de Koning en Werner Bossmann in Belgrado – wier
bureaubelgrado.nl vorig jaar in Berlijn werd uitgeroepen tot beste
Nederlandse weblog – bloggen er op los, evenals onze eigen correspondente
Runa Hellinga (ook Trouw) in Boedapest. De een ‘post’ wat vaker dan de
ander, maar allemaal proberen ze iets van zichzelf te laten zien.
Dat is wat een weblog moet toevoegen: het persoonlijke. Het ik. Want het
internettijdperk valt samen met het ik-tijdperk. Ik, lezer, consument,
stel mijn eigen selectie samen uit het giga-aanbod op het web. En ik
reageer op jou – en andersom. Zo kunnen (discussie)groepen ontstaan,
aangeduid als ‘communities’: mensen die iets gemeen hebben: van een ziekte
tot vliegvissen tot fuchsia’s kweken. Op ons eigen gebied kan het gaan om
politieverslaggevers of onderzoeksjournalisten, of desnoods om
filmrecensenten gespecialiseerd in horrorfilms voor 60-plussers. You name
it.
Elk thema is denkbaar. En of dat nu twee, honderd of drieduizend mensen
raakt, doet er niet toe. Waar het lastig zou zijn een papieren medium te
vinden om deze groep te binden, is internet ideaal. Op dezelfde manier kan
ook iedereen het ‘nieuws’ consumeren dat hem of haar interesseert, en ook
nog eens in de gewenste vorm (letters, beeld, geluid, met of zonder Google
Earth...) en op het tijdstip dat het beste uitkomt. Aan een bericht of
‘posting’ hecht je desgewenst een ‘tag’, een soort label om dingen te
archiveren en weer terug te kunnen vinden. En zo kun je een heel dossier
samenstellen, voor eigen of collectief gebruik.
Geniaal.
Tot zover is iedereen het eens.
Maar dat houdt op zodra het over de toekomst gaat: niet alleen de toekomst
van de ‘traditionele’ (in het bijzonder: papieren) media, maar ook en
vooral die van de journalistiek. Wat moeten we bijvoorbeeld met het begrip
‘burgerjournalistiek’? Is dat journalistiek voor of door
niet-journalisten? Civic journalism – de eerste variant – of civil
journalism – de tweede? En in het verlengde hiervan: wat zijn voor
fotografen de gevolgen van al die met mobieltjes gemaakte amateur-foto’s
die iedereen maar op het net smijt en die soms nieuwswaarde blijken te
hebben? We hebben deze discussie al dikwijls gehad – maar eruit zijn we
nog lang niet. Zoals we ook nog niet weten wat we moeten met berichten
over de dorpspomp in Lutjebroek of met een onscherpe foto van een
wethouder die in de poep trapt. Is dat ‘journalistiek’? Kan ‘iedereen’
zich in de toekomst ‘zomaar’ journalist gaan noemen? Waar dienen al die
opleidingen dan voor?
Sinds enkele jaren –
2002, om precies te zijn – worden journalisten gemaand om toch vooral met
hun ‘poten in het bluswater’ te gaan staan. Onderwijl zit Pietje Puk in
pyjama op zijn zolderkamertje op te tikken wat hij hoorde van tante Fietje,
die het weer heeft van Ome Rinus, die het opving bij de sigarenboer.
Pietjes bericht wordt overgenomen door een
Volkskrantblogger, en een brede
discussie barst los. Hart van Nederland stuurt een televisieploeg, waarna
Vier in het Land niet achter kan blijven en het bericht – of wat er van
over is – bereikt tenslotte het Acht Uur Journaal. Waarop blijkt dat Ome
Rinus doof is en tante Fietje dement.
Waar gaat het
allemaal heen? Mark Deuze en
Henk Blanken, van wie pas het boek ‘PopUp’ verscheen, weten
het wel: via analyses van de maatschappelijke ontwikkelingen én van de
(massa)media gedurende de laatste drie decennia, concluderen zij dat – om
met de door hen geciteerde socioloog Zygmunt Bauman te spreken – ‘het
leven van de mens een snackbar (is): niets lijkt langer dan een dag
houdbaar.’ Alles verandert voortdurend. Mensen – vooral van de
‘Yahoo-generatie’ – doen een tijdje dit, een tijdje dat, een studie zo,
een stage zus, enzovoorts. In navolging van Bauman – die deze
veranderlijke samenleving ‘vloeibaar’ noemt – introduceren Deuze en
Blanken het begrip ‘vloeibare journalistiek’. De gebruiker is tevens (mede-)maker:
Wikipedia is een goed voorbeeld van deze ‘vloeibaarheid’, maar denk ook
aan de lokale sites van een regionaal blad als
Tubantia, waarop inwoners
zelf nieuws (en foto’s en filmpjes) kunnen plaatsen. Er zijn tegenwoordig
meer van dit soort initiatieven, zoals het ‘lezersplein’ van het AD of
‘Trouw in de buurt’ – voor, inderdaad, plaatselijk nieuws, dat door middel
van een kaart ook daadwerkelijk gelokaliseerd wordt. Heel veel heeft de berichtgeving-van-om-de-hoek (nog) niet om het lijf. De Tubantia-sites
zijn vooral prikborden, met minder berichten van ‘burgers’ dan van de
plaatselijke politie, de voetbalclub, of de gemeente. Veel opmerkelijker
is de grote vlucht van alle discussiefora op internet. Niet alleen in de ‘blogosphere’,
ook op sites van ‘traditionele’ media. Meestal met een moderator die het
kaf van het koren scheidt, maar in een enkel geval – zoals bij het Britse
The Guardian – zonder.
