Dossiers
Persrichtlijn 2008
In maart 2008 kwam een nieuwe persrichtlijn uit.
De inleiding:
De gerechten stelden in 2003 een gezamenlijke persrichtlijn vast met regels die de gerechten hanteren ten aanzien van de pers. Binnen de rechtspraak is in de loop van de jaren echter het denken over de taak van de pers in relatie tot de openbaarheid van rechtspraak veranderd. Bovendien is de juridische grondslag van de persrichtlijn 2003 vanuit wetenschappelijke hoek betwist. Een herziening was noodzakelijk.
Terechtzittingen hebben in beginsel plaats in het openbaar. Het doel van deze openbaarheid is onder meer het mogelijk maken van controle op het werk van rechters, offi cieren van justitie en advocaten. Omdat de meeste burgers voor hun beeld van de rechtspleging afhankelijk zijn van berichtgeving in de geschreven pers en op radio en televisie, fungeert de pers als intermediair tussen het gerecht en het grote publiek. De gerechten dienen de pers in staat te stellen deze taak te vervullen.
Deze nieuwe richtlijn biedt aan de medewerkers van de gerechten – en daarmee aan de pers – inzicht in de belangen die bij de openbaarheid van rechtspraak spelen en hoe en door wie die belangen worden afgewogen. De richtlijn schept voorts duidelijkheid over wat de pers van de medewerkers van de gerechten mag verwachten en hoe de gerechten de pers behoren te voorzien van informatie voorafgaande, tijdens en na rechtszaken. Tevens wordt een aantal praktische zaken uitgewerkt.
In deze persrichtlijn zijn nieuwe inzichten betrokken zoals die onder meer voortvloeien uit de ‘Declaration’ van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 10 juli 2003 en de ‘Recommendation’ van 24 juni 2004 van het Comité van ministers van de Raad van Europa betreffende “the provision of information through the media in relation to criminal proceedings” (Recommendation Rec 2003, 13).
De belangrijkste verschillen ten opzichte van de richtlijn 2003 zijn:
• de persrichtlijn richt zich tot de medewerkers van de gerechten en geeft aan
wat de pers van de gerechten mag verwachten;
• het gratis beschikbaar stellen van rollijsten aan journalisten;
• het uitbreiden van de opnamemogelijkheden voor radio en televisie;
• een verplichte motivering als de rechter afwijkt van deze richtlijn.
Openbaarheid in verdrag en Grondwet
Openbaarheid van rechtspraak is een fundamenteel rechtsbeginsel. Het doel van openbaarheid is onder meer het mogelijk maken van controle op de rechtspleging van buitenaf. Het rechtsbeginsel van openbaarheid van rechtspraak ligt vast in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (fair trial) en in artikel 121 Grondwet. Naast de openbaarheid spelen ook andere rechtsbeginselen een rol. In artikel 8 EVRM (respect for private and family life) staat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer centraal. Artikel 10 EVRM (freedom of expression) garandeert het recht op vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van het recht van een ieder om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen of te verstrekken.
Deze rechtsbeginselen hebben een gelijk gewicht, zij het dat openbare zittingen onvermijdelijk altijd een zekere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen betekenen. Bij de behandeling van rechtszaken zal, als daartoe aanleiding bestaat, worden afgewogen of de toegang tot de rechtszaal geheel of gedeeltelijk dient te worden beperkt. Artikel 6 EVRM bepaalt wat dat betreft: “de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden”. Dit sluit in grote lijnen aan bij de gronden waarop, blijkens artikel 10 EVRM, de vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt, zij het dat in die bepaling als afzonderlijke beperkingsgrond de waarborging van “het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht” nog wordt genoemd.
Het is de taak van de rechter die de zaak behandelt, om het belang van de vrije toegang tot de rechtszaal af te wegen tegen de andere belangen die in het EVRM worden genoemd. In de Nederlandse wetgeving is dit op diverse plaatsen nader uitgewerkt. Voor het civiele recht is die uitwerking in hoofdzaak te vinden in artikel 27 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor het strafrecht in artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering, voor het bestuursrecht in artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht en voor het belastingrecht in artikel 27c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Het uitgangspunt is dat zittingen voor een ieder en dus ook voor de pers vrij toegankelijk zijn. De rechter die de zitting leidt, kan echter beperkingen stellen. In alle gevallen dat hij daartoe besluit, moet de rechter die beslissing motiveren en doet hij dat in het openbaar. Bij de beslissing om de toegang tot de rechtszaal geheel of gedeeltelijk te beperken, spelen verschillende gezichtspunten, zoals:
• de persoonlijke levenssfeer van procesdeelnemers;
• een ordelijk verloop van de zittingen;
• de veiligheid;
• de aard van de behandelde zaak: strafzaken zullen in het algemeen een zwaardere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maken dan bijvoorbeeld een gemiddeld civiel- of bestuursrechtelijk geschil;
• het recht van een ieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak;
• het beginsel dat ieder, tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan;
• de beïnvloeding van procesdeelnemers door de aanwezigheid van de media, in het bijzonder van de audiovisuele media;
• de belangen van een behoorlijke rechtspleging;
• het gezag en de onpartijdigheid van de rechter.
Ten slotte: deze richtlijn geldt ook voor de rechtspleging in hoger beroep, en daarom kan overal waar hierna het woord “rechter” staat, in voorkomende gevallen ook “raadsheer” worden gelezen.