Natuurlijk, kranten
– en in mindere mate omroepen – hadden altijd al contact met hun lezers of
luisteraars. Vroeger gold: hoe kleiner of specifieker de club, hoe groter
de respons. Vara-leden hadden van oudsher meer een clubgevoel dan die van
de Avro en reageerden dus makkelijker. Kranten als Het Parool, Het Vrije
Volk of Trouw waren door hun oorsprong nauw verbonden met hun lezers –
veel meer dan, in de jaren ’60 al, de Volkskrant – en die voelden zich
niet ‘abonnee’, maar ‘lid’. Als ze iets kwijt wilden, belden ze hun ‘club’
vaak gewoon op. Hetzelfde gold voor regionale kranten. Nu is echter bij
alle media, ook de ‘grote’, de ‘onpersoonlijke’ zoals de NOS, de drempel
voor reacties een stuk lager geworden. Bevalt iets niet (of juist heel
erg)? Eén klik en je reactie staat erop. En je discussieert met de ‘grote
jongens’ mee.
Dát zal zo gauw niet
weer verdwijnen. Maar in hoeverre beïnvloedt dat de journalistiek? Twee
opmerkingen in dat verband. Ten eerste is het altijd een klein clubje dat
zich in de discussies mengt. Zowel op de publiekssites als daar waar
journalisten onderling debatteren. Theo Dersjant, een van de motoren
achter
De Nieuwe Reporter, schrijft ‘een grote invloed’ toe aan ‘social newssites als
Reddit.com en
Digg.com. (…) Maar bij bijvoorbeeld Digg, met
900.000 geregistreerde deelnemers, bleken in een drie weken durend
onderzoek slechts dertig (!) burgerjournalisten verantwoordelijk voor
eenderde van alle postings.’ Trouw heeft ook zo’n onderzoekje gedaan en
kwam tot dezelfde conclusie.
De tweede constatering is dat er hier en daar een soort internetmoeheid
lijkt op te treden. Zowel bij surfers van het eerste uur als bij jonkies
van rond de twintig. En bij alles daar tussenin. Ze melden zich niet meer
aan bij hun messenger, zijn het bloggen beu en laten soms zelfs de e-mail
voor wat-ie is. En ze gaan lekker op een terras zitten (met een krant!) of
desnoods in een zaaltje om fysiek te debatteren met levende mensen. Weg
van de virtuele wereld! Is het een trend? Een contra-trend? Wie zal het
zeggen?
Er zijn er die
precies weten hoe de toekomst eruit ziet. Volgens sommigen zal er ‘altijd’
een plek zijn voor ‘de’ krant – de papieren krant. Theo Bouwman,
oud-topman van PcM, is er één van. Anderen – onder wie Deuze en Blanken –
weten even zeker dat de papieren krant gaat verdwijnen – op de lange duur,
dat wel, als de jaarlijkse oplagedaling (zo’n drie procent) gelijk blijft.
Maar een tegen-trend bestaat ook hier, in de vorm van de gratis kranten en
vooral nrc.next. Soms kan dus ook een ‘traditioneel’ medium aanslaan. Maar
wat is eigenlijk ‘traditioneel’? De ‘media’ zoals we die kennen, bestaan
nog niet zo lang. Radio is nog geen eeuw oud, televisie in de huiskamer
amper een halve eeuw. En de kranten in hun huidige verschijningsvorm (en
oplagen!) zijn ook vooral een naoorlogs verschijnsel.
En de journalistiek?
Journalisten waren er al in de 19e eeuw. Zij deden maar wat. De eerste
lichting van de oudste School voor Journalistiek in Nederland studeerde af
in 1966. De professionalisering van journalisten is dus iets van de
laatste decennia. Maar terwijl de opleidingen steeds meer en beter
opgeleide journalisten afleveren, verdwijnen er meer en meer banen. En is
er steeds meer sprake, niet van ‘nieuws’, maar van ‘content’, aangeleverd
door ‘gebruikers’ – journalisten lijken overbodig te worden. ‘De mensen
kunnen het zelf wel af’, zegt Blanken. ‘Kijk maar naar de news groups waar
ze elkaar informatie verschaffen. En of dat nou journalistiek is of niet,
interesseert ze niet.’
Toch zien hij en mede-auteur Deuze nog wel een toekomst voor journalisten
– op voorwaarde dat zij bepaalde regels in acht nemen. Waarbij die van
transparantie en betrouwbaarheid misschien de opmerkelijkste zijn – in een
tijd waarin elke chatter zich voor een ander kan uitgeven, en iedere gek
‘nieuwtjes’ de wereld in kan sturen zonder op de vingers te worden getikt.
Hoewel – die professionaliteit, die we zelfs op internet nog nodig
schijnen te hebben en die ons onderscheidt van de ‘burgers’, kon wel eens
het verschil maken.
Toch, in het Franse Rijsel, waar net de
Internationale Assisen van de
journalistiek zijn gehouden, verrees het spookbeeld van ‘een wereld zonder
journalisten’, dankzij de internet-doe-het-zelvers. Geen wonder dat bijna
alle journalisten, blijkens een onderzoek, ‘burgerjournalistiek’ afwezen.
En slechts iets meer dan de helft stond positief tegenover het
blog-verschijnsel. Het publiek, van zijn kant, gaf aan meer reportages en
achtergrond-informatie te wensen en ook meer (lokaal en regionaal) nieuws
op internet. En meer kwaliteit en diepgang. In een ander onderzoek zei een
meerderheid van de ondervraagden ‘de’ media niet te vertrouwen, maar de
journalisten zelf waren overtuigd van hun eigen kwaliteiten (68 procent).
Minder dan één op de drie gaf toe wel eens iets verkeerd te doen – en dan
nog vooral uit tijdgebrek.
Misschien is dát het probleem. Misschien moeten we bescheidener worden.
Online of offline.
terug naar top